- Arrest van 15 oktober 2012

15/10/2012 - S.11.0052.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het mandaat van een personeelsafgevaardigde geeft aanleiding tot benadeling in de zin van artikel 21, §5, Bedrijfsorganisatiewet en artikel 2, §4, Wet Ontslagregeling personeelsafgevaardigden, wanneer de personeelsafgevaardigde een voordeel wordt ontzegd omdat wegens de uitoefening van dit mandaat niet kan voldoen aan de criteria die voor de toekenning van dat voordeel worden gesteld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0052.N

E.V.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

ALCATEL BELL nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Francis Wellensplein 1, die woonplaats heeft gekozen bij gerechtsdeurwaarder Marc Carsau, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122/9,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 17 november 2010.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift, een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2, § 4, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden;

- de artikelen 21, § 5 en 23, eerste lid, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;

- de artikelen 17 en 18 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972 gesloten in de Nationale Arbeidsraad, houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 12 september 1972;

- de artikelen 6, 1131, 1133 en 1147 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 51 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- artikel 38 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de al-gemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers;

- artikel 19, tweede lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971.

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van de eiser, het hoger beroep van de eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 12 november 2007. Het arbeidshof beslist dat de vordering van de eiser tot het verkrijgen van achterstallig loon en saldi vakantiegeld en eindejaarspremie en de in uiterst ondergeschikte orde gestelde vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding ongegrond zijn. Die beslissing is gesteund op de volgende vaststellingen en mo-tieven:

"2. De beoordeling

De [eiser] vordert achterstallig loon omwille van de inschaling in een verkeerde looncategorie en omwille van het niet ontvangen van de "meriteverhogingen".

[...]

2.2 Geen recht op meriteverhogingen

De [eiser] meent recht te hebben op een loonsverhoging op basis van merites. De [verweerster] stelt dat hij niet voldaan heeft aan één van de basisvoorwaarden, met name dat hij 60 percent effectieve arbeidsprestaties moest leveren voor de [verweerster] en 40 percent van zijn tijd mocht besteden aan de vakbondsactiviteit.

Er wordt niet betwist dat de [eiser] personeelsafgevaardigde was.

Artikel 2, § 4, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandi-daat-personeelsafgevaardigden (hierna wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden) bepaalt dat het mandaat van de personeelsafgevaardigden voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voordelen tot gevolg mag hebben.

Niet behalen van de merites

Er wordt niet betwist dat er maar sprake kan zijn van een loonsverhoging indien er voldoende merites werden behaald.

Evenmin wordt betwist dat de merites pas toegekend worden na een goede evaluatie en na het behalen van een bepaald arbeidsvolume.

Hierbij kan verwezen worden naar een nota van 26 maart 1992 waarin gesteld wordt dat de [verweerster] van de [eiser] verwacht dat hij 60 percent van zijn arbeidstijd besteed [sic] aan werkactiviteiten en derhalve 40 percent kan besteden aan vakbondsactiviteiten (stuk 1, bundel [van de verweerster]). Nochtans geeft de [eiser], die op de hoogte was van deze regeling, toe dat hij slechts 30 percent van zijn arbeidstijd aan zijn werkactiviteiten besteedde.

Hierdoor bouwde de [eiser] niet de nodige ervaring op binnen zijn functie en kon-den de merites niet toegekend worden.

De [eiser] stelt nu dat hij toch steeds een gunstige beoordeling kreeg voor de uit-voering van de arbeidsprestaties. Hierop repliceert de [verweerster] dat het werk dat hij verrichtte goed werd uitgevoerd maar dat zijn prestatievolume dermate be-perkt was en hij hierin nooit vooruitgang heeft geboekt, waardoor een loonsverho-ging op basis van merites niet mogelijk was.

De verwijzing naar de omzendbrief van de personeelsdienst ("Human Resources Management") waaruit blijkt dat de verloning gebeurt door toepassing van een functiewaarderingssysteem waarbij het salaris kan aangepast worden aan de hand van de prestatiebeoordeling, wijzigt deze vaststelling niet.

Hoewel met de [eiser] kan vastgesteld worden dat uit de omzendbrief niet kan afgeleid worden dat de loonsverhoging enkel kan toegekend worden indien de werknemer de volledige arbeidstijd aanwezig is op het werk, kan hieruit evenmin afgeleid worden dat er sprake is van een automatische salarisverhoging aangezien er steeds een beoordeling van de prestaties dient te gebeuren. Het salaris wordt immers aangepast aan het prestatieniveau waarbij het salaris gradueel kan evolueren (stuk 24, punt 7.2.3., bundel [van de eiser]).

Uit de omzendbrief kan dan ook enkel afgeleid worden dat de werkgever een loonsverhoging kan toestaan indien er een gunstige prestatiebeoordeling wordt gegeven en zoals vermeld gebeurde de prestatiebeoordeling niet alleen op basis van de gepresteerde arbeid maar ook op basis van het gepresteerde volume en dat was voor de [eiser] onvoldoende.

Aangezien de [eiser] op de hoogte was van wat van hem verwacht werd en hij deze doelstelling niet haalde en aangezien er geen andere rechtsgrond is om de merites toe te kennen, kan enkel vastgesteld worden dat de [eiser] de merites niet haalde en hij geen recht heeft op een extra loonsverhoging.

