- Arrest van 5 oktober 2012

05/10/2012 - C.12.0073.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Op grond van artikel 1691, tweede lid, Burgerlijk Wetboek is de tegenwerpelijkheid aan de overnemer van de schuldvordering van een conventionele schuldvergelijking afhankelijk van de goede trouw van de schuldenaar van de overgedragen vordering; de schuldenaar is niet te goeder trouw wanneer hij, ook al was hem nog geen kennis gegeven, op de hoogte is van de overdracht van de schuldvordering.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0073.N

GR CAPITAL PARTNERS bvba, met zetel te 2200 Herentals, Diamant-straat 8/214,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

COMMERCIAL FINANCE GROUP nv, met zetel te 1702 Groot-Bijgaarden, Pontbeekstraat 4,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest,

en in aanwezigheid van

1. Paul VAN ROMPAEY, advocaat, met kantoor te 2260 Westerlo, Zand-berg 19, als curator van het faillissement van Manu Jones Benelux nv,

partij opgeroepen in bindendverklaring van het arrest,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de in bindendverklaring opge-roepen partij woonplaats kiest,

2. M.T.,

3. J.M.,

partijen opgeroepen in bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 oktober 2011.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. FEITEN

Uit het arrest blijken de volgende feiten:

- op 1 april 2010 sluit de eiseres met MJB nv een overeenkomst tot overname van de voorraden van MJB nv, met mogelijkheid tot wederverkoop;

- deze overeenkomst bevat een beding van conventionele schuldvergelijking tus-sen de schuldvorderingen van de verkoop en de eventuele wederverkoop;

- op 1 april 2010 stelt MJB nv een factuur op voor een bedrag van 190.000,25 euro en 9.680 euro met vervaldag op 90 dagen;

- deze schuldvordering wordt dezelfde dag gecedeerd aan de verweerster in het raam van een factoringovereenkomst door middel van een endossement van de factuur door het aanbrengen van een stempel met het bericht van de overdracht en betaalbaarheid aan de verweerster;

- dezelfde dag richt de verweerster zich tot de eiseres om bevestiging te vragen of deze factuur is aanvaard;

- de eiseres deelt aan de verweerster mee dat de factuur wordt aanvaard en zal worden voldaan op de vervaldag;

- op 11 mei 2010 maakt de eiseres gebruik van haar recht op wederverkoop en maakt een factuur op geadresseerd aan MJB nv voor een totaalbedrag van 199.680,25 euro;

- op de vervaldag maakt de verweerster aanspraak op betaling van de aan haar overgedragen factuur;

- de eiseres weigert de betaling op grond van de conventionele schuldvergelij-king krachtens de overeenkomst van 1 april 2010.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de par-tijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridi-sche omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aange-voerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting op-werpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij en-kel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Het feit dat de partijen de toepassing van een bepaalde wetsbepaling niet hebben opgeworpen, betekent niet dat zij die mogelijkheid bij conclusie hebben uitgesloten.

Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer een rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de afwezig-heid van de goede trouw reeds in het debat was voor de eerste rechter en dat de verweerster in haar conclusie genomen voor de appelrechter heeft opgeworpen dat de eiseres zich jegens haar niet op het compensatiebeding kan beroepen en hiertoe onder meer heeft aangevoerd dat de eiseres geacht moet worden afstand te hebben gedaan van de compensatie door haar antwoordfax van 1 april 2010, dat bij de verweerster het rechtmatig vertrouwen werd gewekt dat de factuur zou worden betaald en dat de compensatie een fictief karakter had.

3. De appelrechters die oordelen dat de eiseres zich niet op de overeenkomst tot compensatie kan beroepen wegens afwezigheid van goede trouw miskennen aldus niet het recht van verdediging, noch schenden zij artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Luidens artikel 1691, tweede lid, Burgerlijk Wetboek kan de te goeder trouw zijnde schuldenaar de gevolgen van elke rechtshandeling die ten opzichte van de overdrager is gesteld, inroepen ten opzichte van de overnemer, voordat de overdracht aan hem ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend. De schul-denaar is niet te goeder trouw wanneer hij kennis had van de overdracht op het tijdstip van de totstandkoming van de rechtshandeling.

Op grond van deze bepaling is de tegenwerpelijkheid aan de overnemer van de schuldvordering, van een conventionele schuldvergelijking afhankelijk van de goede trouw van de schuldenaar van de overgedragen vordering. De schuldenaar is niet te goeder trouw wanneer hij, ook al was hem nog geen kennis gegeven, op de hoogte is van de overdracht van de schuldvordering.

5. Artikel 1295 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de schuldenaar van de over-gedragen schuldvordering na de kennisgeving of de erkenning van de overdracht, zich niet meer op schuldvergelijking kan beroepen die daarna tot stand komt.

Schuldvergelijking blijft echter mogelijk voor samenhangende schuldvorderingen.

6. Luidens artikel 14 Wet Financiële Zekerheden, in zijn toepasselijke versie, kunnen nettingovereenkomsten alsook de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, niettegenstaan-de elke overdracht van de rechten waarop zij betrekking hebben, in het geval van de opening van een insolventieprocedure of in het geval van het beslag of enig ander geval van samenloop, aan de schuldeisers worden tegengesteld als de schuldvordering en de schuld waarop de schuldvernieuwing of -vergelijking moet worden toegepast, bestaan op het ogenblik waarop de insolventieprocedure, het beslag of een geval van samenloop plaatsvindt, ongeacht de datum van hun opeis-baarheid, hun doel of de valuta waarin zij zijn uitgedrukt.

Krachtens deze bepaling kan de schuldvergelijking met de overgedragen schuld-vordering krachtens een overeenkomst strekkende tot conventionele compensatie, door de schuldenaar aan de overnemer worden tegengeworpen op voorwaarde dat deze overeenkomst reeds bestond ten tijde van de overdracht en dit ongeacht het tijdstip van het ontstaan van de te verrekenen schuldvordering en zonder dat de schuldvorderingen samenhangend dienen te zijn.

Deze bepaling doet geen afbreuk aan het vereiste van de goede trouw van de schuldenaar bedoeld in artikel 1691, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.

7. De appelrechters stellen vast dat de eiseres bij het sluiten van de overeen-komst van 1 april 2010 wist dat "de factuur onmiddellijk zou worden overgedra-gen aan (de verweerster) om aldus van deze een groot deel van de koopsom als voorschot (krediet) te ontvangen" en oordelen dat de eiseres niet te goeder trouw heeft gehandeld zodat op grond van artikel 1691, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, de eiseres jegens de verweerster geen beroep kan doen op schuldvergelijking krachtens de overeenkomst van 1 april 2010 met de later ontstane schuldvordering op de overdrager.

Door aldus te oordelen is het arrest naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vordering tot bindendverklaring

8. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt ieder belang aan de vorde-ring in bindendverklaring.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eiseres tot kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1425,06 euro en voor de verweerster op 395,61 euro en voor de in bindendverklaring opgeroepen partij sub 2 op 213,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 5 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

G. Jocqué

K. Mestdagh

B. Deconinck

E. Stassijns

E. Dirix

Vrije woorden

  • Overdracht van schuldvordering

  • Tegenwerpelijkheid aan de overnemer