- Arrest van 22 oktober 2012

22/10/2012 - S.12.0031.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch uit artikel 9bis, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat bepaalt dat de machtiging tot verblijf in buitengewone omstandigheden kan worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar de vreemdeling verblijft en die machtiging desgevallend, als ze toegekend wordt, in België zal worden afgegeven, noch uit enige andere wettelijke bepaling waarvan het middel de schending aanvoert blijkt dat de uitvoering van een maatregel tot verwijdering, die gerechtvaardigd zou zijn door de toestand van een vreemdeling, gedurende het onderzoek van die aanvraag verboden is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0031.F

1. P. G.,

2. I-A. G.,

Mr Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN CHARLEROI,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen, van 7 december 2011.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, eerste lid, en 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

- artikel 9bis, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

- artikel 23 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest bevestigt grotendeels het beroepen vonnis en beperkt de hervorming er-van met "als enige verduidelijking en aanpassing dat [de eisers] opnieuw aanspraak moeten kunnen maken op maatschappelijke hulp vanaf 14 juni 2011 en niet vanaf 20 juni 2011".

Het arrest stoelt zijn beslissing op grond dat artikel 57, § 2, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn "voor maatschappelijke hulp een onderscheid maakt tussen de vreemdelingen die legaal of illegaal in het land verblijven; [het] bepaalt inderdaad dat de maatschappelijke hulp beperkt is tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft;

Wordt verstaan onder illegaal verblijf, het verblijf zonder toelating het grondgebied te betreden, er te verblijven of er zich te vestigen of wanneer men niet behoort tot één van de categorieën van vreemdelingen die het volle recht hebben er te verblijven ( zie in dat verband, GwH, arrest nr. 131/2001 van 31 oktober 2001; S. Moureaux en J.P. Lagasse in Le statut des étrangers, commentaires de la loi du 15 décembre 1980, p. 228 tot 230);

De vreemdelingen die, hetzij doordat zij zich zonder toestemming toegang tot het grondgebied hebben verschaft en in de clandestiniteit zijn gebleven, hetzij doordat zij op het grondgebied verblijven na het verstrijken van de periode waarvoor zij de vereiste toestemming hadden verkregen, hetzij doordat zij, na een asielaanvraag te hebben ingediend, uitgeprocedeerd waren, verblijven bijgevolg illegaal op het grondgebied (zie GwH, arrest nr. 131/2001 van 30 oktober 2001; S. Moureaux en J.P. Lagasse in Le statut des étrangers, commentaires de la loi du 15 décembre 1980, p. 228 tot 230);

Die toestand stemt overeen met die van [de eisers]. In dat verband kan het aanvragen van een tijdelijke verblijfsvergunning wegens buitengewone omstandigheden, zoals die bijvoorbeeld waarover (te) lang werd getalmd, op zich geen wettig karakter verlenen aan de aanwezigheid op het nationaal grondgebied: de aanvrager van een tijdelijke verblijfsvergunning wegens buitengewone omstan-digheden bevindt zich wel degelijk onwettig op het nationaal grondgebied, ondanks de aanvraag die hij heeft ingediend op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 en dat zolang zijn hoger beroep hangende is. De rechtspraak is op dat punt constant: het indienen van een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 heeft niet tot gevolg enige wettigheid te verlenen aan een verblijf, dat overigens illegaal is (zie met name arbeidsrechtbank te Charleroi, 21 januari 2003, R.D.E., 2003, nr. 122, p. 78)".

Het arrest leidt daaruit af dat, "dit gezegd zijnde, in dergelijk geval artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 [...] streng moet worden toegepast, met name in zoverre het de maatschappelijke hulp beperkt tot dringende medische hulp. Daaruit volgt dat de betrokken personen slechts ten persoonlijke titel aanspraak kunnen maken op dringende medische hulp, voor zover hun staat van behoeftigheid bewezen is, hetgeen niet wordt betwist maar niet het voorwerp is van dit geschil.