Hij stelt dat hij na 2000 zijn activiteiten voor de [verweerster] gevoelig verhoogd heeft en dan nog geen recht had op een merite maar deze bewering wordt door geen enkel stuk aangetoond noch biedt de [eiser] aan om deze stelling te bewijzen waardoor hiermee geen rekening kan gehouden worden. In zijn overzicht van de gepresteerde uren maakt hij trouwens geen onderscheid tussen de periode voor en na 2000 waardoor deze bewering niet aanvaard wordt.

[...]

Akkoord van de [eiser] is niet vereist.

De [eiser] laat gelden dat hij nooit akkoord is gegaan met de 60/40 verdeling en dat het derhalve een eenzijdig opgelegde voorwaarde betreft.

Weliswaar dient een werkgever aan een werknemer de afgesproken lonen te betalen maar niets staat in de weg dat een werkgever een extra salarisverhoging wil toekennen op basis van door de werkgever bepaalde voorwaarden.

In zoverre de voorwaarden niet onredelijk zijn, mag een werkgever dan ook eenzijdig richtlijnen opleggen ten aanzien van het te presteren werkvolume voor het behalen van merites die aanleiding kunnen geven tot een loonsverhoging.

Een akkoord van de werknemer is hierbij niet vereist.

[...]

Geen onrechtmatige inmenging in vakbondsactiviteiten.

De [eiser] stelt dat deze eenzijdig opgelegde voorwaarden onverenigbaar zijn met het uitoefenen van de vakbondsactiviteiten en dat er hierdoor een ongerechtvaardigde inmenging zou zijn van de wijze waarop de syndicale opdrachten worden uitgeoefend maar deze stelling wordt niet bewezen.

Wel integendeel. De [eiser] geeft in zijn conclusies zelf aan dat hij zo'n 70 percent van zijn beschikbare tijd besteedde aan vakbondsactiviteiten waarbij hij enkel door thuiswerk zijn opdracht kon vervolledigen.

Hieruit blijkt dat de [verweerster] nooit verboden heeft dat de [eiser] vakbondsactiviteiten heeft verricht en dat er derhalve geen sprake kan zijn van enige ongerechtvaardigde inmenging. Nergens blijkt dat de [verweerster] ooit belet zou hebben dat de [eiser] zijn functie als personeelsafgevaardigde heeft kunnen uitoefenen waardoor artikel 2, § 4 wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden niet geschonden wordt.

Redelijke instructies van de werkgever.

Wel kan vastgesteld worden dat hij door het niet volgen van de instructies van de [verweerster], de merites is misgelopen. Om deze te ontvangen moest hij immers goed presteren en een arbeidsvolume van 60 percent effectieve werktijd halen en het wordt niet betwist dat hij dit nooit gehaald heeft.

Hoger werd aanvaard dat de werkgever eenzijdig bepaalde richtlijnen kan opleggen op basis waarvan een extra loonsverhoging kan toegekend worden.

Deze richtlijnen zijn naar het oordeel van het arbeidshof niet onredelijk. Opdat een werknemer recht heeft op een loonsverhoging, mag verwacht worden dat hij een voldoende deel van zijn arbeidstijd besteed [sic] aan zijn activiteiten voor de [verweerster] aangezien hij enkel op die wijze de nodige ervaring kan opdoen en een meerwaarde kan leveren die een loonsverhoging verantwoorden.

Deze richtlijnen blijken bovendien gebaseerd te zijn op de ervaring van de [ver-weerster] bij het uitoefenen van de activiteiten van andere personeelsafgevaardigden. Van deze bewering wordt weliswaar geen bewijs voorgelegd maar de [eiser], die zijn vordering moet bewezen, levert geen enkel bewijs dat deze verdeling niet zou gelden voor de andere personeelsafge-vaardigden.

Weliswaar maakt hij aannemelijk dat hij veel tijd aan vakbondsactiviteiten heeft besteed en dat de verplaatsingen naar Antwerpen voor de voorbereiding en het bijwonen van de ondernemingsraad veel tijd in beslag namen, maar dit betekent niet dat de 60/40 verdeling onredelijk zou zijn. Te meer daar hij zelf stelt dat weliswaar veel van de werknemersafgevaardigden in Antwerpen tewerkgesteld waren en dus minder tijd aan de verplaatsingen moesten besteden, maar hieruit kan meteen afgeleid worden dat andere werknemersafgevaardigden die niet in Antwerpen werkten dezelfde verplaatsingen moesten maken en er blijkbaar wel in slaagden hun merites te halen. Het tegendeel wordt alvast niet aangetoond en hij biedt niet aan om te bewijzen dat er voor de andere personeelsafgevaardigden andere regels zouden bepaald zijn.

Hoewel de [verweerster] de opportuniteit van de verplaatsingen buiten de zetel te Geel in het kader van de vakbondsactiviteiten niet mag beoordelen en er derhalve niet moet ingegaan worden op de discussie of deze verplaatsingen zoals het beluisteren van de opnamen die gemaakt werden op de ondernemingsraad overbodig zijn, betekent dit niet dat de [verweerster] geen redelijke richtlijnen mag uitvaardigen op basis waarvan werknemers recht hebben op een bijkomende loonsverhoging.

Het is immers niet omdat de [eiser] bijzonder veel tijd besteedde aan zijn vakbondsactiviteiten, mogelijk omdat de voorbereiding van de vergaderingen al dan niet op het secretariaat te Antwerpen moest gebeuren en documenten het secretariaat niet mochten verlaten, dat de richtlijn van de [verweerster], met name de 60/40 verdeling hierdoor onredelijk zou zijn. Te meer daar dit voor de andere personeelsafgevaardigden blijkbaar geen problemen stelde.

