- Arrest van 11 oktober 2012

11/10/2012 - C.12.0044.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De echtgenoten die kiezen voor het stelsel van de algehele gemeenschap kunnen vrijelijk bepaalde goederen uit de gemeenschap uitsluiten, op voorwaarde dat zij de essentiële kenmerken van dat stelsel eerbiedigen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0044.F

N. J.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. J. D.,

2. D. R., advocaat bij de balie te Bergen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 13 september 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 20 september 2012 een conclusie neergelegd ter griffie.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft conclusie genomen.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Aangevochten wettelijke bepalingen

- de artikelen 1387, 1388, 1389, 1390, 1405.4, 1451 en 1453 van het Burgerlijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende afstand van recht.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart, met bevestiging van het beroepen vonnis, de vordering van de eiseres tot nietigverklaring van de verkoop van het pand gelegen te R. in Spanje, niet gegrond.

Het arrest grondt zijn beslissing op de redenen die het weergeeft sub "Bespreking", en meer bepaald op de volgende overweging:

"[De eiseres] verklaart dat zij haar rechtsvordering grondt op de artikelen 1418 en 1422 van het Burgerlijk Wetboek;

Artikel 1418, 1, a), van het Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op het beheer van het gemeenschappelijk vermogen, bepaalt dat de toestemming van beide echtgenoten vereist is om de voor hypotheek vatbare goederen te vervreemden;

Artikel 1422 van datzelfde wetboek bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van een van de echtgenoten die bewijst dat hij een wettig belang heeft en onverminderd de rechten van de te goeder trouw zijnde derden, elke handeling nietig kan verklaren die de andere echtgenoot heeft verricht in strijd met de bepalingen van, inzonderheid, artikel 1418;

Aangezien die regels van toepassing zijn op het beheer van het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, dient eerst te worden nagegaan of het pand te R. deel uitmaakte van de gemeenschap van de echtgenoten [...];

Inzake huwelijksvermogensstelsels huldigt artikel 1387 van het Burgerlijk Wetboek het beginsel van de wilsautonomie van de echtgenoten, onder voorbehoud van de gemeenrechtelijke beperkingen die met de openbare orde of de goede zeden strijdige bedingen verbieden, van de dwingende regels van de wet van 14 juli 1974, die in deze zaak niet van toepassing zijn en de beginselen of structurele regels eigen aan het gekozen stelsel, waarbij het contract geen beding mag bevatten dat strijdig is met de essentiële kenmerken van dat stelsel [...];

De huwelijksovereenkomst [...] bepaalt in artikel 1 dat de echtgenoten ‘als basis voor hun huwelijk kiezen voor de algehele gemeenschap, onder de hierna vermelde voorwaarden' en dat ‘de gemeenschap bijgevolg al hun tegenwoordige en toekomstige roerende en onroerende goederen zal bevatten, met uitzondering van die welke van persoonlijke aard zijn en van de rechten die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn, inzonderheid die welke opgesomd worden in artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek';

In artikel 2 bepaalt de huwelijksovereenkomst dat [de echtgenoot] verklaart twee woningen in de gemeenschap te willen brengen, één die gelegen is te J. en één te M.;

Nergens wordt verwezen naar het pand te R.;

Hieruit volgt een ogenschijnlijke tegenstrijdigheid tussen, enerzijds, de keuze van de echtgenoten voor een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen die alle tegenwoordige en toekomstige roerende en onroerende goederen van de twee echtgenoten omvat en, anderzijds, een beding van inbreng dat een van de panden van een van de echtgenoten niet vermeldt;

Bijgevolg moet de werkelijke bedoeling van de partijen worden achterhaald door de algemene uitleggingsregels van overeenkomsten toe te passen, met name de bepalingen van de artikelen 1154 tot 1162 van het Burgerlijk Wetboek;

Het onderzoek van een ander beding van de overeenkomst kan die ogenschijnlijke tegenstrijdigheid opheffen;

Artikel 4, dat betrekking heeft op de ontbinding van de gemeenschap door overlijden, bepaalt immers dat ‘de gemeenschap, zoals zij hierboven is omschreven, niet in tweeën gedeeld wordt [...] en in volle eigendom zal toekomen aan de langstlevende echtgenoot, met ingang van het overlijden' ;

