- Arrest van 15 oktober 2012

15/10/2012 - S.10.0190.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap schendt niet de artikel en 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 191 ervan, met artikel 14 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat verdrag, in zoverre het de vreemdeling die ingevolge een machtiging om in het Koninkrijk onbeperkt te verblijven in het vreemdelingenregister is ingeschreven, niet het voordeel toekent van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (1). (1) GwH 11 januari 2012, nr. 3/2012; 9 augustus 2012, n° 108/2012, en 4 oktober 2012 nr. 114/2012.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0190.N

V.C.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, FOD Sociale Zekerheid, vertegenwoordigd door de vice-eerste minister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, met kantoor te 1040 Brussel, Handelsstraat 76-80,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het arbeidshof te Gent van 15 september 2010.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het Grondwettelijk Hof heeft bij zijn arrest nr. 3/2012 van 11 januari 2012 geoordeeld: "Artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoet-komingen aan personen met een handicap schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 191 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre het de vreemdeling die ingevolge een machtiging om in het Koninkrijk onbeperkt te verblijven in het vreemdelin-genregister is ingeschreven, niet het voordeel toekent van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap."

Het Grondwettelijk Hof overwoog hierbij: "B.5. Uit de motivering van het (...) arrest nr. 153/2007 blijkt dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, in sa-menhang gelezen met het koninklijk besluit van 17 juli 2006, geen discriminatie inhoudt, in zoverre het toepassingsgebied van de wet niet werd uitgebreid tot de vreemdelingen die, ingevolge een toelating of machtiging om in het Koninkrijk te verblijven voor een duur van meer dan drie maanden, in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven, aangezien het administratief statuut van die personen aantoont dat zij een band met België hebben die de wetgever als minder sterk kon be-schouwen dan die welke de personen die in het bevolkingsregister zijn ingeschre-ven, vertonen. De gevolgen van dat onderscheid zijn niet onevenredig, nu de vreemdeling aan wie de tegemoetkoming voor gehandicapten wordt geweigerd, in voorkomend geval aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening waarbij met zijn handicap rekening wordt gehouden."

Het Grondwettelijk Hof heeft bij zijn arresten nr. 108/2012 van 9 augustus 2012 en nr. 114/2012 van 4 oktober 2012 deze stelling bevestigd.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

2. In zoverre de eiser het Hof verzoekt een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, dient te worden vastgesteld dat de voorgestelde vraag een identiek onderwerp heeft als de vraag die het Grondwettelijk Hof in zijn voormel-de arresten heeft beantwoord, zodat er geen aanleiding is een nieuwe prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen

Tweede onderdeel

3. Wanneer de appelrechters hebben geweigerd aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de schending, door de wet, van de artikelen 10 en 11 Grondwet, en de eiser in een cassatiemiddel niet alleen de afwijzing van zijn vraag aanvecht, maar tevens de beslissing bekritiseert over het geschil zelf, dat voor hem de grond oplevert tot het opwerpen van een prejudiciële vraag, is het Hof in beginsel ertoe gehouden zelf die vraag aan het Grondwettelijk Hof te stel-len.

4. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat er te dezen geen aanlei-ding is een nieuwe prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Kosten

5. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld in de kosten.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de verweerder in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 241,51 euro en voor de verweerder op 229,88 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 15 oktober 2012 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deco-ninck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

A. Lievens

M. Delange

K. Mestdagh

A. Smetryns

B. Deconinck

Vrije woorden

  • Vreemdeling

  • Tegemoetkomingen

  • Machtiging om in het Koninkrijk onbeperkt te verblijven

  • Vreemdelingenregister

  • Inschrijving