De [eiser] was enige afgevaardigde.

De [eiser] stelt verder dat hij meer tijd moest steken in zijn vakbondsactiviteiten omdat hij de enige personeelsafgevaardigde was van zijn vakbond voor de ondernemingsraad. Bovendien zou hij ook meer tijd aan andere vakbondsactiviteiten hebben besteed omdat het ACLVB geen syndicale delegatie, geen hoofdafgevaardigden noch syndicale woordvoerders had in de vestiging te Geel welke volledig zijn vrijgesteld van arbeidsprestaties en zou hij in vele andere comités hebben moeten zetelen. Dat hij 70 percent van zijn tijd besteedde aan vakbondsactiviteiten en dat dit eigenlijk meer dan een normale dagtaak was, kan dan ook aanvaard worden.

Uit voormelde verklaring leidt het arbeidshof af dat de [eiser] bewust heeft gekozen voor een ruime invulling van zijn vakbondsactiviteiten en bovendien kan hieruit afgeleid worden dat hij erkent dat het feit dat hij veel tijd in vakbondsactiviteiten moest steken het gevolg was van de vaststelling dat de andere vakbonden meer personeelsafgevaardigden hadden en dat hij dit werk alleen moest verrichten en van het feit dat hij zijn taak ruim invulde.

Aangezien het aantal personeelsafgevaardigden evenwel het gevolg is van een groter aantal verkozen mandaten die ook meer personeel dienden te vertegenwoordigen, betekent dit niet dat de door de [verweerster] opgelegde 60/40 verdeling onredelijk zou zijn wanneer een personeelsafgevaardigde dit werk alleen moest doen omdat er slechts één verkozen mandaat in de wacht werd gesleept.

De verklaring van de heer De Schutter die blijkbaar de voorganger was van de [eiser] maar die in 1982 het bedrijf zou verlaten hebben, bevestigt dat een personeelsafgevaardigde van het ACLVB veel werk had maar nu aanvaard wordt dat de [eiser] veel tijd besteedde aan zijn vakbondswerk, brengt deze verklaring niets nieuws.

[...]

Beoordeling van merites.

De [eiser] verwijst verder naar de beoordeling voor het behalen van de merites door de [verweerster] en stelt dat er enkel zou rekening mogen gehouden worden met de effectief gepresteerde arbeidstijd voor de [verweerster]. Hoger werd aan-vaard dat uit de regeling betreffende de merites kan afgeleid worden dat de [verweerster] deze beoordeling liet afhangen van de effectief gepresteerde arbeid maar dat tevens aanvaard kan worden dat een bepaald percentage aan arbeidsvolume werd bepaald.

Wanneer de [verweerster] bij de beoordeling verwijst naar het feit dat de [eiser] veel tijd besteedde aan vakbondsactiviteiten, wordt enkel vastgesteld dat hij niet in aanmerking kwam voor een loonsverhoging omdat hij onvoldoende arbeidsvolume had gepresteerd. Dit betekent niet dat hij een mindere beoordeling kreeg omwille van het uitgevoerde werk maar wel omwille van zijn lager arbeidsvolume terwijl werd vastgesteld dat het opleggen van een bepaald arbeidsvolume door de werkgever mogelijk is en in dit geval een redelijke verdeling werd vastgesteld.

Geen discriminatie.

Nu aanvaard werd dat de [eiser] veel tijd heeft besteed aan het vakbondswerk en hierbij door de [verweerster] nooit belet werd om veel tijd in zijn vakbondsactivi-teiten te steken, heeft dit tot gevolg dat hij niet het gevraagde arbeidsvolume presteerde waardoor hij geen recht heeft op de merites.

Er anders over oordelen zou betekenen dat een personeelsafgevaardigde van een andere vakbond, die beschikt over meer personeelsafgevaardigden en medewer-kers, enkel recht had op merites als hij de 60/40 verdeling nakwam terwijl een personeelsafgevaardigde van een kleinere vakbond voor het behalen van dezelfde merites minder effectieve arbeid moest presteren. Te meer daar het aantal medewerkers wordt bepaald op basis van de stemmen van de werknemers bij de sociale verkiezingen en een groter aantal medewerkers verantwoord is door het feit dat een vakbond met meer verkozen mandaten, ook meer syndicaal werk zal hebben.

De stelling van de [eiser] als zou hij de enige vertegenwoordiger geweest zijn voor 3567 bedienden kan niet aanvaard worden.

Ook ten aanzien van andere werknemers zou het trouwens een discriminatie uitmaken indien een werknemer die vakbondsactiviteiten uitvoert minder arbeid moet presteren dan door de werkgever bepaald en toch recht heeft op merites en dus op een extra loonsverhoging terwijl een gewone werknemer wel de richtlijnen van de werkgever moet volgen om recht te hebben op deze merites.

Aangezien het mandaat van de personeelsafgevaardigden voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voordelen mag opleveren zou het strijdig zijn met artikel 2, § 4 wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden om toch merites toe te kennen hoewel de werknemer de voorwaarden om een extra loonsverhoging te krijgen niet is nagekomen. Zeker wanneer de voorwaarden om de merites te bekomen niet ken-nelijk onredelijk zijn.

