- Arrest van 27 september 2012

27/09/2012 - C.11.0322.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Er is sprake van veinzing wanneer de partijen een of meer schijnbare akten opmaken maar overeenkomen de gevolgen ervan te wijzigen of teniet te doen door een andere overeenkomst die geheim blijft (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 27 sep. 2012, nr …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0322.F

1. A. M. en

2. J. B.,

3. A. B.,

4. G. B.,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. F. L. en

2. C. P.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Doornik van 15 november 2010.

Op 3 september 2012 heeft advocaat-generaal André Henkes een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1134, inzonderheid eerste lid, 1135, 1165, 1319 tot 1322, inzonderheid 1321, 1582 en 1702 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 47, 48 en 51 van de Pachtwet, ingevoegd door de wet van 4 november 1969 en die afdeling 3 van hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt;

- algemeen rechtsbeginsel "Fraus omnia corrumpit".

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het beroepen vonnis in zoverre het de op artikel 51 van de pachtwet gegronde oorspronkelijke vorderingen van de verweerders gegrond had verklaard, en bijgevolg alle bij de zaak betrokken partijen naar notaris J., met standplaats te P., heeft verwezen teneinde daar de akten te verlijden met betrekking tot de vordering tot indeplaatsstelling binnen de grenzen van de volgende percelen:

- voor de eerste verweerder, het perceel gelegen in het gehucht "C. de C." te M., gekadastreerd sectie A nr. 491L voor een omvang van 2 ha 34 a 27 ca;

- voor de tweede verweerder, het perceel gelegen in het gehucht "P." te M., gekadastreerd sectie D nr. 185D voor een omvang van 36 are;

het vonnis grondt die beslissing op de onderstaande redenen:

"De (verweerders) vorderen de bevestiging van het [beroepen] vonnis en preciseren daarbij dat ‘de notarissen, als naar recht, vervangen moeten worden door hun opvolgers'; zij herhalen hun argumenten die zij in de onderstaande bewoordingen hadden aangevoerd in hun respectieve oorspronkelijke dagvaarding:

‘Aldus werden de echtgenoten [eisers sub 1 en 2], luidens de twee notariële akten, eigenaar van alle percelen, met inbegrip van de percelen 527B, 391E, 185D en 393 die door de verzoeker werden gebruikt en die onder bezwarende titel waren overgedragen zonder dat hij zijn recht van voorkoop heeft kunnen uitoefenen;

Hoewel er geen enkele koopakte is gesloten, tonen het feit dat de twee akten erg kort na elkaar werden verleden en dat [de eisers sub 1 en 2] op 15 april 1989 eigenaar zijn geworden van de grond die zij hadden geruild op 17 december 1988, aan dat er in werkelijkheid, door de kunstgreep met de twee notariële akten, een verkoop is gebeurd met miskenning van het recht van voorkoop van de pachter, de aanvrager;

Luidens die twee akten werd geen enkel ander zakelijk recht overgedragen dan de eigendom van de te M. gelegen percelen, gekadastreerd 527B, 391E, 185D, 393 en 491L van de [eisers sub 3 en 4] aan de [eisers sub 1 en 2];

De kunstgreep van de tweevoudige notariële akte werd kennelijk slechts gebruikt om het recht van de pachter, de aanvrager, betreffende het perceel te M. en geka-dastreerd sectie A nr. 491L, te miskennen';

Die argumenten wijzen duidelijk op bedrog dat, wanneer het bewezen is, het noodzakelijk niet-gelden van het recht van voorkoop tenietdoet;

Er moet rekening worden gehouden met de bedrieglijke kunstgreep en de bedoeling (namelijk beletten dat de [verweerders] hun recht van voorkoop kunnen uitoefenen zodat de [eisers sub 1 en 2], landbouwers die verwant zijn met de [eisers sub 3 en 4], eigenaar kunnen worden van de te M. gelegen gronden) en niet met elke notariële akte afzonderlijk die een schijn van wettelijkheid wil scheppen;

De beweegreden betreffende de verkoop van de gronden te B. door de [eisers sub 3 en 4] mist elke grondslag, gelet op het enige stuk dat is overgelegd, namelijk een factuur van 20 maart 1990 gericht aan de heer B.;

De [eisers] die, tevergeefs, zich verschuilen achter die authentieke akten, ontmantelen het bedrog niet;

Het beroepen vonnis moet worden bevestigd, met enkel de wijziging van de identiteit van de notaris die aangesteld is om de niet-verschenen partijen te vertegenwoordigen, namelijk notaris D., die notaris C. opvolgt."

