- Arrest van 8 oktober 2012

08/10/2012 - S.11.0150.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De regel dat de Belgen gelijk zijn voor de wet als bepaald bij artikel 10 van de Grondwet en dat het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend zonder discriminatie moet verzekerd worden als bepaald bij artikel 11 van de Grondwet, impliceert dat al wie zich in een zelfde situatie bevindt op dezelfde manier wordt behandeld maar sluit niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen voor zover het onderscheidscriterium objectief en redelijk kan worden gerechtvaardigd; het bestaan van een dergelijke rechtvaardiging moet worden beoordeeld in het licht van het doel en van de gevolgen van de genomen maatregel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0150.F

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,

Mr Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

N. O.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 september 2011 gewezen door het arbeidshof te Luik.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift waarvan een eensluidend afschrift aan dit ar-rest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

De regel dat de Belgen gelijk zijn voor de wet als bepaald bij artikel 10 van de Grondwet en dat het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend zonder discriminatie moet verzekerd worden als bepaald bij artikel 11 van de Grondwet, impliceert dat al wie zich in een zelfde situatie bevindt op dezelfde manier wordt behandeld maar sluit niet uit dat een onderscheid moet worden ge-maakt tussen verschillende categorieën van personen voor zover het onder-scheidscriterium objectief en redelijk kan worden gerechtvaardigd. Het bestaan van zulke rechtvaardiging moet worden beoordeeld in het licht van het doel en van de gevolgen van de genomen maatregel.

Krachtens artikel 59quinquies, § 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, dat hier van toepas-sing is, wordt de jonge werknemer uitgesloten van het genot van inschakelings-uitkeringen gedurende een periode van vier maanden, gerekend van datum tot da-tum, als hij de verbintenis, aangegaan in de schriftelijke overeenkomst, niet heeft nageleefd om concrete acties uit te voeren die van hem verwacht worden tijdens de volgende maanden.

Artikel 59quinquies, § 6, tweede lid, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt dat, in dezelfde hypothese, de werkloze die werkloosheidsuitkeringen geniet ge-durende een periode van vier maanden, gerekend van datum tot datum, de uitke-ring verminderd tot het bedrag van het leefloon ontvangt, indien hij de hoedanig-heid heeft van werknemer met gezinslast of van alleenwonende werknemer.

De werkloosheidsuitkeringen worden toegekend aan de werknemers die tijdens de door de toepasselijke regelgeving voorgeschreven periode hebben bijgedragen tot de werkloosheidsverzekering en hun dienstbetrekking verliezen door omstandig-heden onafhankelijk van hun wil.

De inschakelingsuitkeringen worden toegekend aan jongeren die tijdens die peri-ode niet veel gewerkt of bijgedragen hebben.

Ze hebben niet tot doel een werknemer te vergoeden die zijn werk ontnomen is door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil maar om de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken.

Door een zwaardere sanctie te bepalen voor diegene die inschakelingsuitkeringen geniet, maakt artikel 59quinquies, § 6, eerste lid, en tweede lid, 1°, van voor-noemd koninklijk besluit van 25 november 1991 een onderscheid dat objectief en redelijk kan worden gerechtvaardigd tussen de jonge werknemer die inschake-lingsuitkeringen geniet en de werkloze die werkloosheidsuitkeringen geniet.

Het arrest beslist het tegendeel en schendt bijgevolg de in het onderdeel aange-voerde bepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Veroordeelt de eiser in de kosten, gelet op artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 8 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Artikel 11

  • Gelijkheid

  • Niet-discriminatie

  • Begrip

  • Verschil in behandeling

  • Rechtvaardiging