- Arrest van 19 oktober 2012

19/10/2012 - C.11.0203.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Conclusie van advocaat-generaal Thijs.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0203.N

DIENSTVERLENINGSCENTRUM DE TRIANGEL vzw, met zetel te 9920 Lovendegem, Molendreef 16,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de per-soon van de minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kan-toor te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 2 november 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 10 april 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het middel

1. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat het niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek: het middel voert schending aan van de federale tekst van artikel 253, 1°, WIB92 die in deze zaak niet van toepassing is; minstens is de aanduiding van deze bepaling onvol-doende nauwkeurig omdat het niet aan het Hof toekomt te achterhalen welke ver-sie van artikel 253 WIB92 de eiseres bedoelt.

2. De federale tekst van artikel 253, 1°, WIB92 luidt: "Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld: 1° van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen".

Wat het Vlaams Gewest betreft, is een identieke bepaling opgenomen in artikel 253, eerste lid, 1°, WIB92.

3. Uit het middel blijkt dat het geschil betrekking heeft op een aanslag in de onroerende voorheffing die werd gevestigd door het Vlaams Gewest. De eiseres citeert de federale tekst van artikel 253, 1°, WIB92 die identiek is aan artikel 253, eerste lid, 1°, WIB92 dat van toepassing is in het Vlaams Gewest. Hieruit blijkt dat het middel betrekking heeft op de toepassing van artikel 253, eerste lid, 1°, WIB92 en dat de aanduiding van deze bepaling voldoende nauwkeurig is.

Het middel is ontvankelijk.

Middel

4. Krachtens artikel 11 WIB92 zijn de onroerende inkomsten als omschreven in artikel 7, § 1, 1° en 2°, van dat wetboek, naar het geval, belastbaar ten name van de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van het goed.

Krachtens artikel 251 WIB92 is de onroerende voorheffing verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen, volgens de regels bepaald door de Koning.

Krachtens artikel 9 Erfpachtwet draagt de erfpachter alle belastingen, welke op het erf gelegd zijn, hetzij de gewone, hetzij de buitengewone, hetzij jaarlijkse, hetzij zij die slechts eenmaal moeten worden betaald.

Hieruit volgt dat de erfpachter de belastingplichtige is voor de onroerende voor-heffing die geheven wordt op het door hem in erfpacht gehouden goed.

5. Krachtens artikel 253, eerste lid, 1°, WIB92, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, wordt van de onroerende voorheffing het kadastraal inkomen vrijgesteld van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen.

Krachtens artikel 12, § 1, WIB92 is het kadastraal inkomen vrijgesteld van de on-roerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheids-instellingen.

Hieruit volgt dat voor deze vrijstelling van de onroerende voorheffing enkel ver-eist is dat een belastingplichtige of een bewoner het onroerend goed zonder winst-oogmerk heeft bestemd tot een doel bepaald in artikel 12, § 1, WIB92.

6. De appelrechters stellen vast dat:

- de verweerster een aanslag vestigde op naam van de eiseres voor het onroerend goed gelegen te Lovendegem, Molendreef 16;

- de aanslag op haar naam werd gevestigd omwille van haar hoedanigheid van erfpachter;

- het niet ter betwisting staat dat de eiseres het goed heeft bestemd voor een van de doeleinden bepaald in artikel 12, § 1, WIB92.

7. De appelrechters oordelen dat:

- de afwezigheid van winstoogmerk onderzocht moet worden zowel in hoofde van de eigenaar als in hoofde van de eiseres als erfpachter;

- niet blijkt dat de canon die de eiseres voor de erfpacht betaalt, de bestemming van het onroerend goed waarvoor zij de vrijstelling vraagt, ten goede komt of nog in welke mate;

- nergens uit af te leiden valt wat de uiteindelijke bestemming van de erfpacht-vergoeding is.

8. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de eiseres geen aan-spraak kan maken op de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 12, § 1, WIB92 omdat er geen afwezigheid van winstoogmerk is in hoofde van de eigenaar, verantwoor-den hun beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

9. Het behalen van een voordeel uit het onroerend goed staat de vrijstelling niet in de weg, op voorwaarde dat de belastingplichtige het bewijs levert dat dit voordeel werkelijk en uitsluitend gebruikt werd voor de instandhouding en de uit-breiding van de activiteiten die verband houden met het weldadigheidsdoel be-doeld in artikel 12, § 1, WIB92.

Het vereiste dat het behaalde voordeel wordt aangewend voor de instandhouding en de uitbreiding van activiteiten die verband houden met het liefdadigheidsdoel, houdt niet in dat het voordeel moet worden besteed aan het onroerend goed waar-uit het voordeel wordt behaald. Het houdt evenmin in dat het voordeel niet mag worden besteed aan de instandhouding en de uitbreiding van activiteiten die ver-band houden met het liefdadigheidsdoel op andere locaties dan het onroerend goed waaruit het voordeel wordt gehaald.

10. De appelrechters oordelen dat:

- niet blijkt dat het Masterplan van 2001 waarvoor de eiseres haar winst zou hebben aangewend, betrekking heeft op het onroerend goed;

- de investering door de eiseres van de winst voortkomend uit het onroerend goed "dat thans besproken wordt in andere onroerende goederen" niet kan be-schouwd worden als aangewend voor de instandhouding en uitbreiding van het doel waarvoor het goed wordt aangewend.

11. De appelrechters die oordelen dat de eiseres geen aanspraak kan maken op de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 12, § 1, WIB 92, omdat de eiseres de voor-delen die zij als erfpachter uit het onroerend goed heeft verkregen niet volledig en uitsluitend heeft geïnvesteerd in dat goed, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 19 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Di-rix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche F. Van Volsem G. Jocqué

A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Vrijstelling

  • Bestemming voor weldadigheidsinstellingen

  • Toepassingsvoorwaarden

  • Afwezigheid van winstoogmerk