De vordering is ongegrond. De debatten moeten dan ook niet heropend worden voor een berekening te maken van het baremastelsel en evenmin is er recht op enige schadevergoeding bij gebrek aan het bewijs van enige fout door de [verweerster]."

(blz. 5 t.e.m. blz. 11, van het bestreden arrest)

Grieven

Uit de vaststellingen van het arbeidshof in het bestreden arrest en uit de stukken van de rechtspleging waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser tegen de verweerster voor de arbeidsrechtbank en in graad van beroep voor het arbeidshof een vordering stelde tot het verkrijgen van achterstallig loon wegens (o.m.) het niet ontvangen van "meriteverhogingen", het verkrijgen van "saldo vakantiegeld" en "saldo eindejaarspremie" en, in uiterst ondergeschikte orde, tot het verkrijgen van een schadevergoeding gelijk aan tweemaal het achterstallig loon (zie o.m. blz. 2, midden, blz. 3, punt III en blz. 4, laatste alinea, van het bestreden arrest).

Krachtens artikel 16, eerste lid, b), van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, hieronder afgekort als Wet Organisatie Bedrijfs-leven, bestaan de ondernemingsraden onder meer uit een zeker aantal effectieve en plaatsvervangende afgevaardigden van het personeel. Uit de vaststellingen van het arbeidshof in het bestreden arrest blijkt dat de eiser personeelsafgevaardigde was in de ondernemingsraad van de verweerster (zie o.m. blz. 4, punt V.1., tweede ali-nea, en blz. 6, punt 2.2, tweede alinea, van het bestreden arrest).

1. Eerste onderdeel

1.1.1. Artikel 21, § 5, van de Wet Organisatie Bedrijfsleven bepaalt dat het mandaat van de personeelsafgevaardigden of de hoedanigheid van kandidaat geen aanleiding mogen geven tot benadeling, noch tot bijzondere voordelen. Krachtens diezelfde bepaling genieten de personeelsafgevaardigden en de kandidaten de normale promoties en voordelen van de werknemerscategorie waartoe ze behoren.

Artikel 2, § 4, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandi-daat-personeelsafgevaardigden, hieronder afgekort als Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, bepaalt dat het mandaat van de personeelsafgevaardigden of de hoedanigheid van kandidaat-personeelsafgevaardigde voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voor-delen tot gevolg mag hebben.

Volgens artikel 17 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972 gesloten in de Nationale Arbeidsraad, houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 12 september 1972, moeten, met inachtneming van de organisatorische noodwendigheden van de diensten, aan de leden die de werknemers in de ondernemingsraden vertegenwoordigen, de nodige tijd en faciliteiten worden verleend om hun taken in de beste voorwaarden te vervullen.

Krachtens de voornoemde bepalingen mag het mandaat van personeelsafgevaar-digde in de ondernemingsraad en, meer in het bijzonder, de door de werkgever na te leven verplichting tot het verlenen van de nodige tijd en faciliteiten aan de werknemersvertegenwoordiger om dat mandaat in de beste voorwaarden te vervullen, voor die personeelsafgevaardigde geen nadeel tot gevolg hebben.

Uw Hof kan nagaan of de feitenrechter uit de door hem gedane vaststellingen en gemaakte overwegingen wettig kon afleiden dat het mandaat van personeelsafge-vaardigde voor de betrokkene al dan niet een nadeel tot gevolg heeft in de zin van de voornoemde artikelen 21, § 5, van de Wet Organisatie Bedrijfsleven en 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden.

1.1.2.1. Krachtens de in artikel 51 van de Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, hieronder afgekort als de CAO-Wet, bepaalde hiërarchie van de bronnen der verbintenissen in de arbeidsbetrekkingen tussen werkgevers en werknemers hebben de dwingende bepalingen van de wet (art. 51.1. C.A.O-Wet), waarin zijn begrepen zowel de bepalingen die de openbare orde raken als welke die van dwingend recht zijn, voorrang boven alle andere in dat artikel bepaalde rechtsbronnen.

Krachtens artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek kan door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen. Krachtens de artikelen 1131 en 1133 van datzelfde wetboek kunnen verbintenissen geen gevolg hebben wanneer hun oorzaak door de wet is verboden of strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde.

Een wettelijke bepaling is van openbare orde als zij de essentiële belangen van de staat of van de gemeenschap raakt of als zij in het privaatrecht, de juridische grondslagen bepaalt waarop de economische of morele orde van de maatschappij rust. Een wettelijke bepaling is dus van openbare orde als zij de bescherming van het algemeen belang beoogt. Een wettelijke bepaling is van dwingend recht als zij de bescherming van (louter) private (particuliere) belangen nastreeft.

Wettelijke bepalingen die de collectieve overlegorganen en collectieve arbeidsbetrekkingen betreffen, en meer in het bijzonder bescherming verlenen aan personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden, bepalen de juridische grondslagen waarop de sociale rechtsordening van de maatschappij rust en raken dus de openbare orde. Minstens zijn zij van dwingend recht in het voordeel van de personeelsafgevaardigde, aangezien zij in elk geval de bescherming van de belangen van de werknemer-personeelsafgevaardigde als particulier persoon beogen.

