- Arrest van 15 oktober 2012

15/10/2012 - S.11.0061.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De inkomsten die voortvloeien uit een vertolkende artistieke activiteit als loontrekkende die heeft geleid tot het verlies van uitkeringen in de periode waarin de activiteit werd uitgeoefend, niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 130, §2, eerste lid, Werkloosheidsbesluit.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0061.N

C.B.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerder woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 17 februari 2011.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 27, 10°, Werkloosheidsbesluit wordt voor de toepassing van de werkloosheidsreglementering onder artistieke activiteit verstaan: de creatie en vertolking van artistieke werken, inzonderheid op het vlak van de audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakelbedrijf, het decoront-werp en de choreografie.

Artikel 74bis Werkloosheidsbesluit voorziet in bijzondere regels die gelden ingeval van uitoefening van een artistieke activiteit in de zin van artikel 27, 10°, die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer, en het ontvangen van een inkomen in de zin van artikel 130, uit de uitoefening van een artistieke activiteit, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen een "scheppende" en een "vertolkende" activiteit.

2. Krachtens artikel 74bis, § 3, Werkloosheidsbesluit is artikel 130, § 1 en § 2, toepasselijk op het inkomen dat voortvloeit uit de artistieke vertolkende activiteit, moet deze activiteit vermeld worden op de controlekaart en leidt zij tot het verlies van een uitkering voor de dagen van activiteit.

Uit die bepaling volgt dat de werkloze geen recht heeft op werkloosheidsuitkerin-gen in de periode waarin hij een vertolkende artistieke activiteit uitoefent.

3. Krachtens artikel 130, § 1, 6°, Werkloosheidsbesluit valt de werkloze die in de loop van het kalenderjaar inkomsten ontvangt voortvloeiend uit de uitoefening van een scheppende of een vertolkende artistieke activiteit onder de toepassing van paragraaf 2.

In artikel 130, § 2, Werkloosheidsbesluit is vervolgens een regeling opgenomen waarbij het dagbedrag van de uitkering wordt verminderd met het gedeelte van het dagbedrag van het inkomen bedoeld in paragraaf 1 dat het erin bepaalde geïn-dexeerde bedrag overschrijdt.

Artikel 130, § 2, derde lid, Werkloosheidsbesluit bepaalt evenwel: "In het geval bedoeld in § 1, 6°, wordt geen rekening gehouden met het inkomen dat voortvloeit uit een activiteit als loontrekkende of een statutaire tewerkstelling."

4. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de inkomsten die voort-vloeien uit een vertolkende artistieke activiteit als loontrekkende die heeft geleid tot het verlies van uitkeringen in de periode waarin de activiteit werd uitgeoefend, niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 130, § 2, eerste lid, Werkloosheidsbesluit.

Artikel 130, § 2, derde lid, Werkloosheidsbesluit maakt geen onderscheid naarge-lang de aard van de inkomsten die voortvloeien uit de activiteit als loontrekkende, zodat ook een krachtens de arbeidsovereenkomst genoten vergoeding voor de overdracht van naburige rechten niet in aanmerking wordt genomen voor de toe-passing van artikel 130, § 2, eerste lid, Werkloosheidsbesluit.

5. De appelrechters die oordelen dat de eiseres die vertolkende artistieke acti-viteiten heeft verricht in uitvoering van arbeidsovereenkomsten, zich niet kan be-roepen op artikel 130, § 2, derde lid, Werkloosheidsbesluit wat betreft de krach-tens die arbeidsovereenkomsten genoten inkomsten uit de overdracht van naburige rechten, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Kosten

6. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld in de kosten.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerder in de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 97,19 euro en voor de verweerder op 229,88 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 15 oktober 2012 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deco-ninck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR : mevrouw C.B.,

Eiseres tot cassatie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr Huguette Geinger, ondergetekende advocaat bij het Hof van Cas¬satie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan,

TEGEN : de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare in-stelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7,

Verweerder in cassatie,

* * *

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres heeft de eer het arrest, dat op 17 februari 2011 werd ge-wezen door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, (A.R. 2009/AA/452), aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Eiseres is zo vrij dienaangaande te verwijzen naar de overeen¬stemmende rubriek in de bestreden beslissing (arrest p. 3, nr. 3).