Grieven

Eerste onderdeel

De rechtbank verwijst naar de redenen op bladzijde 3 en 4 van het vonnis van de eerste rechter, neemt ze over en beslist als volgt:

- bij notariële akte verleden door meester F. D. op 17 december 1988 en overge-schreven in de hypotheekregisters te Doornik op 11 januari 1989 hebben de laatste twee eisers met de eerste twee eisers een lot landbouwgronden gelegen te M. met een omvang van 4 ha 10 a 47 ca geruild voor een ander te B. gelegen lot landbouwgronden met een totale omvang van 4 ha 2 a 64 ca; die ruil is gebeurd zonder oplegsom;

- bij notariële akte verleden door dezelfde notaris op 15 april 1989 en overge-schreven in de hypotheekregisters te Doornik op 8 mei 1989 hebben de laatste twee eisers het lot van de te B. gelegen gronden die geruild werden, verkocht aan de eerste twee eisers tegen de prijs van een miljoen tweehonderd duizend frank.

De appelrechters beslissen dat de vordering van de verweerders die steunt op ar-tikel 51 van de Pachtwet, als vermeld in het middel, gegrond is; daartoe hebben zij het resultaat van de twee voormelde opeenvolgende notariële akten aangemerkt als verkoop, met miskenning van het in de artikelen 47 en volgende van die wet vastgelegde recht van voorkoop, van de door de verweerders gepachte gronden:

- wegens de zeer korte tijd tussen die twee akten,

- en omdat de eerste twee eisers op 15 april 1989 eigenaar waren geworden van de percelen die zij op 17 december 1988 hadden geruild, waarbij de kunstgreep van de tweevoudige notariële akte slechts werd gebruikt om het recht van de pachter te miskennen.

Anders gezegd, de appelrechters zijn ervan uitgegaan dat er sprake was van een veinzing door de twee openvolgende litigieuze akten, die beide openlijk waren, en hebben besloten dat die twee akten de wil van de partijen verhulden om de gronden waarvoor een recht van voorkoop gold, te verkopen.

Veinzing impliceert echter het bestaan van twee gelijktijdige overeenkomsten, de ene openlijk, en de andere geheim, zijnde de tegenbrief, waardoor naar gelang van de intentie van de partijen, ofwel de zichtbare overeenkomst wordt tenietgedaan, ofwel de aard of sommige gevolgen ervan worden gewijzigd.

Meer bepaald kan er geen sprake zijn van veinzing wanneer de partijen, zoals hier, twee opeenvolgende overeenkomsten hebben gesloten, die beide openlijk zijn en waarvan zij alle rechtsgevolgen aanvaarden.

Het bestreden vonnis stelt in geen enkele reden vast dat er een geheime overeenkomst bestaat om de aard of de gevolgen teniet te doen of te wijzigen van de openlijke ruilovereenkomst dit ertoe strekt de gronden waarvoor een recht van voorkoop geldt te ruilen voor gronden die aan de eerste twee eisers toebehoren. Het stelt evenmin vast dat de partijen niet de gevolgen hebben aanvaard van de twee opeenvolgende tussen hen verleden akten.

Het vonnis neemt uitsluitend in aanmerking dat er binnen een korte tijdsspanne twee opeenvolgende overeenkomsten zijn gesloten en dat de eerste twee eisers de gronden die zij oorspronkelijk hadden geruild, opnieuw hebben gekocht.

De appelrechters hebben met die redenen hun beslissing dat er een tegenbrief bestond over de verkoop van de litigieuze gronden waarop de verweerders recht van voorkoop hadden, niet naar recht verantwoord.

Zij hebben bijgevolg de artikelen 1319 tot 1322 van het Burgerlijk Wetboek, meer bepaald artikel 1321, van dat wetboek geschonden.

Doordat de appelrechters bovendien weigeren rechtsgevolgen toe te kennen aan de ruilovereenkomst tussen de eisers en die ruil aanmerken als verkoop, waarvoor het recht van voorkoop van de verweerders geldt, miskennen zij de verbindende kracht van de ruilovereenkomst en schenden zij bijgevolg artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, inzonderheid het eerste lid. Zij schenden tevens artikel 1165 van dat wetboek, dat onderstelt dat het bestaan van de overeenkomsten ten aanzien van derden geldt zoals ze tussen de partijen gesloten zijn.