1.1.2.2. De voornoemde artikelen 21, § 5, van de Wet Organisatie Bedrijfsleven en 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden raken, als wettelijke bepalingen die bescherming verlenen aan personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden, de openbare orde, minstens zijn zij van dwingend recht in het voordeel van de werknemer-personeelsafgevaardigde. Die bepalingen maken aldus "dwingende wetsbepalingen" uit in de zin van artikel 51.1. van de CAO-Wet.

Een eenzijdig door de werkgever voor de toekenning van een bijkomende loonsver-hoging opgelegde voorwaarde die strijdig is met de voornoemde dwingende artikelen 21, § 5, van de Wet Organisatie Bedrijfsleven en 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden omdat zij maakt dat het mandaat van personeelsafgevaardigde voor de betrokkene een nadeel tot gevolg heeft, is dan ook onwettig en nietig, zodat de feitenrechter niet wettig met toepassing van die onwettige en nietige voorwaarde kan beslissen dat de werknemer-personeelsafgevaardigde geen recht heeft op de loonsverhoging.

1.2.1. Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest vast dat:

- de verweerster als voorwaarde voor toekenning van de "meriteverhogingen" op-legde dat de eiser een bepaald arbeidsvolume diende te presteren en, meer in het bijzonder, ten minste 60 percent van zijn tijd diende te besteden aan werkactiviteiten (en slechts 40 percent van zijn tijd aan vakbondsactiviteiten) (blz. 4, punt V.1., derde alinea, blz. 6, voorlaatste alinea, t.e.m. blz. 7, bovenaan, blz. 7, vijfde volledige alinea, blz. 9, eerste volledige alinea, blz. 10, laatste alinea, en blz. 11, tweede alinea, tweede zinsdeel, van het bestreden arrest);

- kan aanvaard worden dat de eiser veel tijd, meer in het bijzonder zo'n 70 percent van zijn beschikbare tijd, besteedde aan vakbondsactiviteiten en dat dat eigenlijk meer dan een normale dagtaak was (blz. 4, punt V.1., tweede en vierde alinea, blz. 9, derde laatste alinea, eerste zin, eerste zinsdeel, en blz. 10, eerste volledige alinea, derde zin en vierde volledige alinea en blz. 11, tweede alinea, eerste zinsdeel, van het bestreden arrest);

- de verweerster die vakbondsactiviteiten tijdens de normale arbeidsuren en de daaraan bestede tijd nooit verboden of belet heeft (blz. 8, onderaan, blz. 9, bo-venaan en blz. 11, tweede alinea, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof overweegt:

- op de zevende bladzijde van het bestreden arrest dat enkel kan vastgesteld wor-den dat de eiser de "merites" niet haalde en geen recht heeft op een extra loonsverhoging, aangezien hij op de hoogte was van wat van hem verwacht werd en hij deze doelstelling niet haalde en aangezien er geen andere rechtsgrond is om de "merites" toe te kennen (blz. 7, derde laatste alinea, van het bestreden arrest),

- op de negende bladzijde van het bestreden arrest dat de eiser door het niet vol-gen van de instructies van de verweerster, de "merites" is misgelopen en overweegt dat "hij immers om deze te ontvangen goed moest presteren en een arbeidsvolume van 60 percent effectieve werktijd halen en het niet wordt betwist dat hij dit nooit gehaald heeft" (blz. 9, tweede alinea, van het bestreden arrest),

- op de elfde bladzijde van het bestreden arrest dat "nu aanvaard werd dat de [eiser] veel tijd heeft besteed aan het vakbondswerk en hierbij door de [verweerster] nooit belet werd om veel tijd in zijn vakbondsactiviteiten te steken, dit tot gevolg heeft dat hij niet het gevraagde arbeidsvolume presteerde waardoor hij geen recht heeft op de merites" (blz. 11, tweede alinea, van het bestreden arrest).

Uit die vaststellingen en overwegingen van het arbeidshof blijkt dat het arbeidshof aan de eiser de bijkomende "meriteverhogingen" ontzegt om reden dat (1) de verweerster als voorwaarde voor toekenning van die "meriteverhogingen" oplegde dat de eiser een bepaald arbeidsvolume diende te presteren en, meer in het bijzonder, ten minste 60 percent van zijn tijd diende te besteden aan werkactiviteiten (en slechts 40 percent van zijn tijd aan vakbondsactiviteiten) en (2) de eiser veel tijd, meer in het bijzonder zo'n 70 percent van zijn beschikbare tijd, besteedde aan vakbondsactiviteiten en hij nooit het door de verweerster als voorwaarde voor toekenning van de "meriteverhogingen" opgelegde arbeidsvolume van 60 percent effectieve werktijd gehaald heeft.

Uit die vaststellingen en overwegingen van het arbeidshof blijkt dan ook dat de door de verweerster voor toekenning van de "meriteverhogingen" opgelegde voorwaarde m.b.t. de omvang van de werkactiviteiten en van de vakbondsactiviteiten het voor de eiser wegens (de uitoefening van) zijn mandaat van personeelsafgevaardigde onmogelijk maakte die "meriteverhogingen" te verkrijgen en het mandaat van personeelsafgevaardigde derhalve voor de eiser een nadeel, met name het niet kunnen verkrijgen van de "meriteverhogingen", tot gevolg had in de zin van de artikelen 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden en 21, § 5, van de Wet Organisatie Bedrijfsleven. Die voorwaarde is bijgevolg strijdig met de voornoemde dwingende wetsbepalingen en dus onwettig.