Samengevat kan gesteld worden dat eiseres als actrice ver-goed werd voor haar (tijdelijke) activiteiten in loondienst, en anderzijds een vergoe¬ding bekwam voor overdracht van de auteursrechtelijke "naburige rechten". Zij genoot tevens werkloosheidsvergoedingen voor de dagen waarop ze niet ac¬tief was.

De R.V.A. wenste de vergoeding voor de overdracht van deze naburige rechten in rekening te brengen bij de bepaling van de omvang van de werkloosheidsvergoedingen (dagvergoedingen) waarop eiseres in beginsel recht had.

Deze vergoeding werd bestempeld als een "inkomen voort-vloei¬end uit de uitoefening van een scheppende of een vertolkende activi-teit", in de zin van artikel 130, §1, eerste lid, 6° van de werkloosheidsre-glementering, doch niet als een "inkomen dat voortvloeit uit een activiteit als loontrekkende of een statutaire tewerkstelling" in de zin van artikel 130, §2, derde lid van de¬zelfde reglementering, waardoor niet kon gesteld worden dat deze vergoeding niet in rekening mocht worden gebracht.

Eiseres bestreed deze beslissing.

De achtste kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen stelde in het vonnis van 29 juni 2009 vast dat de naburige rechten uitdruk-kelijk aan bod kwamen in de arbeidsovereenkomsten en oordeelde dat zij dus moesten beschouwd worden als een inkomen voortvloeiend uit een activiteit als loon¬trekkende, zodat geen verrekening moest worden doorge-voerd.

Verweerder tekende met succes hoger beroep aan, nu de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen in zijn arrest van 17 februari 2011 de beslissing van de eerste rechter hervormde en de bestreden beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoor¬ziening bevestigde.

Tegen dit arrest meent eiseres volgend cassatiemiddel te kunnen aanvoeren.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

- artikelen 27, enig lid, 10° (ingevoegd bij Koninklijk besluit van 23 no-vember 2000, met ingang van 1 januari 2001), 74bis, §1 en §3 (zoals ingevoegd bij Koninklijk besluit van 23 november 2000, met ingang van 1 januari 2001),

130, §1, enig lid, 6° (zoals vervangen bij Koninklijk besluit van 23 no-vem¬ber 2000, met ingang van 1 januari 2001) en 130, §2, eerste en der-de lid (zoals vervangen bij Koninklijk besluit van 24 januari 2002, met ingang van 1 januari 2002) van het Koninklijk besluit van 25 november 1991, houden-de de werkloosheidsreglementering.

Bestreden beslissing

Het Arbeidshof te Antwerpen verklaart in het bestreden arrest van 17 februari 2011 verweerders hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis van 29 juni 2009 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen (behalve wat betreft de ontvankelijkheid van de vordering en de tenlasteleg¬ging en vereffening van de kosten van het geding) en, opnieuw rechtdoende, bevestigt de beslissingen van 18 oktober 2007 en 30 juni 2008 van de direc¬teur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen.

Het arbeidshof grondt deze beslissing op volgende motieven (ar¬rest vanaf p. 17):

"In huidig geschil betwisten gedingpartijen niet dat (eiseres) in de kalen-derja¬ren 2005 en 2006 prestaties als vertolkende artiest heeft verricht in het kader van arbeidsovereenkomsten en hiervoor loon heeft ontvangen dat fiscaal be¬last werd als beroepsinkomsten (wedden en lonen).

In de fiscale aangifte van (eiseres) wordt er, naast een belastbaar looninko¬men tevens een belastbaar netto-inkomen weerhouden ten bedrage van 7.005,45 euro (2005) en 8.727,27 euro (2006) onder code 1650, zijnde voor¬delen van alle aard, behaald uit hoofde of ter gelegenheid van de beroeps¬werkzaamheid.

Uit nazicht van de voorgebrachte stukken, meer in het bijzonder de arbeids¬contracten (...) blijkt dat die netto belastbaar (sic) inkomsten betrekking heb¬ben op een vergoeding voor ‘overdracht van de naburige rechten' op basis van een clausule in de arbeidsovereenkomsten dat de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever.

