- Arrest van 2 oktober 2012

02/10/2012 - P.12.0143.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 870 Gerechtelijk Wetboek is eigen aan de burgerlijke rechtspleging en is niet van toepassing in strafzaken (1). (1) Cass. 8 sept. 2004, AR P.04.0916.F, AC 2004, nr. 394.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0143.N

1. B. D. B.,

beklaagde,

2. JOLAN bvba, met zetel te 9240 Zele, Bakkerstraat 10,

burgerrechtelijk aansprakelijke partij,

eisers,

met als raadsman mr. Roland Mertens, advocaat bij de balie te Antwerpen,

tegen

J. S.,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correcti-onele rechtbank te Antwerpen van 19 december 2011.

De eisers voeren in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Met bevestiging van het beroepen vonnis veroordeelt het bestreden vonnis de eisers op burgerlijk gebied tot de betaling van een voorschot en beveelt het een onderzoeksmaatregel. Het verwijst de verdere afhandeling van de burgerlijke rechtsvordering naar de eerste rechter. Dit is geen eindbeslissing en evenmin een uitspraak als bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook daartegen gericht, zijn de cassatieberoepen niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 420 Strafwet-boek, de artikelen 1315, 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en artikel 19.1 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis oordeelt, op basis van de verklaringen van de getuigen V. en V. H. en deze van de eerste eiser, dat deze laatste "ter hoogte van huisnummer 1079 pinkte en quasi gelijktijdig onmiddellijk ook al links afsloeg" terwijl die verklaringen dit niet inhouden; de appelrechters geven aldus aan die verklaringen een uitlegging die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen en draagwijdte ervan en miskennen de bewijskracht van de stukken waarin die verklaringen zijn opgenomen.

3. Artikel 1315 Burgerlijk Wetboek betreft het bewijs van de verbintenissen, maar is niet van toepassing op het bewijs van een misdrijf.

In zoverre het schending van die wetsbepaling aanvoert, faalt het onderdeel naar recht.

4. Met het oordeel dat de getuigen het erover eens zijn dat de eiser ter hoogte van huisnummer 1079 pinkte en onmiddellijk afdraaide om links de oprit op te rijden, geeft het bestreden vonnis van de verklaringen van de getuigen, mede gelet op alle andere erin vermelde gegevens, een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

5. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en artikel 19.1 Wegverkeersreglement is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht der akten en is het niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 420 Strafwet-boek, de artikelen 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en de arti-kelen 10.1.1°, 10.1.3° en 19.1 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis oord-eelt op grond van de verklaring van de getuige V. dat de komst van de verweerder voldoende zichtbaar en voorzienbaar was voor de eerste eiser, terwijl dit geenszins uit die verklaring blijkt; de getuige bevestigde op een formulier dat hij invulde dat de eerste eiser de verweerder helemaal niet kon zien; de appelrechters geven aldus aan die verklaringen een uitlegging die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen en draagwijdte ervan en miskennen de bewijskracht ervan.

7. Met het oordeel dat de komst van de verweerder voor de eiser 1 voldoende zichtbaar was, geeft het bestreden vonnis geen uitlegging van de verklaringen van de getuigen, maar beoordeelt het enkel de bewijswaarde ervan.

In zoverre het miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, mist het on-derdeel feitelijke grondslag.

8. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 10.1.1°, 10.1.3° en 19.1 Wegverkeersreglement, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten en is het niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 418 en 420 Strafwetboek, de artikelen 1315, 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en artikel 19.1 Wegverkeersreglement: het arrest oord-eelt op grond van de verklaring van de getuigen V. en V. H. dat de eerste eiser zich niet naar links had begeven vooraleer hij links afsloeg terwijl beide getuigen geenszins verklaren dat hij al dan niet voorgesorteerd was; aldus miskent het arrest de bewijskracht van de akten waarin die verklaringen zijn opgenomen.

10. Artikel 870 Gerechtelijk Wetboek is eigen aan de burgerlijke rechtspleging en is niet van toepassing in strafzaken.

11. Artikel 1315 Burgerlijk Wetboek betreft het bewijs van de verbintenissen, maar is niet van toepassing op het bewijs van een misdrijf.

12. In zoverre het schending van die wetsbepalingen aanvoert, faalt het onder-deel naar recht.

13. Met het bekritiseerde oordeel, geeft het bestreden vonnis geen uitlegging van de verklaringen van de getuigen, maar beoordeelt het enkel de bewijswaarde ervan.

14. In zoverre het miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, mist het onderdeel feitelijke grondslag.

15. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en artikel 19.1 Wegverkeersreglement is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten en is het niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 420 Strafwet-boek, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en 19.1 Wegverkeersregle-ment: het bestreden vonnis veroordeelt de eerste eiser niettegenstaande hij reeds zijn richtingsaanwijzer in werking had gesteld en zich reeds naar links begeven had vooraleer de verweerder hem begon in te halen.

17. Het onderdeel komt volledig op tegen de beoordeling van de feiten door het bestreden vonnis of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

18. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 10.1.1°, 10.1.3° en 16.4.1°, a, Weg-verkeersreglement: het bestreden vonnis oordeelt dat de verweerder geen enkele fout of onvoorzichtigheid beging en dat alleen de eerste eiser verantwoordelijk is voor het ongeval; steunend op de verklaringen van de getuigen V. en V. H. oord-eelt het bestreden vonnis dat het voor de verweerder niet voorzienbaar was dat de eerste eiser links ging afslaan hoewel dit geenszins uit die verklaringen blijkt; aldus miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van de stukken waarin die ver-klaringen zijn opgenomen.

19. Met het bij het middel bekritiseerde oordeel geeft het bestreden vonnis van de verklaringen van de getuigen geen uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en beoordeelt het voor het overige de bewijswaarde ervan.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

20. Voor het overige komt het middel op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter en is het in zoverre niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 263,11 euro waarvan 73,59 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechts-zitting van 2 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van af-gevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet A. Bloch P. Maffei

Vrije woorden

  • Bewijslast

  • Artikel 870 Ger.W.

  • Toepassing