1.2.2. Het arbeidshof overweegt onder het kopje "Akkoord van de [eiser] is niet vereist" op de zevende en de achtste bladzijde van het bestreden arrest en elders in essentie dat een werkgever, in zoverre de voorwaarden niet onredelijk zijn, eenzij-dig richtlijnen mag opleggen ten aanzien van het te presteren werkvolume voor het behalen van "merites" die aanleiding kunnen geven tot een loonsverhoging (blz. 8, eerste t.e.m. derde alinea, blz. 9, tweede volledige alinea en blz. 11, eerste alinea, tweede zin, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof overweegt onder het kopje "Geen onrechtmatige inmenging in vakbondsactiviteiten" dat de verweerster nooit verboden heeft dat de eiser vakbondsactiviteiten heeft verricht en nooit belet heeft dat de eiser zijn functie als personeelsafgevaardigde heeft kunnen uitoefenen, zodat geen sprake kan zijn van enige ongerechtvaardigde inmenging in de wijze waarop de "syndicale opdrachten" worden uitgeoefend en artikel 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden niet geschonden wordt (blz. 8, derde laatste alinea t.e.m. blz. 9, bovenaan, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof overweegt onder het kopje "Redelijke instructies van de werkgever" en elders in het arrest dat de door de verweerster voor toekenning van de "meriteverhogingen" opgelegde voorwaarde m.b.t. de omvang van de werkactiviteiten en van de vakbondsactiviteiten niet onredelijk is (blz. 9, eerste volledige alinea t.e.m. blz. 10, bovenaan, blz. 10, derde volledige alinea, blz. 11, eerste alinea, tweede zin, laatste zinsdeel en blz. 11, voorlaatste alinea, tweede zin, van het bestreden arrest) en voor de andere personeelsafgevaardigden blijkbaar geen problemen stelde (blz. 9, derde laatste alinea, tweede zin, tweede zinsdeel en blz. 9, onderaan t.e.m. blz. 10, bovenaan, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof overweegt onder het kopje "De [eiser] was enige afgevaardigde" dat:

- kan aanvaard worden dat de eiser 70 percent van zijn tijd besteedde aan vakbondsactiviteiten en dat dit eigenlijk meer dan een normale dagtaak was;

- uit de verklaring van de eiser kan afgeleid worden dat hij bewust heeft gekozen voor een ruime invulling van zijn vakbondsactiviteiten en dat hij erkent dat het feit dat hij veel tijd in vakbondsactiviteiten moest steken het gevolg was van de vaststelling dat de andere vakbonden meer personeelsafgevaardigden hadden en dat hij dit werk alleen moest verrichten en van het feit dat hij zijn taak ruim invulde;

- "aangezien het aantal personeelsafgevaardigden [...] het gevolg is van een groter aantal verkozen mandaten die ook meer personeel dienden te vertegenwoordigen, dit niet betekent dat de door de [verweerster] opgelegde 60/40 verdeling onredelijk zou zijn wanneer een personeelsafgevaardigde dit werk alleen moest doen omdat er slechts één verkozen mandaat in de wacht werd gesleept";

- de verklaring van de heer De Schutter bevestigt dat een personeelsafgevaardig-de van de ACLVB veel werk had.

(blz. 10, eerste volledige alinea t.e.m. voorlaatste alinea, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof overweegt onder het kopje "Geen discriminatie" in essentie dat oordelen dat de eiser ondanks het niet presteren van het gevraagde arbeidsvolume, toch recht zou hebben op de merites, een ongelijke behandeling zou inhouden t.a.v. een personeelsafgevaardigde van een andere vakbond, die beschikt over meer per-soneelsafgevaardigden en medewerkers, en trouwens ook ten aanzien van andere werknemers een discriminatie zou uitmaken aangezien het strijdig zou zijn met artikel 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, volgens welk het mandaat van de personeelsafgevaardigden voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voordelen mag opleveren (blz. 11, tweede alinea t.e.m. voorlaatste alinea, in het bestreden arrest).

Geen van de hierboven samengevatte overwegingen en vaststellingen onder de kopjes "Akkoord van de [eiser] is niet vereist", "Geen onrechtmatige inmenging in vakbondsactiviteiten", "Redelijke instructies van de werkgever", "De [eiser] was de enige afgevaardigde" en "Geen discriminatie" verhindert dat, volgens de onder 1.2.1. aangegeven vaststellingen van het arbeidshof, de door de verweerster voor toekenning van de "meriteverhogingen" opgelegde voorwaarde m.b.t. de omvang van de werkactiviteiten en van de vakbondsactiviteiten het voor de eiser wegens de uitoefening van zijn mandaat van personeelsafgevaardigde onmogelijk maakte die "meriteverhogingen" te verkrijgen en het mandaat van personeelsafgevaardigde dan ook voor de eiser een nadeel, met name het niet kunnen verkrijgen van de "meriteverhogingen", tot gevolg had, wat strijdig is met de artikelen 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden en 21, § 5, van de Wet Organisatie Bedrijfsleven. Op grond van de hierboven onder dit punt weergegeven vaststellingen en overwegingen kan het arbeidshof dan ook niet wettig oordelen dat artikel 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden niet wordt geschonden (en aldus dat het mandaat van personeelsafgevaardigde voor de eiser geen nadeel tot gevolg had).

