- Arrest van 4 oktober 2012

04/10/2012 - C.11.0686.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Ongeacht de middelen die de eiser aan de feitenrechter heeft voorgelegd, komt het hem toe om tegen het arrest dat hem benadeelt een middel aan te voeren dat, aangezien het afgeleid is uit de schending van een bepaling van openbare orde, voor het eerst voor het Hof kan worden opgeworpen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2012, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0686.F

ISLAMITISCHE REPUBLIEK IRAN,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

V. D.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in tegenwoordigheid van

1. KONINKLIJKE MUSEA VOOR KUNST EN GESCHIEDENIS,

2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Midden-stand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw,

3. P. V.,

4. M. V.,

5. H. V.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 20 juni 2011 van het hof van be-roep te Brussel.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 544, 2242, 2244 en 2262 van het Burgerlijk Wetboek, laatstgenoemd artikel zoals gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring;

- artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring;

- artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek,

- artikel 87, inzonderheid § 2, van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht.

Aangevochten beslissingen

Het arrest "verklaart de nieuwe vordering van de eiseres, die ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat zij de eigenares is van de litigieuze verzameling en op die grond te doen bevelen dat die verzameling haar moet worden teruggegeven, verjaard; verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond binnen de hierna gepreciseerde grenzen; verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk maar niet-gegrond; [...] wijzigt het beroepen vonnis alleen in zoverre het de vorderingen van Y.W., weduwe M., met uitzondering van de vorderingen tot schadevergoeding wegens de diefstallen waardoor zij beweert in Iran te zijn getroffen, ontvankelijk maar niet-gegrond; verzoekt de conservator van het Jubelparkmuseum om de verzameling voorwerpen waarvoor de heer D. is aangesteld als gerechtelijk bewaarder bij beschikking van 4 augustus 1982 van de beslagrechter te Gent, en zoals geïnventariseerd door de heer E.H. op 19 november 1983, aan de verweer-ster terug te geven; veroordeelt de eiseres in alle mogelijke kosten van het sekwester en van het deskundigenonderzoek van de verzameling; veroordeelt haar in de kosten van het hoger beroep van de verweerster [...] en laat haar de kosten van haar eigen hoger beroep; verwerpt de overige respectieve eisen van de partijen".

Het arrest stelt het volgende vast:

"De hoofdvordering van de eiseres

De eiseres heeft voor de eerste rechter alleen gevraagd om de goederen opnieuw naar Iran uit te voeren;

Zo staat er in het beroepen vonnis:

‘De eiseres voert aan dat noch de wijze van verkrijging van de litigieuze verzameling noch de vraag of de verweerster op rechtsgeldige wijze opnieuw eigenares van die verzameling is geworden, in deze rechtsvordering opnieuw be-twist worden;

De eiseres behoudt zich alleen het recht voor het door de verweerster aangevoerde eigendomsrecht op die verzameling op een later tijdstip te betwisten door zich te beroepen op de wijze waarop die verzameling werd verkregen en op de Iraanse rechtsregels die bij die verkrijging zijn of zouden zijn geschonden, alsook op de wettelijke gevolgen van uitvoer zonder vergunning;

De rechtbank kan bij het onderzoek naar de rechtsgrond van de vordering geen acht slaan op het door de verweerster aangevoerde feit dat zij zich in werkelijkheid voortaan niet langer zal kunnen beroepen op de voorrechten van haar eigendomsrecht indien de verzameling opnieuw zou worden uitgevoerd naar Iran, aangezien zij in dat land "behandeld wordt alsof ze ter dood is veroordeeld";

De rechtsvordering kan naar recht niet worden aangemerkt als een rechtsvordering tot terugvordering of als een bezitsvordering;

Bijgevolg is het overbodig om de argumenten te onderzoeken die de verweerster put uit de toepassing van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek en de gevolgen van de verkrijgende verjaring in het licht van het Belgisch recht - de wet die van toepassing is krachtens het beginsel lex rei sitae';

In haar conclusie van 28 februari 1991, die op 4 maart 1991 is neergelegd ter griffie van het hof van beroep, heeft de eiseres via een incidenteel beroep een vordering ingesteld (die op dat ogenblik werd voorgesteld als een subsidiaire vordering, terwijl deze nu als een hoofdvordering wordt voorgesteld) die ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat zij de eigenares is van de litigieuze goederen, terwijl zij haar vordering tot wederuitvoer, in de veronderstelling dat mevrouw M. de eigenaar van de verzameling is, als hoofdvordering aanhoudt;

Het gaat hier dus om een nieuwe vordering in hoger beroep."

