- Arrest van 16 oktober 2012

16/10/2012 - P.12.0597.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien een gerechtelijk onderzoek is gevorderd voor een voortdurend misdrijf, zoals criminele organisatie, kan de rechter dat misdrijf in zijn geheel onderzoeken, zonder dat de feiten die zijn gepleegd na het vorderen van het onderzoek en die van dit voortdurend misdrijf deel uitmaken, het voorwerp moeten uitmaken van een aanvullende vordering (1). (1) Cass. 28 nov. 2001, AR P.01.1526.F, AC 2001, nr. 651.

Arrest - Integrale tekst

P.12.0597.N

C. C.,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 maart 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 56 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest oordeelt ten onrechte dat er geen grond is om de nietigheid van een onderzoekshandeling en de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering vast te stellen; een vordering tot gerechtelijk onderzoek heeft een reactief karakter en slaat dus op reeds gepleegde feiten; wanneer de onderzoeksrechter tijdens het ge-rechtelijk onderzoek feiten ontdekt die een misdaad of een wanbedrijf uitmaken moet hij overeenkomstig artikel 56, § 1, zesde lid, Wetboek van Strafvordering de procureur des Konings onmiddellijk inlichten, zodat die kan beslissen over de vervolging; het arrest stelt vast dat de vordering tot gerechtelijk onderzoek van 4 maart 2011 de juridische kwalificatie "criminele organisatie" vermeldt, terwijl uit de lezing van de vordering tot gerechtelijk onderzoek in samenhang met bijhoren-de stukken blijkt dat de feiten waarop de aldus gerealiseerde saisine betrekking had, feiten van diefstal en heling betreffen; de omstandigheid dat een saisine werd gerealiseerd onder de kwalificatie criminele organisatie met de vaststelling dat die zich "in hoofdzaak toespitste op diefstal en heling" laat niet toe te besluiten dat deze saisine slaat op alle mogelijke "daden of misdrijven en mogelijke verdachten die op een of andere wijze bijdragen tot de onwettige finaliteit van de organisatie en dit zonder tijdsbeperking" en dus met inbegrip van de beweerde feiten van valsheid die op 18 april 2011, dit is na de vordering tot het instellen van het gerechtelijk onderzoek, zouden zijn gepleegd.

2. Het arrest (p. 10, ro 3.10-3.12) oordeelt niet dat de onder de juridische kwa-lificatie "criminele organisatie" gerealiseerde saisine betrekking heeft op feiten van diefstal en heling, maar wel dat de saisine van de onderzoeksrechter betrek-king had op een feit van criminele organisatie, waarbij die organisatie zich in hoofdzaak toespitste op diefstal en op heling.

Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feite-lijke grondslag.

3. Indien een gerechtelijk onderzoek is gevorderd voor een voortdurend mis-drijf, zoals criminele organisatie, kan de rechter dat misdrijf in zijn geheel onder-zoeken, zonder dat de feiten die zijn gepleegd na het vorderen van het onderzoek en die van dit voortdurend misdrijf deel uitmaken, het voorwerp moeten uitmaken van een aanvullende vordering.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

4. Het arrest (p. 10, ro 3.11 en 3.12) oordeelt dat:

- de onderzoeksrechter, die werd geadieerd voor een onderzoek naar een crimi-nele organisatie die in casu in hoofdzaak was gericht op diefstal en heling, bin-nen zijn saisine onderzoek heeft te doen naar alle daden of misdrijven en mo-gelijke verdachten die op de ene of andere manier bijdragen tot de onwettige finaliteit van de organisatie en dit zonder tijdsbeperking, dus ook naar de aan de eiser ten laste gelegde valsheid in geschriften;

- er ernstige aanwijzigen zijn dat de cliënt van de eiser vanuit zijn cel en dus na zijn aanhouding, nog leiding kon geven aan bepaalde leden van de criminele organisatie;

- de cliënt van de eiser in zijn cel over een GSM beschikte en er zelfs nog in slaagde op zijn verzoek een belastende verklaring te laten wijzigen, althans dat daarvoor ernstige aanwijzingen zijn;

- bijgevolg het misdrijf, waarvoor de eiser in verdenking werd gesteld, zeker kon bijdragen tot de instandhouding van de criminele organisatie die aldus klaar-blijkelijk op de datum van het aangeklaagde feit nog bestond.

Met die redenen is de beslissing dat de onderzoeksrechter wel degelijk saisine had voor het aan de eiser ten laste gelegde feit en dat er geen grond is om de nietigheid van enige onderzoekshandeling of de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering vast te stellen, naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de saisine betrekking heeft op een onder-zoek naar "alle daden of misdrijven en mogelijke verdachten die op de ene of an-dere wijze bijdragen tot de onwettige finaliteit van de organisatie en dit zonder tijdsbeperking, dus ook naar de valsheid in geschriften aan [de eiser] ten laste ge-legd", miskent het arrest de bewoordingen en de draagwijdte van de bijgevoegde stukken 114 en 125 van het strafdossier; de draagwijdte van de aanhangigmaking van de zaak bij de onderzoeksrechter wordt bepaald door de in de vordering aan-geduide feiten, in voorkomend geval door samenlezing van de vordering met de bijhorende stukken; de vordering tot gerechtelijk onderzoek van 4 maart 2011 be-vat enkel de vermelding "criminele organisatie"; uit de samenlezing van deze vordering tot gerechtelijk onderzoek met de bijhorende stukken blijkt dat de sai-sine betrekking had op woning-, winkel- en autodiefstallen.

6. Het arrest verwijst niet naar de stukken 114 en 125 van het strafdossier. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen werden nageleefd en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 79,86 euro

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 16 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bij-stand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Voortdurend misdrijf

  • Onderzoeksrechter

  • Aanhangigmaking

  • Draagwijdte

  • Feit dat van het voortdurend misdrijf deel uitmaakt

  • Feit gepleegd na de aanhangigmaking

  • Bevoegdheid