- Arrest van 16 oktober 2012

16/10/2012 - P.12.1584.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De voorlopige maatregelen bedoeld in artikel 52, eerste lid, Jeugdbeschermingswet worden genomen op een ogenblik waarop het als misdrijf omschreven feit nog niet bewezen is en de jeugdrechter mag zich op dat ogenblik niet uitspreken over de constitutieve bestanddelen van het misdrijf, noch over de schuld van de minderjarige; hij dient bijgevolg niet vast te stellen dat er door de minderjarige tussen twaalf en veertien jaar een ernstige aanslag zou zijn gepleegd op een persoon, zoals voor een maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding wordt vereist wanneer de jeugdrechter ten gronde uitspraak doet, of dat er ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de minderjarige bestaan.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1584.N

J. E.,

minderjarige,

eiser,

met als raadsman mr. Siegfried De Mulder, advocaat bij de balie te Brussel,

in aanwezigheid van

1. B. E.,

vader van minderjarige,

2. F. D.,

moeder van minderjarige.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, jeugdkamer, van 4 september 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie grieven aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste grief

1. De grief voert schending aan van "de Grondwet en het Verdrag inzake de rechten van het kind", evenals "het EVRM en het IVBPR": bij het nemen van be-slissingen over de persoon van de minderjarige dient steeds het belang van het kind voorop te staan; tevens wordt iedereen geacht onschuldig te zijn tot zijn schuld bewezen is; opdat een maatregel van voorlopige plaatsing van een minder-jarige in een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling mogelijk zou zijn, moet volgens de Jeugdbeschermingswet het in feite vaststaan dat er door de min-derjarige een ernstige aanslag zou zijn gepleegd op een persoon of dat het gevi-seerde gedrag van de minderjarige uitzonderlijk gevaarlijk is; bovendien is voor dergelijke maatregel een bijzondere motivering vereist; het hof van beroep oor- deelt ten onrechte, eensdeels, dat ingevolge de gedeeltelijke vernietiging van arti-kel 52quater, tweede lid, 1°, Jeugdbeschermingswet door het Grondwettelijk Hof, het niet dient na te gaan of er al dan niet voldoende aanwijzingen van schuld be-staan in hoofde van de minderjarige eiser en, anderdeels, dat uit de door hem toe-gegeven pesterijen en het gegeven dat een minderjarig meisje overleden is, blijkt dat er sprake is van een aanslag op een persoon of diens gezondheid; er aldus over oordelen maakt een niet-toegelaten discriminatie uit in vergelijking met een meer-derjarige die in voorlopige hechtenis wordt genomen; er zijn overigens te dezen geen dergelijke aanwijzingen van schuld aanwezig; ook is een pestgedrag onvol-doende om dergelijke plaatsingsmaatregel te verantwoorden; het hof van beroep laat ook na de plaatsingsmaatregel op bijzondere wijze te motiveren.

2. In zoverre de grief schending aanvoert van het EVRM, het IVBPR, het Kin-derrechtenverdrag en de Grondwet zonder verdere precisering ter zake, is hij on-nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

3. Artikel 52, eerste lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat de jeugdrechtbank gedurende een rechtspleging strekkende tot toepassing van maatregelen ter be-scherming van minderjarigen voorlopig ten aanzien van de betrokken minderjarige de nodige maatregelen van bewaring neemt.

De voorlopige bewaringsmaatregelen worden genomen in het belang van het kind overeenkomstig de Voorafgaande Titel Jeugdbeschermingswet. Zij bieden de jeugdrechter ook de mogelijkheid een grondige kennis te verwerven van de per-soonlijkheid en maturiteitsgraad van de minderjarige, diens leefomgeving, zijn ontwikkeling te volgen en voor zijn bescherming en opvoeding de meest geschikte maatregelen te nemen of te wijzigen.

De voorlopige maatregelen worden genomen op een ogenblik waarop het als mis-drijf omschreven feit nog niet bewezen is. De jeugdrechter mag zich op dat ogen-blik niet uitspreken over de constitutieve bestanddelen van het misdrijf, noch over de schuld van de minderjarige. Hij dient bijgevolg niet vast te stellen dat er door de minderjarige tussen twaalf en veertien jaar een ernstige aanslag zou zijn ge-pleegd op een persoon, zoals voor een maatregel van bewaring, behoeding en op-voeding wordt vereist wanneer de jeugdrechter ten gronde uitspraak doet, of dat er ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de minderjarige bestaan.

In zoverre de grief uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt hij naar recht.

4. Ook al maakt dergelijke voorlopige maatregel tot plaatsing in een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling een vrijheidsberoving vóór het vonnis uit, is zij geen vrijheidsbeneming of aanhouding in de zin van de Voorlopige Hechteniswet.

Aldus kan de minderjarige ook aan een gesloten instelling worden toevertrouwd wegens een misdrijf waarop een gevangenisstraf staat van minder dan één jaar.

In zoverre faalt de grief eveneens naar recht.

