- Arrest van 23 oktober 2012

23/10/2012 - P.12.0318.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter stelt op onaantastbare wijze de feiten vast waaruit hij het al dan niet bestaan van een oorzakelijk verband tussen fout en schade afleidt; het Hof gaat niettemin na of de rechter zijn beslissing met betrekking tot het al dan niet bestaan van het oorzakelijk verband wettig heeft kunnen gronden op die vaststellingen (1). (1) Zie de conclusies van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0318.N

I

1. STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1, Stadhuis,

burgerlijke partij,

2. COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD ANTWERPEN, met kantoor te 2000 Antwerpen, Stadhuis, Grote Markt 1,

eiser tot herstel,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

II en III

WOONINSPECTEUR BEVOEGD VOOR DE PROVINCIE ANTWERPEN, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert-II-laan 19, bus 22,

eiser tot herstel,

eiser,

met als raadsman mr. Veerle Tollenaere, advocaat bij de balie te Gent,

alle cassatieberoepen tegen

A. M.,

beklaagde,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 18 januari 2012.

De eiseres I.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser I.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser II-III doet zonder berusting afstand van het cassatieberoep II voor zover het bij verstek tegen de verweerder gewezen arrest aan deze nog niet was bete-kend, de gewone termijn van verzet nog niet was verstreken en het arrest geen eindbeslissing bevat in de zin van artikel 416 Wetboek van Strafvordering.

De eiser II-III voert in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens een middel aan.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 25 september 2012 ter griffie een conclusie neergelegd.

Op de openbare rechtszitting van 16 oktober 2012 heeft raadsheer Filip Van Vol-sem verslag uitgebracht en advocaat-generaal Patrick Duinslaeger geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep III

1. Krachtens artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering staat behou-dens de in het tweede lid bepaalde uitzonderingen beroep in cassatie tegen voor-bereidende arresten of arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort eerst open na het eindarrest of het eindvonnis.

Volgens artikel 359 Wetboek van Strafvordering hebben de partijen vijftien vrije dagen na de dag waarop het arrest in hun aanwezigheid is uitgesproken om ter griffie te verklaren dat zij een eis tot cassatie instellen.

2. Uit die bepalingen volgt dat een cassatieberoep tegen een bij verstek gewe-zen beslissing die vatbaar is voor verzet onontvankelijk is zolang verzet mogelijk is, regel die ook van toepassing is voor de tegenpartij van de versteklatende. De mogelijkheid van een cassatieberoep ontstaat pas na het verstrijken van de gewone verzetstermijn, wat een regelmatige betekening van de verstekbeslissing veronder-stelt. Het is daarbij zonder belang of de eiser dan wel een andere tegenpartij de verstekbeslissing liet betekenen.

3. Opdat het Hof de ontvankelijkheid van het cassatieberoep zou kunnen be-oordelen, dient het te beschikken over de stukken die het bewijs leveren van een regelmatige betekening van de verstekbeslissing aan de versteklatende partij.

4. Het staat aan de eiser om er over te waken dat indien een andere partij dan hijzelf opdracht gaf tot betekening van de verstekbeslissing, de stukken waaruit de regelmatige betekening van die beslissing blijkt, aan het dossier worden toege-voegd of tijdig ter griffie van het Hof worden neergelegd.

De enkele omstandigheid dat die partij heeft verzuimd deze stukken aan het dos-sier toe te voegen of ze tijdig neer te leggen ter griffie maakt voor de eiser geen overmacht uit.

De eiser, die zelf het initiatief had kunnen nemen tot betekening, voert niet aan dat het hem onmogelijk was na te gaan of de stukken waaruit een regelmatige betekening op vraag van een andere partij van de verstekbeslissing blijkt, aan het dossier waren toegevoegd of tijdig neergelegd ter griffie.

5. Aangezien uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat het ten aanzien van de verweerder bij verstek gewezen arrest hem werd bete-kend, is het tijdens de gewone termijn van verzet ingestelde cassatieberoep III niet ontvankelijk.

Middelen van de eiseres I.1

Eerste middel

Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: de eiseres heeft voor de appelrechters aangevoerd dat de door haar ge-leden schade bestaande in de loon- en vervoerskosten van de maatschappelijke werkers bij het ontruimen van het pand werd veroorzaakt door de fout van de verweerder; het arrest beantwoordt die aanvoering met de vaststelling dat deze kosten wegens een gebrek aan oorzakelijk verband met de in hoofde van de ver-weerder bewezen misdrijven geen schade is; het arrest stelt evenwel niet vast dat de schade zoals die zich in concreto heeft voorgedaan ook zou zijn ontstaan zon-der de in hoofde van de verweerder aangenomen fout; aldus miskent het arrest het wettelijk begrip oorzakelijk verband.

7. De rechter stelt op onaantastbare wijze de feiten vast waaruit hij het al dan niet bestaan van een oorzakelijk verband tussen fout en schade afleidt. Het Hof gaat niettemin na of de rechter zijn beslissing met betrekking tot het al dan niet bestaan van het oorzakelijk verband wettig heeft kunnen gronden op die vaststel-lingen.

