- Arrest van 16 oktober 2012

16/10/2012 - P.12.0487.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 182 Wetboek van Strafvordering bepaalt niet in welke bewoordingen de dagvaarding de ten laste gelegde feiten moet omschrijven; deze bepaling vereist enkel dat de dagvaarding het feit dat de telastlegging uitmaakt en kenmerkt, op die wijze omschrijft dat het voorwerp ervan voldoende duidelijk blijkt voor de beklaagde en zijn recht van verdediging verzekerd wordt (1). (1) Cass. 23 mei 2001, AR P.01.0218.F, AC 2001, nr. 306; Cass. 31 maart 2009, AR P.08.01929.N, AC 2009, nr. 223.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0487.N

I

ARGENTA ASSURANTIES nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 49-53,

vrijwillig tussenkomende partij,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. V. S., in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordigster van haar minderja-rige zonen G. R. en N. R.,

burgerlijke partij,

2. A. D. M.,

burgerlijke partij,

3. R. R.,

burgerlijke partij,

4. M.-A. H.,

burgerlijke partij,

5. P. R.,

burgerlijke partij,

6. D. S.,

burgerlijke partij,

verweerders.

II

M. P. V. D.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. V.S., reeds vernoemd,

burgerlijke partij,

2. A. D. M., reeds vernoemd,

burgerlijke partij,

3. R. R., reeds vernoemd

burgerlijke partij,

4. M.-A. H., reeds vernoemd,

burgerlijke partij,

5. P. R., reeds vernoemd,

burgerlijke partij,

6. D. S., reeds vernoemd,

burgerlijke partij,

verweerders.

III

1. V. S., reeds vernoemd,

burgerlijke partij,

2. A. D. M., reeds vernoemd,

burgerlijke partij,

3. R. R., reeds vernoemd

burgerlijke partij,

4. M.-A. H., reeds vernoemd,

burgerlijke partij,

5. Petra RAAFFELS, reeds vernoemd,

burgerlijke partij,

6. Domenico SCATTINO, reeds vernoemd,

burgerlijke partij,

eisers,

tegen

1. M. P. V. D., reeds vernoemd,

beklaagde,

2. E. J. C. S.,

beklaagde,

3. S. M.,

beklaagde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VAN HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 8 februari 2012.

De eiseres I en de eiser II voeren elk in een afzonderlijke memorie die aan dit ar-rest zijn gehecht, drie middelen aan met dezelfde strekking.

De eisers III voeren geen grieven aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen III

1. In zoverre de cassatieberoepen van de eisers III gericht zijn tegen de inwil-liging van een deel van hun vordering zijn ze niet ontvankelijk bij gebrek aan be-lang.

Eerste middel van de eisers I en II

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest verklaart de eiser II schuldig aan het ten laste gelegde feit van onopzettelijke doding en veroordeelt de eiseres I tot schadevergoeding daar de eiser II aan de architect (de verweerder III.3) niet heeft gevraagd een werfbezoek te doen noch de werken liet stilleggen, nadat de uitvoerder ervan (de verweerder III.2) een opmerking had gekregen van een derde over de gevaarlijke hoogte van de muur; de rechtstreekse dagvaarding omschrijft het ten laste gelegde feit door een verwijzing naar de bewoordingen van de artike-len 418 en 419 Strafwetboek, aangevuld met plaats en datum van het misdrijf en de identiteit van de slachtoffers; aldus vermeldt de dagvaarding de aard van de telastlegging, maar vermeldt het de redenen van de ingestelde beschuldiging met onvoldoende nauwkeurigheid om een adequate uitoefening van het recht van ver-dediging toe te laten; in een nota maakte het openbaar ministerie melding van drie tekortkomingen: het feit dat de eiser noch de aannemer de elementaire kennis hadden om een muur op te richten, het feit dat de eiser geen bouwcoördinator had aangesteld en het feit dat de eiser de architect met een onvoldoende toezichtsop-dracht had belast; door eisers schuld te laten steunen op een andere tekortkoming dan deze waarop hij zich heeft kunnen verdedigen, zonder hem daarvan in te lich-ten, miskent het arrest het recht van verdediging.

3. Artikel 6.3.a EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging.

4. Deze bepaling bedoelt met de "redenen" van de ingestelde beschuldiging, de strafbare feiten die ten laste worden gelegd en met de "aard" van die beschul-diging, de juridische kwalificatie van die feiten.

5. Artikel 182 Wetboek van Strafvordering bepaalt niet in welke bewoordin-gen de dagvaarding de ten laste gelegde feiten moet omschrijven. Deze bepaling vereist enkel dat de dagvaarding het feit dat de telastlegging uitmaakt en ken-merkt, op die wijze omschrijft dat het voorwerp ervan voldoende duidelijk blijkt voor de beklaagde en zijn recht van verdediging verzekerd wordt.

