- Arrest van 3 oktober 2012

03/10/2012 - P.12.0700.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het vermoeden van onschuld belet de rechter niet om bij de bepaling van de strafmaat alle regelmatig verkregen elementen in overweging te nemen die eigen zijn aan de persoon van de beklaagde en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, zoals die met betrekking tot zijn financiële toestand of de wijze waarop hij zijn inkomsten verwerft of uitgeeft (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0700.F

I. A. D.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

II. R. S.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 13 maart 2012.

De eiser A. D. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 26 september 2012 een con-clusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 3 oktober 2012 heeft afdelingsvoorzitter Frédéric Close verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van A. D.

Middel

Het arrest veroordeelt de eiser, in staat van algemene en bijzondere herhaling, met name wegens invoer van cannabis bestemd voor de verkoop, in het kader van zijn deelneming aan een vereniging. Uit een onderzoek van het telefoonverkeer tijdens de drie weken die aan zijn aanhouding en de inbeslagneming van de drugs zijn voorafgaan, leidt het arrest immers af dat de eiser tijdens die periode actief heeft deelgenomen aan een omvangrijke drugshandel tussen Marokko en België, in het kader van een zeer gestructureerde vereniging.

Het middel oefent kritiek uit op de motivering van de geldboete en voert aan dat het hof van beroep, door zich te baseren op winsten die volgens het arrest op on-rechtmatige wijze zijn verkregen, eensdeels, het vermoeden van onschuld miskent omdat het de eiser de verplichting oplegt de herkomst van zijn financiële middelen te verantwoorden en, anderdeels, de strafmaat bepaalt op grond van feiten die geen verband houden met die welke het bewezen heeft verklaard.

Eerste onderdeel

Eensdeels belet het vermoeden van onschuld de rechter niet om bij de bepaling van de strafmaat alle regelmatig verkregen elementen in overweging te nemen die eigen zijn aan de persoon van de beklaagde en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, zoals die met betrekking tot zijn financiële toestand of de wijze waarop hij zijn inkomsten verwerft of uitgeeft.

Anderdeels, wanneer de bezwaren ten aanzien van de vervolgde persoon overwel-digend zijn, miskent de rechter die, bij wijze van feitelijke vermoedens, uit zijn stilzwijgen of onbevredigende verklaringen ongunstige besluiten trekt, noch het recht van verdediging noch het vermoeden van onschuld.

Daaruit volgt dat de appelrechters, die zowel de dure levensstijl van de eiser heb-ben vastgesteld die niet in verhouding staat tot zijn inkomsten, als het bestaan van belangrijke bewegingen op zijn bankrekeningen tijdens de maanden die aan zijn aanhouding zijn voorafgegaan, alsook het feit dat hij op het ogenblik van zijn aanhouding 1.354,60 euro op zich had, daaruit naar recht kunnen afleiden dat, ge-let op de marktwaarde van de in beslag genomen drugs, die op 95.000 euro is ge-raamd, de financiële middelen waarvan de eiser de herkomst niet duidelijk kon aantonen, alleen afkomstig konden zijn uit winsten die op onrechtmatige wijze zijn verkregen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het middel voert aan dat de onrechtmatige winsten die het arrest de eiser verwijt ter motivering van het bedrag van de geldboete, niet alleen voortkomen uit de fei-ten die het voorwerp uitmaken van de strafvordering en die bewezen zijn ver-klaard.

Het arrest beperkt zich echter niet tot het bewezen verklaren van de feiten van in-voer van verdovende middelen die op het ogenblik van de aanhouding van de ei-ser zijn vastgesteld. Het veroordeelt hem ook wegens een geheel van misdrijven die in de drie weken daarvóór in het kader van een omvangrijke internationale drugshandel zijn gepleegd.

In zoverre het onderdeel op een onjuiste interpretatie van het arrest berust, mist het feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van R. S.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 3 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bedrag van de geldboete

  • Redenen

  • Elementen eigen aan de persoon van de beklaagde

  • Vermoeden van onschuld