De combinatie van voormeld artikel met artikel 2 van de overeenkomst, samen met het feit dat [de eiseres] zelf nooit enig onroerend goed in de gemeenschap heeft ingebracht, leiden tot het besluit dat de partijen hebben willen kiezen voor een algehele gemeenschap waarvan de onroerende activa, op het ogenblik dat de akte werd verleden, waren samengesteld uit de goederen die in artikel 2 nauwkeurig zijn omschreven;

Het pand te R. werd bijgevolg uit die activa uitgesloten;

Aangezien er geen andere uitsluitingen zijn, kan niet worden aangenomen dat die uitsluiting de essentiële structurele beginselen van het gekozen stelsel van algehele gemeenschap ondermijnt;

De eerste rechter heeft de vordering van [de eiseres] dus terecht verworpen".

Grieven

Artikel 1453 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, wanneer de echtgenoten overeenkomen dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn, zij al hun tegenwoordige en toekomstige goederen in het gemeenschappelijk vermogen brengen, met uitzondering van die welke van persoonlijke aard zijn en van de rechten die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn.

Het gemeenschappelijk vermogen omvat in beginsel dus alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten, met uitzondering van de goederen van persoonlijke aard, van die welke aan een echtgenoot geschonken of nagelaten worden, met de vermelding dat die goederen aan de begunstigde voorbehouden zullen blijven, en van de rechten die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn en een eigen karakter behouden.

De echtgenoten kiezen echter vrij wat hun huwelijksvermogensstelsel zal omvatten. Krachtens artikel 1387 van het Burgerlijk Wetboek regelen de echtgenoten hun huwelijksovereenkomsten naar goeddunken, mits zij daarin niets bedingen dat strijdig is met de openbare orde of de goede zeden. De artikelen 1388 en 1389 van dat wetboek bevatten tevens regels waarvan niet mag worden afgeweken. Artikel 1390 van hetzelfde wetboek bepaalt dat, bij gebrek aan bijzondere overeenkomsten, de regels van het wettelijk stelsel het gemeen recht vormen. Uit die bepalingen volgt dat de echtgenoten noodzakelijkerwijs een huwelijksvermogensstelsel moeten aannemen. Ter bescherming van de vermogens van de echtgenoten mag de huwelijksovereenkomst dus geen bepaling bevatten die strijdig is met de essentiële kenmerken van het gekozen stelsel.

Hoewel aangenomen wordt dat de partijen die voor een stelsel van algehele gemeenschap kiezen, hun inbreng kunnen beperken tot de tegenwoordige of toekomstige goederen alleen, of nog bepaalde goederen uit de gemeenschap kunnen uitsluiten, moet dit evenwel uitdrukkelijk vermeld worden in de huwelijks-overeenkomst.

Het stelsel van de algehele gemeenschap omvat ook het beginsel dat is vastgelegd in artikel 1405 van het Burgerlijk Wetboek. De dwingende regels van het gemeenschappelijk vermogensstelsel zijn dan van toepassing op dat stelsel. Ook de regels van het wettelijk stelsel, waarvan hun huwelijksovereenkomst niet afwijkt, blijven gelden voor de echtgenoten (artikelen 1387, 1388, 1389, 1390 en 1451 van het Burgerlijk Wetboek).

Welnu, krachtens artikel 1405.4 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een van de echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling gemeenschappelijk. Alle goederen worden zodoende als gemeenschappelijk aangemerkt, tenzij het tegendeel bewezen is.

Wanneer de echtgenoten gekozen hebben voor het stelsel van de algehele gemeenschap, kan dergelijk bewijs [alleen] worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. De uitsluiting van een goed uit de gemeenschap komt immers hierop neer dat er gedeeltelijk afstand wordt gedaan van een fundamenteel kenmerk van dat stelsel, waarbij alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten in de gemeenschap worden gebracht (algemeen rechtsbeginsel betreffende de afstand van een recht).

Dat bewijs kan dus bijgevolg niet worden afgeleid uit de enige omstandigheid dat een goed niet voorkomt op de lijst van de goederen die in de algehele gemeenschap zijn ingebracht.