Het arrest beslist vervolgens:

« De verweerster voert daarentegen terecht aan dat de vordering verjaard is;

Zowel de eiseres als de verweerster zijn het er immers over eens dat de Belgische verjaringstermijn van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is; volgens voormeld artikel verjaren alle zakelijke rechtsvorderingen door verloop van dertig jaar, zonder dat degene die zich op die verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen;

Het staat vast dat mevrouw M. uiterlijk in 1954 haar laatste aankopen heeft gedaan;

De vordering van de eiseres, die ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat zij de eigenares van de betrokken goederen is, en die zij op 4 maart 1991 heeft ingesteld, is derhalve verjaard;

De eiseres voert vergeefs aan dat de dagvaarding van 7 juli 1982 die verjaring zou hebben gestuit. Zoals hierboven is gezegd, strekte die dagvaarding niet ertoe dat uitspraak werd gedaan over het eigendomsrecht van de eiseres. In al haar processtukken in eerste aanleg heeft laatstgenoemde onophoudelijk herhaald dat zij het eigendomsrecht van mevrouw M. niet in vraag wou stellen voor de Belgische rechter maar dat zij zich het recht voorbehield om dat op een later tijdstip te doen voor de Iraanse gerechten;

Daarenboven heeft geen enkele andere akte de verjaring gestuit vóór 4 mei 1991, dat is de datum waarop die vordering is ingesteld. De eiseres kan zich met name niet beroepen op artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien zij de litigieuze goederen nooit in beslag heeft laten nemen;

De [eiseres] heeft op 4 december 1981 alleen derdenverzet gedaan tegen een beschikking van de beslagrechter, die uitspraak had gedaan over de procedure van het beslag tot terugvordering die was ingeleid door mevrouw M., niet om de eigendom van de verzameling op te eisen maar om te eisen dat die verzameling wegens onregelmatige uitvoer zou worden teruggestuurd naar Iran;

De stuiting van de verjaring gaat niet van de ene vordering over op de andere; ze stuit enkel de verjaring voor de rechtsvordering die ze inleidt en voor die welke daarin virtueel begrepen zijn;

Dat geldt te dezen niet voor de vordering die de eiseres op 4 maart 1991 heeft ingesteld en die ertoe strekt zich als eigenaar van de verzameling te doen erkennen, terwijl haar oorspronkelijke vordering alleen strekte tot de wederuitvoer, naar Iran, van goederen waarvan de eigendom geenszins was opgeëist; integendeel, de eiseres had meermaals beklemtoond dat zij niet voor de Belgische gerechten het eigendomsrecht van mevrouw M. wenste te betwisten;

De eiseres heeft bij conclusie van 4 maart 1991 dus een nieuwe vordering ingesteld die het voorwerp van haar hoofdvordering wijzigde; haar oorspronkelijke vordering heeft zij overigens niet gewijzigd maar als subsidiair voorgesteld."

Het arrest besluit zodoende dat "de nieuwe vordering niet gestuit wordt door de verjaring die van toepassing is op de gedinginleidende vordering en dat uit de voorgaande vaststellingen en redenen volgt dat de hoofdvordering van de eiseres in hoger beroep verjaard is".

Grieven

Eerste onderdeel

Luidens artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, dat te dezen toepasselijk is gemaakt krachtens artikel 87, inzonderheid § 2, van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, is eigendom het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordeningen.

Het eigendomsrecht gaat niet teloor door bevrijdende verjaring: de eigendom heeft de eigenschap eeuwig te blijven duren en het recht op het genot van zijn zaak omvat het recht om van die zaak geen gebruik te maken. Die regel geldt voor alle goederen, met inbegrip van roerende goederen, en geldt ook voor de rechtsvordering tot terugvordering, die nauw samenhangt met de eigendom (M. Marchandise, La prescription libératoire en matière civile, Dossiers du J.T., nr. 64, Larcier, 2007, p. 32 en 33 ; V. Sagaert, "Het onderscheid tussen persoonlijke en zakelijke vorderingen - Het verjaringsregime van zakelijke vorderingen nader geanalyseerd", in Verjaring in het privaatrecht, Kluwer, 2005, nr. 42). Het feit dat er van de zaak geen gebruik wordt gemaakt, heeft niet tot gevolg dat de eigendom van de zaak teloorgaat of dat de zaak niet kan worden teruggevorderd van een derde, in wiens handen de zaak zich bevindt of die de zaak bezit (M. Marchandise, La prescription libératoire en matière civile, Dossiers du J.T., nr. 64, Larcier, 2007, p. 33).

Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek biedt de mogelijkheid om artikel 2262 van datzelfde wetboek niet toe te passen. Luidens dat artikel verjaren alle zakelijke rechtsvorderingen door verloop van dertig jaar, zonder dat degene die zich op die verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen.

De rechter moet in beginsel de rechtsregel bepalen en toepassen die van toepassing is op de voor hem gebrachte vordering. Te dien einde mag hij, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen aan de feiten hebben gegeven, de voor hem aangevoerde middelen ambtshalve aanvullen. De rechter moet dus een juridische omschrijving geven aan de feiten waarvan hij kennisneemt, zonder dat hij gebonden is door de omschrijvingen van de partijen, de rechtsregel opzoeken die van toepassing is op die omschrijving en hem op het geschil toepassen.

Zo heeft de rechter de plicht, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, ambtshalve de middelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen, inzonderheid wanneer die middelen gegrond zijn op dwingende rechtsnormen of op rechtsnormen die, zoals die betreffende de verjaring, van openbare orde zijn.