(...)

Overeenkomstig artikel 33 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het au¬teursrecht en de naburige rechten zijn naburige rechten roerende rechten die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn voor gehele of gedeeltelijke over¬dracht, overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.

Ze kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve li¬centie worden ondergebracht.

Naast een onvervreemdbaar moreel recht op zijn prestaties heeft de uitvoe¬rende kunstenaar het recht om zijn prestaties te reproduceren of de reproduc¬tie ervan toe te staan op welke wijze of in welke vorm ook.

Dat recht omvat onder meer het exclusieve recht om de verhuring of de uitle¬ning ervan toe te staan.

Alleen de uitvoerende kunstenaar heeft het recht om zijn prestaties volgens het even welk procédé aan het publiek mede te delen (artikel 35, §1 wet van 30 juni 1994).

Wanneer een uitvoerend kunstenaar een prestatie levert ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de prestatie binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt (artikel 35, §3, eerste lid wet van 30 juni 1994).

Ter beoordeling van huidig geschil moet er rekening gehouden worden met het duidelijk onderscheid tussen enerzijds het loon dat aan (eiseres) werd be¬taald voor haar werkelijke acteerprestaties en anderzijds de bedragen die door de werkgever werden betaald aan (eiseres) in haar hoedanigheid van vertol¬kende en/of uitvoerende kunstenaar om de afstand van o.a. het reproductie¬recht en het recht van mededeling aan het publiek te vergoeden (overdracht naburige rechten).

Deze vergoeding voor naburige rechten die aan (eiseres) werd betaald is geen inkomen dat voortvloeit uit een activiteit als loontrekkende (zelfs wanneer deze dienstbetrekking aan de basis ligt van het ontstaan van de naburige rechten) maar een inkomen dat voortvloeit uit de overdracht van alle vermogensrechten op de (acteer)prestaties die (eiseres) heeft verricht in het kader van een ar¬beidsovereenkomst.

Dienvolgens kan (eiseres), voor wat betreft de inkomsten uit overdracht van naburige rechten, zich niet nuttig beroepen op artikel 130, §2 derde lid Werk¬loosheidsbesluit.

(...)

Het is duidelijk dat het netto-inkomen dat (eiseres) heeft verworven uit een cessie van naburige rechten, verkregen werd ter gelegenheid van haar artis¬tieke activiteiten en niet zou verkregen worden (lees: zijn) zonder de uitoefe¬ning van deze activiteiten. Dienvolgens heeft (verweerder) bij de herbereke¬ning van het dagbedrag van de werkloosheidsuitkeringen over de kalenderja¬ren 2005 en 2006 terecht rekening gehouden met het netto belastbaar inko¬men afkomstig uit overdracht van naburige rechten.

Aangezien er geen betwisting bestaat over de berekening van de vermindering van het bedrag van de werkloosheidsuitkering over de periode van 1 mei 2005 tot en met 10 oktober 2005 en van 1 juni 2006 tot en met 31 augustus 2006 dienen de beslissingen van de directeur van het werkloosheidsbureau te Ant¬werpen van 18 oktober 2007 en 30 juni 2008 integraal bevestigd te worden."

Grief

Luidens artikel 27, enig lid, 10° van het Koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (zoals ingevoegd bij Koninklijk besluit van 23 november 2000, met ingang van 1 januari 2001), wordt voor de toepassing van titel II (‘De werkloosheidsvergoeding'), onder "artistieke activiteit" verstaan, de creatie en vertolking van artistieke werken, inzonderheid op het vlak van de audiovisuele en beeldende kunsten, de mu¬ziek, de literatuur, het spektakelbedrijf, het decorontwerp en de choreografie.

Artikel 74bis, §1 van voornoemd besluit (zoals ingevoegd bij Ko¬ninklijk besluit van 23 november 2000, met ingang van 1 januari 2001) bepaalt dat de uitoefening van een artistieke activiteit in de zin van artikel 27, (enig lid) 10°, die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer, en het ontvangen van een inkomen in de zin van artikel 130, uit de oefening van een artistieke acti¬viteit, aanleiding geven tot de toepassing van de volgende bepalingen.