Grieven

Artikel 23, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft een menswaardig leven te leiden. Volgens het tweede lid van dat artikel waarborgt de wet, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Artikel 23, derde lid, omvat onder de aldus gewaarborgde sociale rechten uitdrukkelijk het recht op sociale bijstand;

De maatschappelijke dienstverlening die, zoals artikel 1, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bevestigt, tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, wordt, krachtens het tweede lid van datzelfde artikel, verzekerd door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn onder de door deze wet bepaalde voorwaarden.

Volgens artikel 57, § 1, van de wet van 8 juli 1976 heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. Die dienstverlening is niet noodzakelijk van financiële aard, maar kan ook van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.

Artikel 57, § 2, van dezelfde wet verduidelijkt dat, in afwijking van de andere bepa-lingen van deze wet, de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt is tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.

Bovendien, luidens artikel 9bis, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen,

"kan de machtiging tot verblijf in buitengewone omstandigheden en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt, worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Deze maakt ze over aan de minister of aan diens gemachtigde. Indien de minister of diens gemachtigde de machtiging tot verblijf toekent, zal de machtiging tot verblijf in België worden afge-geven.

De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op :

- de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken;

- de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te ver-werven in België, op geldige wijze aantoont".

Vaste rechtspraak is dat het aan de bevoegde minister staat om, alvorens een maatregel tot verwijdering te nemen, uitspraak te doen over de verblijfsaanvraag van langer dan drie maanden na een uiteenzetting van de buitengewone omstandigheden die het indienen van de aanvraag rechtvaardigt.

Uit wat voorafgaat volgt dat het verboden is om, tijdens het onderzoek van de regularisatieaanvraag, enige maatregel tot verwijdering uit te voeren die de toestand van de vreemdeling anders zou hebben gerechtvaardigd. Rekening houdend met de bedoeling van de wetgever om de problemen te regelen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, mag de vreemdeling zijn verblijf op het grondgebied verlengen ook als dat met onregelmatigheid is aangetast.

Bijgevolg impliceert de economie van alle voornoemde wettelijke en grondwettelijke bepalingen dat de beperking van het recht op maatschappelijke hulp als bedoeld in artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 niet van toepassing is op een vreemdeling die men in feite niet mag verwijderen.

In casu, blijkt uit de overwegingen van het arrest dat 1. [ de eisers] tijdelijke ver-blijfsvergunningen hebben gekregen krachtens een beschikking van 27 januari 2009 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel; 2. die beschikking slechts ingetrokken werd door een arrest van het hof van beroep te Brussel van 8 januari 2010; 3. [de eisers] intussen een aanvraag tot verblijfsregularisatie hadden toegezonden aan de minister van Binnenlandse Zaken op grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 met het oog op een machtiging tot verblijf op het nationaal grondgebied.

Uit de samenvoeging van die vaststellingen en de hiervoor herhaalde grond-wettelijke en wettelijke beginselen volgt dat het arrest beslist heeft het hoger beroep van [de eisers] hoofdzakelijk niet gegrond te verklaren, en derhalve is het niet naar recht verantwoord (schending van de in het middel aangevoerde wettelijke bepa-lingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Noch uit artikel 9bis , § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toe-gang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreem-delingen, dat de vreemdeling de mogelijkheid biedt in buitengewone omstandig-heden de machtiging tot verblijf aan te vragen bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft en dat bepaalt dat, desgevallend, de machtiging, als ze is toege-kend, in België wordt afgegeven, noch uit enige andere wettelijke bepaling waar-van het middel de schending aanvoert, kan worden afgeleid dat het verboden is om tijdens het onderzoek van die aanvraag, een maatregel tot verwijdering uit te voeren die de toestand van de vreemdeling zou rechtvaardigen.

Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de verweerder in de kosten, gelet op artikel 1017, tweede lid, Gerech-telijk Wetboek.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille De-lange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 22 oktober 2012 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verblijf

  • Aanvraag tot machtiging

  • Buitengewone omstandigheden

  • Onderzoek van de aanvraag

  • Maatregel tot verwijdering

  • Uitvoering