Het arrest, dat beslist dat het pand te R. werd uitgesloten uit de algehele gemeenschap van de echtgenoten, alleen op grond dat het beding van inbreng, dat nochtans betrekking heeft op alle tegenwoordige en toekomstige roerende en onroerende goederen van de echtgenoten, het pand te R. niet vermeldde en dat arti-kel 4 van de overeenkomst verwees naar "de gemeenschap, zoals zij hierboven is omschreven", terwijl het niet vermelden op zich niet noodzakelijkerwijs betekent dat voornoemd pand werd uitgesloten, schendt derhalve alle in het middel bedoelde bepalingen, en inzonderheid de artikelen 1405.4 en 1453 van het Burgerlijk Wetboek, en miskent het algemeen rechtsbeginsel betreffende de afstand van recht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Wanneer, luidens artikel 1453, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, de echtgenoten overeenkomen dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn, dan brengen zij al hun tegenwoordige en toekomstige goederen in het gemeenschappelijk vermogen, met uitzondering van die welke van persoonlijke aard zijn en van de rechten die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn.

Overeenkomstig artikel 1387 van dat wetboek, krachtens hetwelk de echtgenoten hun huwelijksovereenkomsten naar goeddunken regelen, mits zij daarin niets be-dingen dat strijdig is met de openbare orde of de goede zeden, kunnen de echtge-noten, die kiezen voor het stelsel van de algehele gemeenschap, vrijelijk bepaalde goederen uit de gemeenschap uitsluiten, op voorwaarde dat zij de essentiële ken-merken van dat stelsel eerbiedigen.

Een dergelijk beding moet vaststaan, aangezien artikel 1405.4 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een van de echtge-noten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling, gemeenschappelijk zijn.

Het bestreden arrest stelt vast dat "de huwelijksovereenkomst [...] in artikel 1 be-paalt dat de echtgenoten ‘als basis voor hun huwelijk kiezen voor de algehele ge-meenschap, onder de hierna vermelde voorwaarden' en dat ‘de gemeenschap bij-gevolg al hun tegenwoordige en toekomstige roerende en onroerende goederen zal bevatten, met uitzondering van die welke van persoonlijke aard zijn en van de rechten die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn", en dat de overeenkomst "in artikel 2 bepaalt dat [de echtgenoot] verklaart twee woningen in de gemeenschap te willen brengen, één die gelegen is te J. en één te M.", maar dat "nergens wordt verwezen naar het pand te R.".

Het arrest, dat vervolgens erop wijst dat "artikel 4, dat betrekking heeft op de ont-binding van de gemeenschap door overlijden, bepaalt dat ‘de gemeenschap, zoals zij hierboven is omschreven, niet in tweeën gedeeld wordt [...] en in volle eigen-dom zal toekomen aan de langstlevende echtgenoot, met ingang van het overlij-den'", beslist dat "de combinatie van voormeld artikel met artikel 2 van de over-eenkomst, samen met het feit dat [de eiseres] zelf nooit enig onroerend goed in de gemeenschap heeft ingebracht, tot het besluit leiden dat de partijen hebben willen kiezen voor een algehele gemeenschap waarvan de onroerende activa, op het ogenblik dat de akte werd verleden, waren samengesteld uit de goederen die in artikel 2 nauwkeurig zijn omschreven" en waaruit "het [litigieuze] pand te R. bij-gevolg werd uitgesloten".

Het arrest, dat niet gegrond is op de omstandigheid dat het litigieuze goed niet zou zijn vermeld op de lijst van de tegenwoordige goederen die in de gemeenschap zijn ingebracht, maar op de wil van de contracterende partijen om de inhoud van dat contract precies vast te leggen, en dat daaraan toevoegt dat, "aangezien er geen andere uitsluitingen zijn [dan het litigieuze goed], niet kan worden aangenomen dat die uitsluiting de essentiële structurele beginselen van het gekozen stelsel van algehele gemeenschap ondermijnt", schendt geen van de wettelijke bepalingen en miskent evenmin het algemeen rechtsbeginsel die in het middel worden vermeld.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzit-ting van 11 oktober 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Algehele gemeenschap

  • Uitsluitingen