8. Het arrest oordeelt dat de loon- en vervoerskosten van de maatschappelijke werkers bij het ontruimen van het pand geen schade zijn ingevolge de in hoofde van de verweerder bewezen verklaarde feiten, zodat die vordering wegens gebrek aan oorzakelijk verband moet worden afgewezen.

Met die motivering stelt het arrest niet vast dat de schade zoals die is ontstaan, zich ook zonder de fout van de verweerder zou hebben voorgedaan.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 5, eerste lid, 14 en 15 Wet Politie-ambt, de artikelen 15, § 1, eerste en vijfde lid, Vlaamse Wooncode, artikel 135, § 2, 5°, Nieuwe Gemeentewet en artikel 42, eerste lid, Wet Geïntegreerde Politie-dienst: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiseres I.1 de kosten die de Ant-werpse politiediensten naar aanleiding van de ontruiming van het pand van de verweerder hebben gemaakt, niet kan terugvorderen omdat dit optreden, naast de gerechtelijke opdracht ook een algemene veiligheidstaak betreft die ten laste van het openbaar bestuur blijft; het arrest is niet naar recht verantwoord in zoverre het oordeelt dat het optreden van de politiediensten kadert in een gerechtelijke op-dracht aangezien de bijstand die politiediensten bij een ontruimingsactie verlenen overeenkomstig de artikelen 5, 14 en 15 Wet Politieambt een handeling van ad-ministratieve politie is; het arrest is evenmin naar recht verantwoord in zoverre het oordeelt dat die bijstand een algemene veiligheidstaak betreft die ten laste van het openbaar bestuur blijft, zonder vast te stellen uit de strekking van welke wet, overeenkomst of reglement blijkt dat de gemaakte politiekosten definitief ten laste van de eiseres I.1 dienen te blijven; de artikelen 15, § 1, eerste en vijfde lid, Vlaamse Wooncode, artikel 135, § 2, 5°, Nieuwe Gemeentewet, artikel 5, eerste lid, en 14 Wet Politieambt en artikel 42 Wet Geïntegreerde Politiedienst schrijven niet voor dat de door de politiediensten gemaakte kosten inzake ontruiming van een ongeschikt of onbewoonbaar pand definitief ten laste van de overheid dienen te blijven.

10. Artikel 14, eerste lid, Wet Politieambt bepaalt dat de politiediensten bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie toezien op de handhaving van de openbare orde met inbegrip van de naleving van de politiewetten en veror-deningen, de voorkoming van misdrijven en de bescherming van personen en goederen.

Zij verlenen volgens artikel 14, tweede lid, Wet Politieambt tevens bijstand aan eenieder die in gevaar verkeert.

Artikel 15 Wet Politieambt bepaalt dat de politiediensten bij het vervullen van hun opdrachten van gerechtelijke politie als taak hebben:

1° de misdaden, de wanbedrijven en de overtredingen op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen, daarvan kennis te geven aan de bevoegde overheden, de da-ders ervan te vatten, aan te houden en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheid, op de wijze en in de vormen bepaald door de wet;

2° de personen in wier aanhouding door de wet wordt voorzien, op te sporen, te vatten, aan te houden en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden;

3° de voorwerpen waarvan de inbeslagneming voorgeschreven is, op te sporen, in beslag te nemen en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden;

4° het verslag van hun opdrachten en de inlichtingen die zij naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de bevoegde overheden te bezorgen.

Artikel 15, § 1, eerste lid, Vlaamse Wooncode bepaalt dat de burgemeester alle maatregelen neemt die hij noodzakelijk acht ter uitvoering van zijn besluit om een woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren. Volgens artikel 15, § 1, vijfde lid, Vlaamse Wooncode neemt de burgemeester eveneens de nodige maatregelen wanneer tot herhuisvesting van de bewoners moet worden overgegaan.

Artikel 42, eerste lid, Wet Geïntegreerde Politiedienst bepaalt dat voor het uitvoe-ren van haar opdrachten van bestuurlijke politie, de lokale politie onder het gezag van de burgemeester staat die haar, wat de uitvoering betreft van deze opdrachten op het grondgebied van zijn gemeente, de bevelen, onderrichtingen en richtlijnen geeft die dienaangaande noodzakelijk zijn.

11. Op grond van die bepalingen kan de burgemeester een beroep doen op de politiediensten om bijstand te verlenen bij de ontruiming van een ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning.

Een dergelijke bijstand behoort tot de opdrachten van bestuurlijke politie van de politiediensten en niet tot de opdrachten van gerechtelijke politie.

In zoverre het arrest oordeelt dat het optreden van de politiediensten bestaande in de bijstand tijdens de ontruimingsactie van 19 mei 2009, een opdracht van gerech-telijke politie uitmaakt, is het niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

12. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde wordt teruggeplaatst in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien die daad waarover hij zich beklaagde, niet was gesteld.

13. Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van artikel 1382 of 1383 Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor reke-ning moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.

