- Arrest van 5 oktober 2012

05/10/2012 - C.11.0535.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit artikel 3, § 1, Woninghuurwet blijkt dat een huurovereenkomst van korte duur betreffende een woning die de huurder tot hoofdverblijfplaats dient, noodzakelijk schriftelijk moet worden aangegaan; dit artikel bepaalt niet dat het schriftelijk huurcontract noodzakelijk de duur van de overeenkomst moet bevatten (1). (1) Zie de concl. van het OM.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0535.N

1. E.D.,

2. A.S.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. R.V.V.,

2. D.V.,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 2 december 2010.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft op 12 juni 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. In afwijking van artikel 3, § 1, Woninghuurwet kunnen de partijen schrifte-lijk een huurovereenkomst sluiten voor een duur korter dan of gelijk aan drie jaar.

2. Uit dit artikel blijkt dat een huurovereenkomst van korte duur betreffende een woning die de huurder tot hoofdverblijfplaats dient, noodzakelijk schriftelijk moet worden aangegaan.

Dit artikel bepaalt niet dat het schriftelijk huurcontract noodzakelijk de duur van de overeenkomst moet bevatten.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

3. De appelrechters kennen aan de huurovereenkomst tussen de partijen die zij in acht nemen, een draagwijdte toe die met de bewoordingen ervan niet onvere-nigbaar is, zodat zij de bewijskracht ervan niet miskennen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

De aangevoerde schending van de artikelen 1156 en 1353 Burgerlijk Wetboek is volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de huurovereenkomst tussen de partijen.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel

4. De appelrechters steunen hun oordeel dat de eisers hebben ingestemd met de huurschade van 500 euro niet alleen op de brief van de eisers van 17 december 2008, maar ook op een brief van 7 januari 2009 van de huurdersbond namens de eisers, waarin het bestaan van huurschade op zich niet is betwist.

Het middel dat uitgaat van een onvolledige lezing, mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 496,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 5 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols G. Jocqué K. Mestdagh

B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Woninghuurwet

  • Huurovereenkomst van korte duur

  • Vorm