- Arrest van 22 oktober 2012

22/10/2012 - S.12.0054.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 63, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet beperkt de redenen die aangezien zij verband houden met de houding of het gedrag van de werkman, van aard zijn om het willekeurig karakter van het ontslag uit te sluiten niet tot het strikte kader van de contractuele betrekkingen (1). (1) Zie Charles-Eric Clesse, "Le licenciement abusif", Anthémis, 2009, p. 254 en 71 noot 73; H.F. Lenaerts, J.Y. Versluype, G. Willems en A. Fry, "Rupture du contrat de travail. Chronique de jurisprudence 2006-2010", Larcier, 2012, p. 300 en 301 en de vermelde rechtspraak.


Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0054.F

FRESH CONCEPT nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

J. P.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen, van 14 september 2011.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten

Aangevochten beslissingen

In zijn uitspraak over het hoger beroep van de verweerder, verklaart het arrest "het beroep ontvankelijk en gegrond; het hervormt het beroepen vonnis in zoverre dat de oorspronkelijke vordering tot schadevergoeding wegens willekeurige afdanking niet gegrond had verklaard; verklaart de oorspronkelijke vordering tot schadevergoeding wegens willekeurig afdanking [van de verweerder] gegrond; veroordeelt bijgevolg hierbij [de eiseres] tot betaling [aan de verweerder] van het bedrag van 10.296,48 Euro, vermeerderd met de wettelijke, verwijl- en gerechtelijke interesten vanaf 7 januari 2008; veroordeelt [de eiseres] tot betaling [aan de verweerder] van de kosten van beide instanties vastgesteld op 2.200 Euro".

Het arrest motiveert die beslissingen met alle redenen die hier worden verondersteld volledig te zijn weergegeven, in het bijzonder met de volgende redenen, op grond waarvan het oordeelt dat "[de eiseres] het in artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ingevoerde vermoeden niet weerlegt":

"[De verweerder] was van dinsdag 1 tot maandag 7 januari 2008 tewerkgesteld in dienst van [de eiseres]. Rekening houdend met het feit dat 1 januari een vakantiedag was, heeft hij dus in werkelijkheid vier dagen bij [de eiseres] gewerkt, wat door de loonfiche wordt bevestigd;

Daaruit volgt dat zo een ongepaste houding [van de verweerder] diens ontslag rechtvaardigde, die zich beslist tijdens die periode moet hebben voorgedaan;

Volgens de getuigenissen van G., C., L. V. en E. kunnen de tenlastegelegde gedragingen zich echter niet in die periode hebben voorgedaan;

De inhoud van die getuigenissen ('regelmatig', 'herhaaldelijk') laat daarentegen verstaan dat de tenlastegelegde gedragingen - voor zover zij bewezen worden geacht - zich zeker vóór 1 januari 2008 hebben voorgedaan, namelijk in de periode dat [de verweerder] en de auteurs van de getuigenissen in dienst werkten van de b.v.b.a. Charleroi Salaisons;

[De eiseres] erkent dat haar firma vanaf 1 januari 2008 een groot deel van het personeel van de firma Charleroi Salaisons, onder wie [de verweerder], heeft overgenomen;

Het bewijs van een ongepaste houding gedurende de litigieuze periode werd dus alleszins niet vermeld in de getuigenissen van G., C., L. V. en E.".

Grieven

Artikel 63, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt:

"Wordt onder willekeurige afdanking, voor de toepassing van dit artikel, verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor een onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst.

Bij betwisting behoort het aan de werkgever het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen redenen.

Onverminderd artikel 39, § 1, zal de werkgever die een voor een onbepaalde tijd aangeworven werkman op willekeurige wijze afdankt, aan deze werkman een vergoeding moeten betalen die overeenstemt met het loon van zes maanden, behalve indien een andere vergoeding is vastgesteld door een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.

De in het derde lid bedoelde vergoeding is verschuldigd onafgezien van het feit of de werkman al dan niet met inachtneming van een opzeggingstermijn werd afgedankt; zij kan niet samen genoten worden met de vergoedingen bedoeld in ar-tikel 39, §§ 2 en 3, van deze wet, (in de artikelen 16 tot 18 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, of in artikel 118,§3, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.

Wil het ontslag niet willekeurig zijn in de zin van artikel 63 van de wet van 3 juli 1978, dan moet het gemotiveerd zijn door de houding en geschiktheid van de werkman of de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, instelling of dienst. De bewijslast van de motivering van het ontslag ligt bij de werkgever.

Het ontslag van een werkman omwille van zijn houding, zelfs als die niet fout is, is niet willekeurig voor zover die reden niet kennelijk onredelijk is.

Het arrest beslist dat de werkgever het bewijs van de houding die het ontslag rechtvaardigt niet levert omdat de getuigenissen niet kunnen bewijzen dat de tenlastegelegde gedragingen zich hebben voorgedaan tussen 1 en 7 januari 2008, hetzij de periode waarin de verweerder in dienst was van de eiser met een ar-beidsovereenkomst.

Het arrest schendt artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten doordat het een voorwaarde toevoegt die er niet in voorkomt, namelijk dat de aangevoerde ongepaste houding van de werkman die diens ontslag rechtvaardigt zich heeft voorgedaan tijdens de periode dat hij met een arbeidsovereenkomst was tewerkgesteld.

Bijgevolg verantwoordt het arrest de veroordeling van de eiseres om een vergoeding te betalen wegens willekeurige afdanking van een werkman niet naar recht (schending van artikel 63 van de wet van 3 juli 1978).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 63, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet, wordt onder wille-keurige afdanking , voor de toepassing van dit artikel, verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor een onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst.

Die bepaling beperkt de redenen die van aard zijn het willekeurig karakter van het ontslag uit te sluiten doordat ze verband houden met het gedrag of de houding van de werkman, niet tot het strikte kader van de contractuele betrekkingen.

Het arrest dat beslist dat de eiseres "het in artikel 63 van voornoemde wet van 3 juli 1978 ingevoerde vermoeden niet weerlegt" en de verweerder een "ongeschikte houding" ten laste legt, stelt dat laatstgenoemde "in dienst was van [de eiseres] van dinsdag 1 tot maandag 7 januari 2008", en dat, "rekening houdend met het feit dat de eerste januari een verlofdag [is], hij dus in werkelijkheid gedurende vier dagen bij [de eiseres] tewerkgesteld was" en oordeelt dat, "zo een ongepaste gedraging [van de verweerder] diens ontslag rechtvaardigt, [die houding] zich beslist moest voordoen tijdens die periode".

Door het onderzoek van het gedrag van de verweerder te beperken tot de loutere periode waardoor de partijen door een arbeidsovereenkomst gebonden zijn, schendt het arrest artikel 63, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat melding van dit arrest wordt gemaakt op kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de arbeidsrechtbank te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille De-lange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 22 oktober 2012 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Begrip

  • In aanmerking te nemen periode