Zij schenden voorts de artikelen 1582 en 1702 van het Burgerlijk Wetboek doordat zij een overeenkomst als een koop aanmerken hoewel die overeenkomst niet voldoet aan de begripsomschrijving ervan in artikel 1582 en weigeren aan te nemen dat er sprake is van een ruil als bepaald in 1702.

Zij schenden bovendien de artikelen 47 en 51 van de Pachtwet doordat zij het recht van voorkoop van de verweerders erkennen dat zij niet hebben bij ruil maar uitsluitend bij verkoop.

Het bestreden vonnis is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel

Eerste onderdeel

Er is sprake van veinzing wanneer de partijen een of meer schijnakten opmaken maar overeenkomen de gevolgen ervan te wijzigen of teniet te doen door een an-dere overeenkomst die geheim blijft.

Het bestreden vonnis, dat de redenen van de eerste rechter overneemt, stelt het volgende vast:

- het geschil "houdt verband met de bepalingen betreffende pacht en, meer be-paald, met het recht van voorkoop, dat daarin is vastgelegd";

- bij een notariële akte van 17 december 1988 hebben de eisers sub 3 en 4 met de eisers sub 1 en 2, landbouwexploitanten, een aantal in M. gelegen landbouwgron-den met een omvang van 4 ha 10 a 47 ca, geruild tegen een ander aantal in B. ge-legen landbouwgronden met een omvang van 4 ha 2 a 64 ca; de ruil is gebeurd zonder oplegsom;

- "de gronden te M. werden door verscheidene exploitanten-pachters [waaronder de verweerders] gebruikt, waarvoor de [eisers sub 3 en 4] pacht ontvingen, terwijl die te B. gebruikt werden [...] door de exploitanten [eisers sub 1 en 2]"; die toe-stand bleef onveranderd na de ruil;

- bij een notariële akte van 15 april 1989 hebben de eisers sub 3 en 4 de te B. ge-legen gronden aan de eisers sub 1 en 2 verkocht tegen een prijs van 1.200.000 frank;

- de eisers sub 1 en 2 zijn landbouwexploitanten te M., terwijl de eisers sub 3 en 4 "helemaal niets met die activiteiten te maken hebben".

Het bestreden vonnis neemt aan, zoals de verweerders betoogden, dat "hoewel er geen enkele koopakte is gesloten, [...] het feit dat de twee akten erg kort na elkaar werden verleden en dat [de eisers sub 1 en 2] op 15 april 1989 eigenaar zijn ge-worden van de grond die zij hadden geruild op 17 december 1988, aan[tonen] dat er in werkelijkheid, door de kunstgreep met de twee notariële akten, een verkoop is gebeurd met miskenning van het recht van voorkoop" van de verweerders.

Het vonnis oordeelt dat "rekening [moet] worden gehouden met de bedrieglijke kunstgreep en de bedoeling (namelijk beletten dat de [verweerders] hun recht van voorkoop kunnen uitoefenen zodat de [eisers sub 1 en 2], landbouwers die verwant zijn met de [eisers sub 3 en 4], eigenaar kunnen worden van de te M. gelegen gronden) en niet met elke notariële akte afzonderlijk die een schijn van wettelijkheid wil scheppen [en dat] de beweegreden betreffende de verkoop van de gronden te B." die wordt aangevoerd door de eisers sub 1 en 2 niet bewezen is.

Het vonnis stelt aldus vast dat de voor de notaris verleden openlijke akten betref-fende de ruil en de koop schijnakten waren om op bedrieglijke wijze een werke-lijke overeenkomst betreffende de verkoop van de gronden te M, van de eisers sub 3 en 4 aan de eisers sub 1 en 2 te verhullen.

Voor het overige dienden de appelrechters niet vast te stellen dat de partijen niet alle gevolgen van de notariële akten betreffende de ruil en de koop hadden aan-vaard, aangezien hun geen middel werd voorgelegd dat aanvoerde dat de partijen die gevolgen hadden aanvaard.

Het bestreden vonnis dat op grond van de voornoemde vermeldingen beslist dat het recht van voorkoop van de verweerders werd miskend, schendt geen enkele van de in het onderdeel aangegeven bepalingen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 27 september 2012 uitgesp-roken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Veinzing