- Arrest van 28 september 2012

28/09/2012 - C100331N-C100466N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een persoon kan een namens hem ingesteld cassatieberoep door het Hof van onwaarde laten verklaren; die vordering kan ook uitgaan van een andere partij bij het cassatieberoep; de verzoeker in cassatie kan het ingestelde cassatieberoep bekrachtigen of te bekwamer tijd bevestigen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0331.N

1. L.M.,

2. J.R.,

3. C.R.,

4. FIRMA JOS RULAND nv, met zetel te 3500 Hasselt, Kuringersteenweg 44,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kie-zen,

tegen

1. K.I.,

2. M.I.,

3. L.I.,

4. J.I.,

5. J.I.,

6. M.C.,

7. G.C.,

8. T.C.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders sub 1 tot 8 woonplaats kiezen,

verweerders, minstens in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen,

en inzake van

1. M.-J.R.,

2. L.C.,

3. H.B., als voorlopig bewindvoerder van M.-J.R., voornoemd, met kantoor te 3520 Zonhoven, Dijkbeemdenweg 32,

4. Eric GILISSEN, notaris, met kantoor 3500 Hasselt, Luikersteenweg 165,

verweerders, minstens in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen.

II.

Nr. C.10.0466.N

M.-J.R.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

1. K.I.,

2. M.I.,

3. L.I.,

4. J.I.,

5. J.I.,

6. M.C.,

7. G.C.,

8. T.C.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders woonplaats kiezen,

9. L.M.,

10. J.R.,

11. C.R.,

12. FIRMA JOS RULAND nv, wonende te 3500 Hasselt, Kuringersteenweg 46,

13. L.C.,

verweerders,

mede inzake van

14. H.B.,

15. E.G.,

partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de recht-bank van eerste aanleg te Hasselt van 29 maart 2010.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers in de zaak C.10.0331.N voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiseres in de zaak C.10.0466.N. voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Zaak C.10.0331.N

Middel

Ontvankelijkheid

1. De verweerders voeren aan dat het middel niet ontvankelijk is wegens ge-brek aan hoedanigheid, omdat de eisers louter opkomen tegen de omschrijving van de opdracht die door de appelrechters aan de voorlopig bewindvoerder van de eerste tot bindendverklaring opgeroepen partij werd toegekend. Zij komen meer bepaald op tegen het feit dat aan de voorlopig bewindvoerder de opdracht werd gegeven het jaarlijks verslag met afrekening alsook het verslag met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon niet alleen mee te delen aan de vrederechter en de beschermde persoon maar ook aan de familieleden van de beschermde persoon.

2. Artikel 488bis, c), § 2, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing de voorlopige bewindvoerder en verslag moet opstellen met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon en dit overzenden aan de vrederechter, aan de be-schermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon.

Artikel 488bis, c), § 3, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de voorlopige bewind-voerder jaarlijks en binnen dertig dagen na het einde van zijn mandaat rekenschap geeft aan de personen vermeld in § 2.

3. Dit voorschrift strekt tot bescherming van de onder voorlopig bewind ge-stelde persoon. Hij kan, tot vrijwaring van zijn persoonlijke levenssfeer, opkomen tegen een beslissing van de rechter, die in strijd met voormelde wetsbepalingen toelaat dat informatie over zijn vermogenstoestand wordt meegedeeld aan anderen dan de personen vermeld in artikel 488bis, c), § 2, Burgerlijk Wetboek.

De eisers, hier de familieleden van de beschermde persoon en een vennootschap, hebben niet de vereiste hoedanigheid om de miskenning van het recht op be-scherming van het persoonlijke levenssfeer van de onder voorlopig bewind ge-stelde persoon in te roepen en om op te komen tegen een dergelijke beslissing die uitsluitend de laatstgenoemde persoon kan benadelen.

Het middel is niet ontvankelijk.

Vordering tot bindendverklaring

4. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt aan de vordering tot bin-dendverklaring zijn voorwerp.

Zaak C.10.0466.N

Vordering tot ontkentenis van proceshandeling

5. Luidens artikel 848, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan een persoon de rechter verzoeken een handeling van onwaarde te verklaren, ingeval namens hem een proceshandeling wordt verricht, buiten iedere wettelijke vertegenwoordiging en zonder dat hij die handeling, zelfs stilzwijgend heeft gelast, toegelaten of be-krachtigd.

Krachtens artikel 848, derde lid, Gerechtelijk Wetboek kunnen de andere partijen in het geding dezelfde vordering indienen, tenzij de persoon namens wie de han-deling is verricht, deze bekrachtigt of te bekwamer tijd bevestigt.

6. Uit die wetsbepalingen volgt dat een persoon een namens hem ingesteld cassatieberoep door het Hof van onwaarde kan laten verklaren.

Die vordering kan ook uitgaan van een andere partij bij het cassatieberoep.

De verzoeker in cassatie kan het ingestelde cassatieberoep bekrachtigen of te be-kwamer tijd bevestigen.

7. De verweerders hebben bij de memorie van antwoord een brief gevoegd van de eiseres, gedateerd op 31 oktober 2010, waarin zij verklaart "dat zij nooit aan iemand de opdracht gegeven heeft om in cassatieberoep te gaan".

De dag waarop de memorie van antwoord werd betekend, hebben de verweerders aan de advocaat die het verzoekschrift in cassatie had ondertekend, een dagvaar-ding in gedwongen tussenkomst en ontkentenis van proceshandeling betekend in toepassing van artikel 848, derde lid, Gerechtelijk Wetboek. De vordering tot ont-kentenis van proceshandeling steunt op de verklaring van de eiseres, die vervat ligt in de brief van 31 oktober 2010.