1.3. Aangezien de voorwaarde die de verweerster voor het verkrijgen van de "meriteverhogingen" oplegde, onwettig is,

(1) schendt het arbeidshof, door te oordelen dat "nergens blijkt dat de [verweerster] ooit belet zou hebben dat de [eiser] zijn functie als personeelsafgevaardigde heeft kunnen uitoefenen waardoor artikel 2, § 4 wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden niet geschonden wordt" (blz. 9, bovenaan, van het bestreden arrest) en dat "het strijdig zou zijn met artikel 2, § 4 wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden om toch merites toe te kennen hoewel de werknemer de voorwaarden om een extra loonsverhoging te krijgen niet is nagekomen, aangezien het mandaat van de personeelsafgevaardigden voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voordelen mag opleveren" (blz. 11, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest), de artikelen 21, § 5, van de Wet Organisatie Bedrijfsleven en 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, volgens welke het mandaat van personeelsafgevaardigde voor de betrokkene geen nadeel tot gevolg mag hebben;

(2) schendt het arbeidshof, door met toepassing van die voorwaarde die de verweerster voor toekenning van de "meriteverhogingen" oplegde en die door de eiser wegens zijn mandaat van personeelsafgevaardigde niet werd vervuld, te beslissen dat de eiser geen recht heeft op "meriteverhogingen", eveneens de artikelen 21, § 5, van de Wet Organisatie Bedrijfsleven en 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden volgens welke het mandaat van personeelsafgevaardigde voor de betrokkene geen nadeel tot gevolg mag hebben, evenals de artikelen 51 van de CAO-Wet en 6 van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt dat dwingende wetsbepalingen voorrang hebben boven alle andere nationale rechtsbronnen.

Aangezien het arbeidshof door de afwijzing van de hoofdvordering niet wettig be-slist dat de verweerster niet gehouden is tot de toekenning van de "meriteverhogingen" waartoe zij zich heeft verbonden, wijst het niet wettig de in uiterst ondergeschikte orde gestelde vordering van de eiser af tot het verkrijgen van schadevergoeding van de werkgever met wie hij door een arbeidsovereenkomst was verbonden (schending van artikel 1147 van het Burgerlijk Wetboek).

Conclusie

Het arbeidshof beslist niet wettig dat artikel 2, § 4, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden niet wordt geschonden (schending van de artikelen 2, § 4, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, en 21, § 5, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven). Het arbeidshof beslist evenmin wettig dat de eiser geen recht heeft op "meriteverhogingen" en "saldo eindejaarspremie" (schending van de artikelen 2, § 4, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, 21, § 5, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek, 51 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, en 17 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972 gesloten in de Nationale Arbeidsraad, houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 12 september 1972). Het arbeidshof beslist dan ook evenmin wettig dat de vordering van de eiser tot het verkrijgen van "saldo vakantiegeld" ongegrond is (schending van artikel 38 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de al-gemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers) en dat de eiser geen recht heeft op enige schadevergoeding (schending van artikel 1147 Burgerlijk Wetboek).

2. Tweede onderdeel (voor zover het eerste onderdeel niet zou worden aangeno-men)

2.1. Krachtens artikel 17 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972 gesloten in de Nationale Arbeidsraad, houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 12 september 1972, hieronder afgekort als de CAO nr. 9, moet(en), met inachtneming van de organisatorische noodwendigheden van de diensten, aan de leden die de werknemers in de ondernemingsraden vertegenwoordigen, de nodige tijd en faciliteiten worden verleend om hun taken in de beste voorwaarden te vervullen.

Krachtens artikel 18 van de CAO nr. 9 moet(en) aan deze leden onder meer de no-dige tijd en faciliteiten worden verleend om zonder loonderving deel te nemen aan cursussen of seminaries georganiseerd door de ondertekenende vakverbonden of door hun beroepscentrales op tijdstippen die samenvallen met de normale arbeidsuren en gericht op de vervolmaking van hun economische, sociale en technische kennis in hun rol van werknemersvertegenwoordiger.

Artikel 19, tweede lid, Arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt dat onder arbeidsduur wordt verstaan de tijd gedurende welke het personeel ter beschikking is van de werkgever.

Artikel 23, eerste lid, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, hieronder afgekort als de Wet Organisatie Bedrijfsleven, bepaalt dat de vergaderingen van de Ondernemingsraad, zelfs buiten de werkuren, als werkelijke arbeidstijd worden beschouwd en als dusdanig bezoldigd.

Uit de samenlezing van de voornoemde bepalingen volgt dat de tijd die een personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad met goedkeuring van de werkgever tijdens de normale arbeidsuren aan vakbondsactiviteiten besteedt, waaronder het bijwonen van de vergaderingen van die ondernemingsraad, als werkelijke arbeidstijd moet worden beschouwd. De tijd die de personeelsafgevaardigde wijdt aan zijn taken als personeelsafgevaardigde, waaronder het bijwonen van de vergaderingen van de ondernemingsraad, betreft immers geen tijd waarover hij vrij kan beschikken.

