- Arrest van 23 oktober 2012

23/10/2012 - P.12.1002.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De termijn waarbinnen de in de artikelen 47septies, § 2, derde en vierde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde bevestiging van de machtiging tot observatie bij het dossier moet worden gevoegd, is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid noch substantieel; die voeging betreft niet de naleving van de wettelijk voorgeschreven voorwaarden van het aanwenden van de bijzondere opsporingsmethode observatie, maar enkel de mogelijkheid tot controle van de regelmatigheid ervan (1). (1) Zie: Cass. 18 jan. 2005, AR P.05.0037.N, AC 2005, nr. 36.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1002.N

CONSULTING & PROSPECTION INTERNATIONAL nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Tabaksvest 95/5,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Filiep Deruyck, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 oktober 2011, 16 februari 2012 en 10 mei 2012, gewezen op verwijzing ingevolge arrest van het Hof van 7 juni 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

Bij arrest van 11 februari 2011 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling, gevat bij toepassing van de artikelen 189ter, 235bis en 235ter Wetboek van Strafvorde-ring, na kennisname van het vertrouwelijk dossier, verklaard dat:

- geen observatie in de zin van de wet werd uitgevoerd op 23 april 2003;

- geen onregelmatigheden zijn geschied wat betreft de observatie uitgevoerd op 23 september 2004;

- met betrekking tot de regelmatigheid van de procedure met betrekking tot de observatie van 23 oktober 2004 geen bijkomende onderzoekshandelingen die-nen te worden bevolen;

- de observatie van 23 oktober 2004 regelmatig is.

Op het cassatieberoep van de eiseres en een andere beklaagde heeft het Hof bij zijn arrest P.11.0494.N van 7 juni 2011 het arrest van de kamer van inbeschuldi-gingstelling van 11 februari 2011 vernietigd in zoverre het uitspraak deed over de observaties van 23 september 2004 en 23 oktober 2004, de cassatieberoepen voor het overige verworpen en de aldus beperkte zaak verwezen naar het hof van be-roep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

De bestreden arresten zijn als gevolg van deze verwijzing gewezen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest van 25 oktober 2011, dat enkel de heropening van de debatten beveelt omdat het strafdossier niet volledig is en het aangewezen voorkomt dat stukken zouden gevoegd worden, bevat geen schikkingen die de eiseres kunnen schaden.

Het cassatieberoep tegen dat arrest is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest van 10 mei 2012 stelt vast dat de machtigingen tot de grensoverschrijdende observaties van 23 september 2004 en 23 oktober 2004 geen verlengingen van een eerdere machtiging zijn, maar af-zonderlijke "gewone" machtigingen; hierdoor miskent het arrest de authentieke vaststellingen van het eerste aanvullend proces-verbaal van de opsporingsinspectie der douane en accijnzen te Antwerpen van 21 oktober 2010 en miskent het de be-wijskracht ervan.

3. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 149 Grondwet schendt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

4. Anders dan waarvan het middel uitgaat, houdt een proces-verbaal van uit-voering van een observatie, zoals bedoeld in artikel 47septies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, geen authentieke vaststelling in van de aard van de verleende machtiging tot observatie.

In zoverre faalt het middel naar recht.

5. Op grond van het geheel van onaantastbare vaststellingen die het met betrek-king tot de opeenvolgende Nederlandse rechtshulpverzoeken bevat, kon het ver-melde arrest zonder miskenning van de bewijskracht van vermeld proces-verbaal oordelen dat de in dat proces-verbaal bedoelde machtigingen geen verlenging van een bestaande machtiging uitmaken, maar wel nieuwe machtigingen zijn.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 47sexies en 47septies Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest van 10 mei 2012 oordeelt dat de voeging van de be-vestiging van het bestaan van de machtiging bepaald in artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering op een later tijdstip dan het beëindigen van de observatie als bepaald in artikel 47septies, § 2, vierde lid, van hetzelfde wetboek, rechtsgeldig is en geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid ervan noch aan het recht van verde-diging en het recht op een eerlijk proces; dergelijk bewijs is verkregen zonder de essentiële voorwaarden voor de aanwending van de bijzondere opsporingsmetho-de observatie na te leven; het gebruik daarvan is onrechtmatig en miskent steeds het recht op een eerlijk proces.

7. Artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De procureur des Konings bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot observatie."

Artikel 47septies, § 2, vierde lid, van hetzelfde wetboek bepaalt: "de in het derde lid bedoelde beslissing (wordt) uiterlijk na het beëindigen van de observatie bij het strafdossier gevoegd."

8. De termijn waarbinnen de in de vermelde bepalingen bedoelde bevestiging van de machtiging bij het dossier moet worden gevoegd, is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid noch substantieel. Die voeging tast niet de naleving van de wettelijk voorgeschreven voorwaarden van het aanwenden van de bijzondere opsporingsmethode observatie aan, maar betreft enkel de mogelijkheid tot controle van de regelmatigheid ervan.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Het niet-naleven van de in artikel 47septies, § 2, vierde lid, bepaalde termijn, levert niet steeds miskenning op van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces. Het staat aan de rechter die oordeelt over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie dat te onderzoeken op grond van de concrete gegevens van de zaak en het voor hem gevoerde verweer.

10. Op grond van de vaststellingen die het arrest over de uitgevoerde observaties bevat, konden de appelrechters oordelen dat die onregelmatigheid het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiser niet heeft geschaad.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van de artikelen 47sexies en 47septies Wet-boek van Strafvordering: het arrest van 10 mei 2012 oordeelt dat geen proces-verbaal van uitvoering van de observatie van 23 oktober 2004 werd opgesteld door een Belgische officier van gerechtelijke politie zoals bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 6°, Wetboek van Strafvordering "om reden dat er geen inzet was van een opstapper van de Belgische douane"; het voegt zodoende aan artikel 47septies, § 2, tweede lid, van dat wetboek een voorwaarde toe die er niet in voorkomt.

12. Op grond van artikel 47septies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering moet de officier van gerechtelijke politie die de leiding heeft over de uitvoering van de observatie en wiens naam en hoedanigheid op grond van artikel 47sexies, § 3, 6°, van dat wetboek vermeld zijn in de machtiging tot observatie, proces-verbaal opstellen van de verschillende fasen van de uitvoering van de observatie.

13. Zonder op dat punt te worden bekritiseerd, stelt het arrest vast dat er geen in-zet was van een opstapper van de Belgische douane en dat de uitvoering van de grensoverschrijdende observatie op 23 oktober 2004 zijn weerslag vindt in de ge-gevens verstrekt door de Nederlandse FIOD-dienst.

14. Artikel 47septies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering vereist niet dat gegevens verstrekt door een buitenlandse politiedienst die, zoals hier, een grens-overschrijdende observatie heeft uitgevoerd zonder bijstand van een Belgische of-ficier van gerechtelijke politie, moeten hernomen worden in een proces-verbaal bedoel in dat artikel.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Vierde middel

15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 47septies Wetboek van Strafvordering: het arrest van 10 mei 2012 oordeelt ten onrechte dat het proces-verbaal van de uitvoering van de observatie van 23 september 2004 voldoet aan de wettelijke voorwaarden, terwijl het slechts laattijdig, namelijk tij-dens de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling, bij het strafdossier werd gevoegd.

16. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief.

In zoverre het schending van die grondwettelijke bepaling aanvoert, faalt het mid-del naar recht.

17. Uit het antwoord op het tweede middel vloeit voort dat de vaststelling dat het proces-verbaal bedoeld in artikel 47septies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering slechts aan het dossier werd toegevoegd in de loop van de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling, niet onverenigbaar is met het oordeel dat dit proces-verbaal voldoet aan de wettelijke voorwaarden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 145,70 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 23 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem

L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Bijzondere opsporingsmethoden

  • Observatie

  • Bij het dossier te voegen stukken

  • Termijn

  • Aard

  • Doel