- Arrest van 27 september 2012

27/09/2012 - D.11.0013.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De code van farmaceutische plichtenleer is een wet in de zin van artikel 10.2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ook al heeft de Koning die code geen bindende kracht verleend bij een in ministerraad overlegd besluit, wat Hij op grond van artikel 15, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 80 betreffende de Orde der apothekers, mag doen (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 27 sep. 2012, nr …

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.11.0013.F

D. J,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. VOORZITTER NATIONALE RAAD ORDE VAN APOTHEKERS,

2. MAGISTRAAT-ASSESSOR IN DIE RAAD,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing nr. 978/979 die op 24 mars 2011 is uitgesproken door de raad van beroep van de Orde van apothekers met het Frans als voertaal.

Op 3 september 2012 heeft advocaat-generaal André Henkes een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In haar cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert de eiseres drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Derde middel

1. Volgens artikel 10.2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rech-ten van de mens en de fundamentele vrijheden kan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, die de vrijheid omvat om inlichtingen of denkbeelden te ver-strekken en plichten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt, onderworpen worden aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn bepaald en die in een democratische samenleving onder meer noodza-kelijk zijn in het belang van de bescherming van de gezondheid, de goede zeden of de rechten van anderen.

2. Artikel 10.2 verbiedt niet elke beperking van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, mits die beperking steunt op een wet.

Artikel 15, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers bepaalt dat de nationale raad een code van farmaceutische plichtenleer kan vaststellen.

Die code, volgens de uitlegging door de rechtspraak, vermeldt op een voldoende duidelijke en toegankelijke wijze de beginselen en de gebruiken die elke apotheker moet eerbiedigen en waardoor hij zich moet laten leiden in de uitoefening van zijn beroep.

De code van farmaceutische plichtenleer is een "wet" in de zin van artikel 10.2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ook al heeft de Koning die code geen bindende kracht verleend bij een in ministerraad overlegd besluit, wat Hij op grond van artikel 15, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit mag doen.

Het middel dat het tegenovergestelde beweert, faalt naar recht.

3. Voor het overige heeft de bestreden beslissing naar recht kunnen oordelen dat de inmenging in de vrijheid van meningsuiting van de eiseres verantwoord was door de noodzaak om "het imago van de artsenijbereidkunde en mede daar-door dat van de volksgezondheid" te beschermen.

4. De voorwaarde van de "noodzaak in een democratische samenleving" ver-eist dat wordt nagegaan of de gelaakte inmenging aan een dwingende maatschap-pelijke behoefte beantwoordt, wat impliceert dat de redenen die worden aange-voerd om de inmenging te verantwoorden relevant en afdoende zijn en dat de ge-laakte maatregel evenredig is aan het nagestreefde legitieme doel.

De bestreden beslissing stelt vast dat de apotheek van de eiseres in het litigieuze krantenartikel werd omschreven als een "mini-supermarkt" waar iedereen "tussen de rekken kan wandelen, kopen wat hij wil, [...] de producten rustig kan bekijken en zelfs de prijzen vergelijken omdat alle prijzen vermeld [waren]" en erop wees dat er in die apotheek verscheidene kassa's waren, "elk met een specifieke functie: de snelkassa, de kassa zonder voorschrift en die met voorschrift", waardoor het niet nodig was "om urenlang aan de kassa aan te schuiven".

De bestreden beslissing vermeldt dat laatstgenoemde inlichting onjuist was.

Zij grondt haar beslissing op de redenen die worden vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel alsook op de overweging dat "het artikel een beeld schetst van [de] apotheek [van de eiseres] dat niet strookt met de werkelijkheid noch met de plichten van omzichtigheid en discretie die de Code van plichtenleer oplegt; het bevat immers verkeerde informatie en omschrijft de apotheek als een ‘mini-supermarkt'" en dat volgens artikel 6 [lees: 86] van die code ‘alle informatie verspreid in de apotheek [...] eerlijk, waarheidsgetrouw en controleerbaar [dient] te zijn'

De bestreden beslissing die op grond van die vaststellingen en overwegingen beslist dat de eiseres "de eer, de discretie, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep in het licht van de artikelen 1 en 91 van de Code van plichtenleer aangetast" had en haar daarvoor een straft oplegt, schendt artikel 10 van het Verdrag niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 27 september 2012 uitgesp-roken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Artikel 10.2

  • Vrijheid van meningsuiting

  • Beperkingen

  • Apotheker

  • Code van plichtenleer

  • Wet