14. Het staat aan de rechter te oordelen door middel van de uitlegging van de overeenkomst, de wet of het reglement of de gedane uitgaven blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, al dan niet defini-tief voor rekening moeten blijven van diegene die ze heeft moeten doen.

15. Het arrest (p. 7) oordeelt dat de kosten voor de politiebijstand bij de ontrui-mingsactie van 19 mei 2009 niet kunnen worden toegekend omdat het een alge-mene veiligheidstaak betreft die ten laste van het openbaar bestuur blijft, zonder evenwel vast te stellen uit de inhoud of de strekking van welke overeenkomst, wet of reglement blijkt dat de kosten voor de politiebijstand definitief voor rekening moeten blijven van de eiseres I.1.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

16. Het middel voert schending aan van artikel 15, § 1, zesde lid, Vlaamse Wooncode: krachtens deze bepaling kunnen de erin vermelde kosten worden ver-haald op de eigenaar indien de burgemeester overgaat tot herhuisvesting; het is daarbij niet vereist dat die herhuisvesting succesvol wordt beëindigd; het arrest stelt vast dat de door de eiseres gevorderde kosten betrekking hebben op kosten die het stads- en het politiepersoneel hebben gemaakt naar aanleiding van de ont-ruiming van het pand op 19 mei 2009, dat op het ogenblik van de ontruiming zich in het pand een huurder bevond en dat aan die huurder opvang werd aangeboden; het arrest leidt uit de omstandigheid dat de huurder de opvang weigerde en is ver-trokken met onbekende bestemming ten onrechte af dat de gevorderde kosten geen kosten zijn in de zin van artikel 15, § 1, zesde lid, 1°, Vlaamse Wooncode; door te eisen dat de herhuisvesting succesvol was, voegt het arrest aan artikel 15, § 1, zesde lid, 1°, Vlaamse Wooncode een voorwaarde toe en verantwoordt het de beslissing niet naar recht.

17. Artikel 15, § 1, zesde lid, 1°, Vlaamse Wooncode bepaalt dat in de gevallen dat de burgemeester overgaat tot herhuisvesting, de kosten om de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning te ontruimen op de eigenaar kunnen worden verhaald.

De toepassing van die bepaling vereist niet dat daadwerkelijk tot herhuisvesting van de bewoners van de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning is over-gegaan. Het volstaat dat tot ontruiming van de bedoelde woning is overgegaan en aan de bewoner de mogelijkheid van herhuisvesting is aangeboden.

18. Het arrest (p. 7) oordeelt dat:

- volgens het proces-verbaal van 19 mei 2009 zich op die datum nog één huurder in het pand bevond;

- volgens het verslag "intern woondienst" blijkt dat deze huurder weigerde naar de aangeboden opvang te gaan en hij op eigen houtje is vertrokken met onbe-kende bestemming;

- er aldus geen herhuisvesting heeft plaatsgevonden;

- deze interne nota niet aantoont dat er goederen van de huurder moesten worden vervoerd of gestockeerd.

De op die gronden gesteunde beslissing dat de kosten voor het inzetten van de maatschappelijke werkers, hun vervoerskosten en hun uurlonen geen kosten zijn in de zin van artikel 15, § 1, zesde lid, 1°, Vlaamse Wooncode is niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Middel van de eiser I.2

19. Het middel voert schending aan van artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest laat na uitspraak te doen over de vordering van de eiser in zijn appel-conclusie om op grond van artikel 20bis, § 8, Vlaamse Wooncode te worden ge-machtigd de kosten gevallen tijdens de ontruimingsactie van 19 mei 2009 te ver-halen op de verweerder.

20. De eiser heeft in zijn appelconclusie gevorderd om bij toepassing van artikel 20bis, § 8, Vlaamse Wooncode te worden gemachtigd om de kosten gevallen tij-dens de ontruimingsactie van 19 mei 2009 te verhalen op de verweerder. Het ar-rest laat na over dat punt van eisers vordering uitspraak te doen.

Het middel is gegrond.

Middel van de eiser II-III

21. Dit middel, dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassa-tieberoep III, behoeft geen antwoord.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing voor het overige

22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep II.

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het:

- de vordering van de eiseres I.1 als ongegrond afwijst;

- geen uitspraak doet over de vordering van de eiser I.2 om bij toepassing van ar-tikel 20bis, § 8, Vlaamse Wooncode te worden gemachtigd om de kosten ge-vallen tijdens de ontruimingsactie van 19 mei 2009 te verhalen op de verweer-der.

Verwerpt voor het overige de cassatieberoepen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerder tot de kosten van het cassatieberoep van de eiseres I.1.

Veroordeelt de eiser I.2 tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep en de verweerder tot het overige derde.

Veroordeelt het Vlaamse Gewest tot de kosten van de cassatieberoepen II en III.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten in het geheel op 915,71 euro waarvan de eisers I 167,76 euro verschuldigd zijn en de eiser II en III 41,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 23 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Fout

  • Schade

  • Oorzakelijk verband

  • Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter

  • Opdracht van het Hof

  • Marginale toetsing