- Arrest van 1 oktober 2012

01/10/2012 - C.11.0677.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Met een dringende reden in de zin van artikel 125 Ziekenhuiswet, dient te worden verstaan een zwaarwichtig feit dat elke verdere samenwerking tussen ziekenhuis en ziekenhuisgeneesheer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt; de zwaarwichtigheid van een bepaald feit en de eruit voortvloeiende onmiddellijke en definitieve onmogelijkheid verder samen te werken kunnen niet worden beïnvloed door de tussenkomst van een later feit.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0677.N

HEILIG HARTZIEKENHUIS ROESELARE-MENEN vzw, met zetel te 8800 Roeselare, Wilgenstraat 2,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

M.M.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerder woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 april 2011.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 14 juni 2012 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De appelrechters oordelen dat het "gemis aan equipe-werking, nauwgezet-heid en aandacht voor ‘evidence based medicine' of kwaliteitsregels in onderlinge afspraak", aangehaald in de aangetekende brief van de raadsman van de eiseres van 15 november 2001 als dringende reden om tot de afzetting van de verweerder over te gaan, niet voldoet aan de vereiste van nauwkeurige en precieze omschrij-ving, dermate vaag is dat niet kan worden achterhaald wat concreet aan de ver-weerder wordt verweten en dan ook niet kan beschouwd worden als een zwaar-wichtig feit dat elke samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

2. Gelet op dit oordeel dienden de appelrechters niet meer te antwoorden op het in het onderdeel bedoeld verweer, dat niet meer dienstig was.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Eerste subonderdeel

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de brief van 15 november 2001 waarbij de raad van beheer van de eiseres met verwijzing naar het advies van de medische raad van 12 november 2001 kennis geeft van haar be-slissing tot de onmiddellijke afzetting van de verweerder over te gaan om zwaar-wichtige redenen, ook vermeldde: "Aansluitend nam de raad van beheer kennis van een bijkomende melding waarrond heel ernstige vragen moeten gesteld wor-den. Het betreft het door u geïsoleerd - zonder overleg met een andere geneesheer of zorgverlener - optreden bij een terminale kankerpatiënt, waarbij door u ampules Diprivan en KCI werden afgehaald op de dienst spoedgevallen op 6 november 2001. De raad van beheer meent dat andere bevoegde instanties hier moeten oordelen over de noodzaak van verder onderzoek of opvolging."

4. De appelrechters oordelen dat:

- uit de inhoud van vooraangehaalde brief van de raad van beheer van de eiseres blijkt dat de onmiddellijke afzetting van de verweerder niet gesteund was op de aangehaalde feiten van 6 november 2001;

- de raad van beheer immers stelt "dat andere bevoegde instanties daarover moeten oordelen";

- de eiseres daarenboven advies heeft gevraagd aan de medische raad om tot de afzetting over te gaan en daarbij verwezen heeft naar de feiten vermeld in het auditrapport van oktober 2001, waarin de feiten van 6 november 2001 niet aan bod konden komen;

- zo deze feiten wel ter sprake kwamen op de vergadering van de medische raad van 12 november 2001, de medische raad niet verwijst naar deze feiten in haar gemotiveerd advies tot afzetting.

5. Door aldus te oordelen geven de appelrechters van de brief van de raad van beheer van de eiseres van 15 november 2001 geen uitleg die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is.

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede subonderdeel

6. Het subonderdeel gaat, wat betreft de aangevoerde schending van artikel 125, eerste lid, 7°, vierde en vijfde lid, Ziekenhuiswet, zoals te dezen van toepas-sing, geheel ervan uit dat de appelrechters hun oordeel dat de onmiddellijke afzet-ting niet gesteund was op de aangehaalde feiten van 6 november 2001, enkel gronden op de vaststelling dat die feiten niet aan bod komen in het advies tot af-zetting van de medische raad.

7. De appelrechters gronden dit oordeel ook op de vaststelling dat de raad van beheer van de eiseres in haar brief van 15 november 2001 stelt "dat andere be-voegde instanties daarover moeten oordelen".

Het onderdeel berust in zoverre op een onvolledige lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

8. Voor het overige is het subonderdeel volledig afgeleid uit de vergeefs aan-gevoerde miskenning van de bewijskracht van de brief van de raad van beheer van de eiseres van 15 november 2001 en is het mitsdien niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

9. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat met een dringende reden in de zin van ar-tikel 125 Ziekenhuiswet, zoals te dezen van toepassing, dient te worden verstaan een zwaarwichtig feit dat elke verdere samenwerking tussen ziekenhuis en zie-kenhuisgeneesheer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

10. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de zwaarwichtigheid van een bepaald feit en de eruit voortvloeiende onmiddellijke en definitieve onmogelijkheid verder samen te werken kunnen worden beïnvloed door de tussenkomst van een later feit, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 520,38 euro en voor de verweerder op 507,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 1 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens G. Jocqué

A. Smetryns E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Ziekenhuis

  • Ziekenhuisgeneesheer

  • Afzetting

  • Dringende reden