5. In zoverre de grief opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de rechter in feite of de eiser blijk geeft van een gevaarlijk gedrag, er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsma-teriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden, en of de bevolen plaatsingsmaatregel de voorkeur verdient boven een andere voorlopige maatregel, is hij niet ontvankelijk.

6. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

7. De appelrechter stelt onaantastbaar vast en oordeelt dat:

- het onderzoek nog volop aan de gang is;

- de eiser erkent dat hij vóór het overlijden van het slachtoffer heeft meegedaan aan de pesterijen die veel te ver zijn gegaan en onder meer aan het geven van slagen;

- de eiser zelf verklaarde dat hij heel goed en hard andere mensen kan pesten, wat erop wijst dat het geen eenmalig pestgedrag betreft;

- zulk gedrag ernstige vragen doet rijzen naar de persoonlijkheid van de eiser, zijn normen en waarden, zijn vriendenkring en het milieu waarin hij vertoeft;

- er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de eiser, indien hij in vrijheid zou worden gesteld, nieuwe feiten zou plegen, zich aan het gerecht zou onttrekken, bewijsmateriaal zou pogen te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstand-houding zou komen met derden;

- het opleggen van een voorlopige plaatsingsmaatregel in het belang van de min-derjarige eiser zelf is;

- een andere maatregel momenteel onvoldoende is voor de bescherming van de openbare veiligheid en de eiser zelf.

Aldus verantwoordt de appelrechter met een voldoende motivering en zonder miskenning van het vermoeden van onschuld de voorlopige bewaringsmaatregel in een gesloten gemeenschapsinstelling die hij in het belang acht van de eiser, naar recht.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

Tweede grief

8. De grief voert schending aan van artikel 37, § 2quater, laatste lid, Jeugdbe-schermingswet: het hof van beroep dat stelt dat het onderzoek naar de precieze omstandigheden en ieders aandeel nog volop aan de gang is, stelt niet vast dat een aanslag op het leven of op de gezondheid van een persoon bewezen is en dat de eiser ernstig uitzonderlijk gedrag vertoont; pestgedrag maakt niet dergelijke aan-slag uit; aldus verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht.

9. Artikel 37, § 1, eerste lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat de jeugdrecht-bank de voor haar gebrachte personen maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding kan opleggen.

Artikel 37, § 2quater, laatste lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat een plaat-singsmaatregel in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeen-schapsinstelling slechts kan worden genomen ten aanzien van een persoon tussen twaalf en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat aan die voorwaarden dient te zijn voldaan wanneer de jeugdrechter die oordeelt ten gronde na afloop van het onderzoek, zulke plaatsingsmaatregel wenst op te leggen.

Artikel 52, eerste lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat de jeugdrechtbank gedu-rende een rechtspleging strekkende tot toepassing van maatregelen ter bescher-ming van minderjarigen voorlopig ten aanzien van de betrokken minderjarige de nodige maatregelen van bewaring neemt.

Artikel 52quater Jeugdbeschermingswet bepaalt dat voor wat betreft de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar, de rechter of de jeugdrechtbank, naar gelang van het geval, in de gevallen bedoeld in de artikelen 52, 52bis en 52ter, met name ook voor een jongere die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, een voorlopige maat-regel van bewaring kan bevelen, voor een termijn van ten hoogste drie maanden, in een gesloten opvoedingsafdeling, ingericht door de bevoegde overheden. Deze beslissing kan enkel worden genomen indien de betrokkene blijk geeft van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is en er ernstige redenen be-staan om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt ge-steld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, be-wijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden.

In zoverre de grief aanvoert dat ook een voorlopige bewaringsmaatregel slechts kan worden genomen ten aanzien van een persoon tussen twaalf en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is, zoals overeenkomstig artikel 37, § 2quater, laatste lid, Jeugdbeschermingswet bepaald voor de maatregel die na onderzoek ten gronde kan worden genomen, faalt hij naar recht.

10. Met de in het antwoord op de eerste grief vermelde redenen verantwoordt de appelrechter zijn beslissing tot het nemen van een voorlopige plaatsingsmaatregel in een gesloten gemeenschapsinstelling naar recht.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

11. In zoverre de grief voor het overige opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechter in feite, is hij niet ontvankelijk.

Derde grief

12. De grief voert schending aan van artikel 37, § 2, in fine, Jeugdbescher-mingswet: een plaatsing van een minderjarige in een gesloten gemeenschapsin-stelling dient op bijzondere wijze te worden gemotiveerd, wat inhoudt dat er moet worden uitgelegd waarom een minder zware voorlopige maatregel niet gepast is; de motivering van het arrest voldoet niet aan de bijzondere motiveringsvereiste.

13. Met de in het antwoord op de eerste grief vermelde redenen motiveert de appelrechter op bijzondere wijze de genomen plaatsingsmaatregel en verantwoordt hij zijn beslissing naar recht.

De grief kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 80,91 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 16 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bij-stand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Minderjarige tussen twaalf en veertien jaar

  • Als misdrijf omschreven feit

  • Voorlopige maatregel van plaatsing

  • Uiteindelijke maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding bij de uitspraak ten gronde

  • Onderscheid

  • Gevolg

  • Motiveringsplicht