Uit de vaststellingen van het arrest blijkt te dezen het volgende: 1. de litigieuze goe-deren bevinden zich sinds juli 1964 op Belgisch grondgebied; 2. de vordering van de eiseres die ertoe strekt "voor recht te doen zeggen dat zij de eigenares is van de litigieuze verzameling", werd op een later tijdstip ingesteld voor de Belgische gerechten en 3. de verweerster heeft tegen die eis de exceptie van verjaring opgeworpen, waarbij het onderzoek naar de vraag of de litigieuze goederen rechtmatig in het bezit van mevrouw M. zijn gekomen, volgens het Iraanse recht alleen maar wordt gevoerd om uitspraak te doen over de subsidiaire vordering van de eiseres, die ertoe strekt de verzameling naar Iran te doen terugsturen.

Het arrest wijst er dus op dat de verweerster wat dat betreft slechts aanvoerde dat de nieuwe vordering van de eiseres betreffende de eigendom van de litigieuze goederen "verjaard is".

Het arrest beslist dat die exceptie terecht is opgeworpen, in substantie om de volgende redenen: 1. "de Belgische verjaringstermijn van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek", die met name dertig jaar bedraagt, is van toepassing; 2. "mevrouw M. heeft uiterlijk in 1954 haar laatste aankopen gedaan" en 3. de vordering van de eiseres, "die ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat zij de eigenares van de betrokken goederen is, en die zij op 4 maart 1991 heeft ingesteld, is derhalve verjaard".

Op grond van de vastgestelde feiten, te weten de terugvordering, door de eiseres, van een eigendomsrecht op goederen die zich in België bevonden, diende het arrest, krachtens artikel 87, § 2, van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, toepassing te maken van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan de toepassing van artikel terzijde kon worden gelaten. Het arrest had dan ook moeten beslissen dat die terugvordering, krachtens een regel van openbare orde die voortvloeit uit artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, niet verjaard was.

Het arrest, dat aldus uitspraak doet, zonder op grond van de door dat arrest vastgestelde feiten na te gaan of de vordering van de eiseres "die ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat zij de eigenares is van de litigieuze verzameling" niet onverjaarbaar was, verantwoordt bijgevolg zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 544 van het Burgerlijk Wetboek, 87, § 2, van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht en artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, dat van toepassing is krachtens artikel 10 van die wet).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

De door de verweerster tegen dat onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel is gericht tegen een beslissing die overeen-stemt met de conclusie van de eiseres:

Het onderdeel is gericht tegen de beslissing van het arrest waarbij de vordering van de eiseres, die ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat zij de eigenares is van de litigieuze verzameling antiquiteiten en kunstvoorwerpen, met toepassing van artikel 2262 Burgerlijk Wetboek verjaard wordt verklaard.

De verweerster voert aan dat de eiseres, zoals het arrest trouwens vaststelt, net als zij voor het hof van beroep overwogen heeft dat de verjaringstermijn van het voormelde artikel 2262 moest worden toegepast.

Artikel 544 Burgerlijk Wetboek, waaruit het onderdeel afleidt dat de vordering van de eiseres niet aan die verjaringstermijn onderworpen is, is van openbare orde.

Ongeacht de middelen die de eiseres aan de feitenrechter heeft voorgelegd, komt het haar toe om tegen het arrest dat haar vordering verjaard verklaart, niettegen-staande zij het tegendeel beweerde, en haar dus benadeelt, een middel aan te voe-ren dat, aangezien het afgeleid is uit de schending van een dergelijke bepaling, bijgevolg voor het eerst voor het Hof kan worden aangevoerd.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het onderdeel

Luidens artikel 544 Burgerlijk Wetboek is eigendom het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordenin-gen.

Noch dat recht, noch de rechtsvordering tot terugvordering, die dat recht be-schermt, gaan teloor wanneer van de zaak geen gebruik wordt gemaakt.

Het arrest, dat de vordering van de eiseres "die ertoe strekt zich als eigenares van de verzameling te doen erkennen" verjaard verklaart, op grond dat deze niet werd ingesteld binnen de termijn van dertig jaar sinds "[de voorganger van de verweer-ster] zijn laatste kunstvoorwerpen heeft gekocht", schendt artikel 544 Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de vordering die ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat de eiseres de eigenares is van de litigieuze verzameling en op die grond te doen bevelen dat die verzameling haar moet worden teruggege-ven, de conservator van het Jubelparkmuseum verzoekt die verzameling aan de verweerster terug te geven, de eiseres veroordeelt in de kosten van het sekwester en van het deskundigenonderzoek en uitspraak doet over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van de Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis, die optreden in de hoedanigheid van conservator van het Jubel-parkmuseum, van de Belgische Staat en van P.V., M.V. en H.V.

Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten; houdt de andere helft aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terecht-zitting van 4 oktober 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aan-wezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Middel gericht tegen een beslissing die overeenstemt met de conclusie van de eiser

  • Ontvankelijkheid