8. In een brief van 1 december 2010, die als stuk werd gevoegd bij de memorie van wederantwoord, verklaart de eiseres dat zij wel degelijk aan advocaat Cor-thouts opdracht heeft gegeven om "verbreking in te stellen tegen het bestreden vonnis." In die brief verklaart zij tevens "dat het haar vurige wens is dat die be-handeling zou doorgaan". In een brief van vermogensplanningkantoor Uplink, die eveneens bij de memorie van wederantwoord is gevoegd, wordt verklaard dat dit kantoor "opdracht heeft gekregen vanwege de eiseres om de provisionele ereloon- en kostenstaat te betalen voor het opstellen van een voorziening in cassatie" en wordt bevestigd dat de betreffende betaling is uitgevoerd op 15 november 2010.

9. Uit brief van 1 december 2010 en de verklaring van het vermogensplan-ningkantoor kan worden afgeleid dat de eiseres het ingestelde cassatieberoep zo-niet heeft gelast, het dan toch op zijn minst heeft bekrachtigd.

De vordering tot ontkentenis van proceshandeling is ongegrond.

Middel

10. Krachtens artikel 488bis, c), § 2, Burgerlijk Wetboek moet de voorlopige bewindvoerder uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing een verslag opstellen met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbron-nen van de beschermde persoon en dit overzenden aan de vrederechter, aan de be-schermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon. Daarenboven kan de vrede-rechter hem ervan ontslaan om dit verslag aan de beschermde persoon over te zenden, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.

11. Krachtens artikel 488bis, c), § 3, eerste lid, Burgerlijk Wetboek geeft de voorlopige bewindvoerder jaarlijks en binnen dertig dagen na het einde van zijn mandaat, rekenschap aan de personen vermeld in § 2.

12. Krachtens artikel 488bis, c), § 3, vierde lid, Burgerlijk Wetboek brengt de voorlopige bewindvoerder de beschermde persoon op de hoogte van de handelin-gen die hij verricht. In bijzondere omstandigheden kan de vrederechter hem vrij-stellen van deze verplichting. In dit geval brengt de voorlopige bewindvoerder de vertrouwenspersoon van de beschermde persoon op de hoogte. Bij ontstentenis van een vertrouwenspersoon, kan de vrederechter een andere persoon of instelling aanwijzen die door de voorlopige bewindvoerder op de hoogte moet worden ge-bracht.

13. Hieruit volgt dat de wetgever een onderscheid maakt tussen het verslag met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon bedoeld in artikel 488bis, c), § 2, en de jaarlijkse afrekening, bedoeld in artikel 488bis, c), § 3, eerste lid, Burgerlijk Wetboek aan de ene kant en de mede-deling van beheershandelingen bedoeld in artikel 488bis, c), § 3, vierde lid, Bur-gerlijk Wetboek aan de andere kant.

De voorlopige bewindvoerder dient de beheershandelingen bedoeld in artikel 488bis, c), § 3, vierde lid, Burgerlijk Wetboek in de regel alleen mee te delen aan de beschermde persoon. In bijzonder omstandigheden kan de vrederechter de voorlopige bewindvoerder vrijstellen van deze verplichting, in welk geval de me-dedeling gebeurt aan de vertrouwenspersoon en bij afwezigheid van een vertrou-wenspersoon aan een derde persoon of instelling door de vrederechter aangewe-zen.

Het verslag met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon bedoeld in artikel 488bis, c), § 2, en de jaarlijkse af-rekening, bedoeld in artikel 488bis, c), § 3, eerste lid, Burgerlijk Wetboek moeten in de regel worden overgezonden aan de vrederechter, de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon.

De vrederechter kan de voorlopige bewindvoerder ervan ontslaan deze verslagen en afrekeningen mee te delen aan de beschermde persoon als deze niet in staat is ervan kennis te nemen.

Als de beschermde persoon niet in staat is kennis te nemen van de verslagen en afrekeningen bedoeld in artikel 488bis, c), § 2 en § 3, eerste lid, Burgerlijk Wet-boek, worden zij enkel overgezonden aan de vrederechter en de vertrouwensper-soon van de beschermde persoon.

Als voor de beschermde persoon geen vertrouwenspersoon is aangewezen, voor-ziet de wet niet erin dat de vrederechter een andere persoon of instelling kan aan-wijzen die in de plaats van de vertrouwenspersoon treedt.

14. De beperkingen die de wet oplegt in verband met de overzending van ver-slagen en afrekeningen bedoeld in artikel 488bis, c), § 2 en § 3, eerste lid, Burger-lijk Wetboek, strekt tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de onder voorlopig bewind gestelde persoon.

15. De appelrechters die de voorlopige bewindvoerder opdracht geven om het verslag met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon en het jaarlijks verslag mee te delen aan de verweerders 1 tot 13, waarvan niet blijkt dat zij als vertrouwenspersonen zijn aangewezen, schenden artikel 488bis, c), §§ 2 en 3, Burgerlijk Wetboek.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Voegt de zaken C.10.0331.N en C.10.0466.N.

In de zaak C.10.0331.N

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.041,97 euro en voor de verweerders 1 tot 8 op 107,42 euro.

In de zaak C.10.0466.N

Verklaart de vordering tot ontkentenis van proceshandeling ongegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het oordeelt dat het verslag met be-trekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de eiseres en het jaarlijks verslag en de afrekening moet worden overgemaakt aan andere partijen dan de beschermde persoon.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 28 september 2012 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Van-dewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

G. Jocqué

K. Mestdagh

B. Deconinck

E. Stassijns

E. Dirix

Vrije woorden

  • Cassatieberoep

  • Ontkentenis van proceshandeling

  • Vordering

  • Gerechtigden

  • Bekrachtiging of bevestiging van het cassatieberoep