Overeenkomstig de derde paragraaf van hetzelfde artikel 74bis is artikel 130, §§ 1 en 2 toepasselijk op het inkomen dat voortvloeit uit de artis¬tieke vertolkende activiteit.

Naar luid van artikel 130, §1 van hetzelfde besluit van 25 novem¬ber 1991 (zoals vervangen bij Koninklijk besluit van 23 november 2000, met ingang van 1 januari 2001) valt onder de toepassing van §2 de werkloze die (...) 6° in de loop van het kalenderjaar inkomsten ontvangt voortvloeiend uit de (uit)oefening van een scheppende of een vertolkende artistieke activiteit.

Er werd niet betwist dat eiseres een vertolkende artistieke activi¬teit uitoefende in 2005 en 2006.

De tweede paragraaf van hetzelfde artikel 130 bepaalt in zijn eer¬ste lid dat het dagbedrag van de uitkering wordt verminderd met het ge-deelte van het dagbedrag van het inkomen bedoeld in §1 dat een bepaalde indexge¬bonden waarde overschrijdt. Het derde lid van dezelfde bepaling stelt dat "in het geval bedoeld in §1, (enig lid,) 6°, geen rekening (wordt) gehouden met het inkomen dat voortvloeit uit een activiteit als loontrekkende of een statutaire tewerkstelling".

Het arbeidshof stelde vast dat eiseres in 2005 en 2006 prestaties leverde als vertolkend artiest en hiervoor loon ontving, doch tevens vergoedin¬gen wegens de overdracht van naburige rechten, te weten primaire, secun¬daire en afgeleide exploitatierechten.

Deze vergoedingen strekten ertoe eiseres een compensatie te geven in ruil voor de overdracht en het gebruik van exploitatierechten op de prestaties die zij als vertolkend artieste leverde. Zoals door het arbeidshof zelf vastgesteld "is (het) duidelijk dat het netto-inkomen dat (eiseres) heeft verwor¬ven uit een cessie van naburige rechten, verkregen werd ter gelegenheid van haar artistieke activiteiten en niet zou verkregen worden (lees: zijn) zonder de uitoefening van deze activiteiten" (arrest p. 19, eerste alinea).

In de mate dat deze artistieke activiteiten, zonder de uitoefe-ning waarvan de vergoeding voor afstand van naburige rechten niet zou zijn beko¬men, in ondergeschikt verband tegen betaling van loon werden geleverd, moet ook deze vergoeding voor de overdracht van de bedoelde naburige rechten worden geacht een inkomen te zijn "dat voortvloeit uit een activiteit als loon¬trekkende", in de zin van genoemd artikel 130, §2, derde lid.

Het arbeidshof stelde vast (arrest p. 14, onderaan) dat eiseres in de kalenderjaren 2005 en 2006 vertolkende artistieke activiteiten heeft uitge¬oefend "en dit steeds in het kader van arbeidsovereenkomsten".

Het arbeidshof kon bijgevolg niet wettig oordelen dat de ver-goe¬dingen die eiseres ontving voor overdracht van de naburige rechten die zij had verworven door het uitoefenen van vertolkende artistieke activiteiten "in het kader van een arbeidsovereenkomst", geen inkomen vormen dat voortvloeit uit een activiteit als loontrekkende, noch dat eiseres zich, voor wat betreft de in¬komsten uit overdracht van naburige rechten niet kon beroepen op artikel 130, §2, derde lid van de werkloosheidsreglementering.

Het arbeidshof schendt bijgevolg alle in het middel aange-haalde wetsbepalingen, en meer in het bijzonder artikel 130, §2, derde lid van het in de aanhef van het middel aangehaald Werkloosheidsbesluit.

TOELICHTING

(...)

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

Besluit voor eiseres ondergetekende advocaat bij het Hof van Cas-satie dat het U behage, hooggeachte Dames en Heren, de bestreden be-slissing te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander ar-beidshof, kosten als naar recht.

Brussel, 10 mei 2011.

(get.) H. Geinger

Vrije woorden

  • Artistieke activiteit als loontrekkende

  • Gevolg

  • Uitkering

  • Bedrag