2.2. Uit de vaststellingen en overwegingen van het arbeidshof die hierboven worden weergegeven in de eerste en tweede alinea van punt 1.2.1. van het eerste onderdeel van het middel, die hier als integraal hernomen worden beschouwd, blijkt dat het arbeidshof aan de eiser de bijkomende "meriteverhogingen" ontzegt om reden dat (1) de verweerster als voorwaarde voor toekenning van die "meriteverhogingen" oplegde dat de eiser een bepaald arbeidsvolume diende te presteren en, meer in het bijzonder, ten minste 60 percent van zijn tijd diende te besteden aan werkactiviteiten en (2) de eiser veel tijd, meer in het bijzonder zo'n 70 percent van zijn beschikbare tijd, besteedde aan vakbondsactiviteiten en hij nooit het door de verweerster als voorwaarde voor toekenning van de "meriteverhogingen" opgelegde arbeidsvolume van 60 percent effectieve werktijd gehaald heeft.

Uit de hierboven onder 1.2.1. vermelde vaststellingen van het arbeidshof blijkt dat de verweerster de vakbondsactiviteiten van de eiser tijdens de normale arbeidsuren en de daaraan bestede tijd nooit heeft verboden of belet.

Uit de in dit punt 2.2. vermelde vaststellingen en overwegingen blijkt dat het arbeidshof niettemin de tijd die de eiser besteedde aan vakbondsactiviteiten niet als effectieve werktijd beschouwt.

Door de door de eiser verrichte en door de verweerster aanvaarde vakbondsactiviteiten tijdens de normale arbeidsuren, waaronder, volgens de vaststellingen van het arbeidshof, onder meer het bijwonen van de vergaderingen van de ondernemingsraad (zie blz. 9, derde laatste alinea, eerste zin, eerste zinsdeel, van het bestreden arrest), niet gelijk te stellen met werkactiviteiten en aldus de tijd die de eiser besteedde aan het verrichten van die vakbondsactiviteiten, niet te beschouwen als werkelijke arbeidstijd (effectieve werktijd), en te oordelen dat de eiser bijgevolg geen recht heeft op "meriteverhogingen" om reden dat hij veel tijd, meer bepaald zo'n 70 percent van zijn beschikbare tijd, heeft besteed aan vakbondsactiviteiten en hij aldus het door de verweerster opgelegde arbeidsvolume van 60 percent effectieve werktijd nooit heeft gehaald, schendt het arbeidshof de artikelen 17 en 18 van de CAO nr. 9, 19, tweede lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971 en 23, eerste lid, van de Wet Organisatie Bedrijfsleven, aangezien uit de samenlezing van die bepalingen volgt dat de tijd die een personeelsafgevaardigde (de eiser) besteedt aan vakbondsactiviteiten, waaronder het bijwonen van vergaderingen van de ondernemingsraad, als werkelijke arbeidstijd moet worden beschouwd.

Conclusie

Het arbeidshof wijst de vordering van de eiser tot het verkrijgen van "meriteverhogingen" niet wettig af (schending van de artikelen 23, eerste lid, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, 17 en 18 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972 gesloten in de Nationale Arbeidsraad, houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 12 september 1972, en 19, tweede lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971). Het arbeidshof beslist dan ook evenmin wettig dat de vordering van de eiser tot het verkrijgen van "saldo vakantiegeld" ongegrond is (schending van artikel 38 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers) en dat de eiser geen recht heeft op enige schadevergoeding (schending van artikel 1147 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 21, § 5, Bedrijfsorganisatiewet bepaalt: "Het mandaat van de perso-neelsafgevaardigden of de hoedanigheid van kandidaat mogen geen aanleiding geven tot benadeling, noch tot bijzondere voordelen. De personeelsafgevaardigden en de kandidaten genieten de normale promoties en voordelen van de werk-nemerscategorie waartoe ze behoren."

Artikel 2, § 4, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalt: "Het man-daat van de personeelsafgevaardigden, of de hoedanigheid van kandidaat-personeelsafgevaardigde mag voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voordelen tot gevolg hebben.".

2. Voormelde bepalingen strekken ertoe de betrokken werknemer te bescher-men en de goede werking van de overlegorganen te vrijwaren.

3. Het mandaat van personeelsafgevaardigde geeft aanleiding tot benadeling in de zin van zelfde bepalingen wanneer de personeelsafgevaardigde een voordeel wordt ontzegd omdat hij wegens de uitoefening van dit mandaat niet kan voldoen aan de criteria die voor de toekenning van dat voordeel worden gesteld.

4. De appelrechters stellen vast dat:

- de eiser lid was van de ondernemingsraad;

- hij 70 pct. van zijn arbeidstijd aan deze vakbondsactiviteiten besteedde, wat gezien de omstandigheden aanvaard kan worden;

- de verweerster slechts meriteverhogingen betaalde aan de personeelsafgevaar-digden op voorwaarde dat zij ten minste 60 pct. van hun arbeidstijd aan ar-beidsprestaties en niet meer dan 40 pct. aan vakbondsactiviteiten besteedden;

- de verweerster de verhogingen aan de eiser weigerde omdat hij aan deze voor-waarde niet voldeed.

Uit deze vaststellingen volgt dat de eiser de gestelde voorwaarde niet kon naleven wegens de uitoefening van zijn mandaat.

5. De appelrechters die ondanks deze vaststellingen de meriteverhogingen aan de eiser ontzeggen op grond dat de door de werkgever gestelde voorwaarde rede-lijk was, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

6. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de aanspraak van de eiser op meriteverhogingen en over de kosten.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 15 oktober 2012 uitgesproken door raadsheer Beatrijs

Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bij-stand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Personeelsafgevaardigde

  • Uitoefening van het mandaat

  • Gevolg

  • Toekenning van voordelen

  • Meriteverhogingen

  • Criteria