6. Geen enkele bepaling schrijft voor dat de inlichtingen over het ten laste ge-legde feit, die de redenen van de beschuldiging uitmaken, alleen kunnen blijken uit de dagvaarding, de verwijzingsbeschikking of een noot van het openbaar mi-nisterie of van een andere partij. Ze kunnen ook gegeven worden door de stukken van het strafdossier op dewelke de beschuldiging steunt, waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser II is vervolgd wegens het feit omschreven in de dagvaarding in de bewoordingen van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek, dit is onopzettelijke doding bij gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid en dat deze vervolging is gesteund op het strafdos-sier.

8. Het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid houdt alle fouten in die tot de onopzettelijke doding van het slachtoffer hebben kunnen leiden.

De beklaagde diende zich derhalve te verdedigen op het geheel van die fouten zo-als ze blijken uit de gegevens van het strafdossier en het debat op de rechtszitting.

9. Het arrest verklaart de eiser II schuldig en veroordeelt de eiseres I tot scha-devergoeding onder meer op grond van het feit dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat hij de architect niet heeft gevraagd om een werfbezoek af te leggen of de werken te laten stilleggen nadat de uitvoerder ervan een opmerking had gekregen van een derde over de gevaarlijke hoogte van de muur. Door de eiser II aldus schuldig te verklaren op grond van een tekortkoming die door het openbaar ministerie niet was aangemerkt maar waarvan de gegevens in het debat lagen, schendt het arrest geenszins artikel 6.3.a EVRM en miskent het evenmin het recht van verdediging van de eisers.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eisers I en II

10. Het middel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek: het arrest stelt vast dat de eiser II een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg be-ging dat erin bestaat dat hij aan de architect (verweerder III.3) niet heeft gevraagd om een werfbezoek af te leggen of de werken niet liet stilleggen, nadat de uitvoer-der ervan (verweerder III.2) een opmerking had gekregen van een derde over de gevaarlijke hoogte van de muur; het arrest stelt echter niet vast dat de eiser II bij het uiten van die opmerking aanwezig was of dat hij deze effectief heeft gehoord of minstens in de mogelijkheid daartoe verkeerde; ook de veroordeling van de ei-seres I tot het betalen van schadevergoeding steunt hierop.

11. Met het oordeel dat de eiser II aan de architect niet heeft gevraagd een werfbezoek af te leggen of de werken te laten stilleggen nadat een derde een opmerking maakte over de gevaarlijke hoogte van de muur, geeft het arrest te kennen dat de eiser kennis heeft gehad van die opmerking.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oord-eelt dat de schade van de verweerster I.1 in eigen naam en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster van haar twee minderjarige kinderen, 555.820,18 euro bedraagt, daarin begrepen de morele schade van de kinderen voor een bedrag van 17.500 euro, maar veroordeelt de eisers om een schadevergoeding te betalen van 555.820,18 euro in eigen naam en van 8.750 euro voor elk van haar minderja-rige kinderen; die beslissingen zijn tegenstrijdig.

13. Het arrest begroot de schade van de verweerster I.1 in eigen naam en als vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen op 555.820,18 euro, daarin begrepen 17.500 euro morele schade voor de beide kinderen samen.

14. In het dictum kent het arrest aan de verweerster I.1 in eigen naam een scha-devergoeding toe van 555.820,18 euro in hoofdsom. Het vermeldt in het dictum ook de verschillende schadeposten die aan de verweerster I.1 in eigen naam toe-komen, met name de begrafeniskosten, de administratie- en verplaatsingskosten, haar morele schade, het inkomstenverlies en het economisch verlies voor het huishouden, welke schadeposten in het totaal 538.320,18 euro bedragen.

Het dictum kent eveneens aan de verweerster voor elk van haar minderjarige kin-deren 8.500 euro morele schade toe, hetzij 17.500 euro in het totaal.

15. Hieruit volgt dat waar het arrest in zijn dictum de eisers veroordeelt tot een schadevergoeding aan de verweerster I.1 in eigen naam van 555.820,18 euro in hoofdsom, dit een verschrijving is die het Hof verbetert. Dit bedrag moet immers gelezen worden als 538.320,18 euro.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering wat de eisers I en II betreft

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun respectievelijke cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 249,02 euro, waarvan de eiseres I 50,11 euro verschuldigd is, de eiser II 79,97 euro en de eiser III 53,24 euro.

V. Kosynsky

A. Lievens

A. Bloch

F. Van Volsem

L. Van hoogenbemt

P. Maffei

Vrije woorden

  • Beklaagde

  • Dagvaarding

  • Voorgeschreven vermeldingen

  • Bewoordingen

  • Inhoud

  • Vereiste