- Arrest van 16 oktober 2012

16/10/2012 - P.12.0537.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer na een wanbedrijf een nieuw wanbedrijf in staat van herhaling wordt gepleegd, de eerdere veroordeling met uitstel is uitgesproken en dat uitstel niet is herroepen, wordt de straf geacht te zijn ondergaan bij het verstrijken van de proeftijd en gaat de bij artikel 56, tweede lid, Strafwetboek, bepaalde termijn van vijf jaar in op dat tijdstip (1). (1) Cass. 24 juni 1992, AR 9910, AC 1991-92, 1028; Cass. 15 juli 1997, AR P.97.0805.F, AC 1997, nr. 316; Cass. 2 mei 2001, AR P.01.0121.F, AC 2001, nr. 248.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0537.N

I

G. J. M. D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Annemie Van Deun, advocaat bij de balie te Turnhout,

tegen

METALLO CHIMIQUE nv, met zetel te 2340 Beerse, Nieuwe Dreef 33,

burgerlijke partij,

verweerster.

II

P. L. I. B., ,

beklaagde,

eiser,

tegen

METALLO CHIMIQUE nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 15 februari 2012.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eiser II voert geen middel aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek: het arrest stelt ten onrechte de staat van wettelijke herhaling vast omdat de feiten niet zijn gepleegd binnen een termijn van vijf jaar na de voorgaande veroordeling.

2. Krachtens artikel 56, tweede lid, Strafwetboek bevindt de beklaagde zich in staat van wettelijke herhaling wanneer hij, in geval van een eerdere veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar, een nieuw wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf is verjaard.

Wanneer de eerdere veroordeling met uitstel is uitgesproken en dat uitstel niet is ingetrokken, wordt de straf geacht te zijn ondergaan bij het verstrijken van de proeftijd en gaat de in artikel 56, tweede lid, Strafwetboek bepaalde termijn van vijf jaar in op dat tijdstip.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser I bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 19 december 2000 van de correctionele rechtbank van Turnhout werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maan-den voor een feit van zware diefstal met uitstel van tenuitvoerlegging van straf voor een termijn van drie jaar voor een gedeelte van twaalf maanden.

4. De feiten waarvoor de eiser I werd veroordeeld met het bestreden arrest da-teren van 10 mei 2008 en werden gepleegd binnen de termijn bedoeld met artikel 56 Strafwetboek.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert miskenning aan van de motiveringsplicht: het constitutief bestanddeel van het bedrieglijk opzet voor de telastlegging van huisdiefstal op ba-sis van de artikelen 461 en 464 Strafwetboek wordt niet vermeld noch aange-toond.

6. Met het geheel van de redenen die het arrest (p. 6 tot 9) vermeldt, hebben de appelrechters de schuld van de eiser en het bedrieglijk opzet waarmee de feiten zijn gepleegd vastgesteld.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

7. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechters of verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR en miskenning van het recht van verdediging: de eiser werd veroordeeld zonder enig tastbaar bewijs, enkel op basis van hypothesen, niettegenstaande de bestaan-de gerede twijfel.

9. Het middel komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoor-deling door de rechter van de feiten en de bewijswaarde van de overgelegde stuk-ken, of vereist van het Hof een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is.

Het middel is niet ontvankelijk.

Vierde middel

10. Het middel voert miskenning aan van de redelijke termijn: de eiser werd veroordeeld ruim 4 jaar na de feiten.

11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 122,27 euro waarvan de eiser I 61,13 euro ver-schuldigd is en de eiser II 61,14 euro.

V. Kosynsky

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem

L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Wanbedrijf na wanbedrijf

  • Eerdere veroordeling met uitstel

  • Geen intrekking van het uitstel

  • Tijdstip waarop de straf geacht wordt te zijn ondergaan

  • Termijn van vijf jaar

  • Aanvang