- Arrest van 23 oktober 2012

23/10/2012 - P.12.0300.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak houdt in dat de beslissing op de strafvordering melding maakt van de overwegingen die de rechter van de schuld of onschuld van de beklaagde hebben overtuigd en dat hij minstens de voornaamste redenen opgeeft waarom de telastlegging al dan niet bewezen werd verklaard, ongeacht of een conclusie werd ingediend; de rechter voldoet aan deze verdragsrechtelijke verplichting door vast te stellen dat de beklaagde de gegrondheid van de strafvordering niet betwist of door de concrete redenen te vermelden, zij het op beknopte wijze, die hem hebben overtuigd van zijn onschuld of schuld (1). (1) Zie: Cass. 8 juni 2011, AR P.11.0570.F, AC 2011, nr. 391.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0300.N

1. M. S.,

burgerlijke partij,

2. ETHIAS GEMEEN RECHT, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 4000 Luik, Rue des Croisiers 24,

burgerlijke partij,

eiseressen,

beide vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Sint-Denijs-Westrem, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseressen woonplaats kiezen,

tegen

J. C. R.,

beklaagde,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 januari 2012.

De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest spreekt de verweerder wegens redelijke twijfel vrij van het hem ten laste gelegde en verklaart zich op die grond onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvorde-ringen van de eiseressen, zonder daartoe enig concreet motief op te geven; door niet minstens de voornaamste redenen op te geven waarop het arrest steunt om de telastlegging niet bewezen te verklaren, miskent het arrest het recht van de eise-ressen op een eerlijke behandeling van hun zaak, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM.

2. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak houdt in dat de beslissing op de strafvordering melding maakt van de overwegingen die de rechter van de schuld of onschuld van de beklaagde hebben overtuigd en dat hij minstens de voornaamste redenen opgeeft waarom de telast-legging al dan niet bewezen werd verklaard, ongeacht of een conclusie werd inge-diend. De rechter voldoet aan deze verdragsrechtelijke verplichting door vast te stellen dat de beklaagde de gegrondheid van de strafvordering niet betwist of door de concrete redenen te vermelden, zij het op beknopte wijze, die hem hebben overtuigd van zijn onschuld of schuld.

3. Het beroepen vonnis verklaarde de verweerder schuldig aan de telastlegging weerspannigheid met de redenen dat: "In zijn eerste en enige verklaring heeft de verweerder nooit betwist dat hij zich agressief heeft gedragen tegenover de ter plaatse gekomen inspecteurs van politie. Zo heeft hij immers niet enkel toegegeven dat hij fysiek verzet heeft gepleegd tegen zijn aanhouding door met zijn voeten tegen te duwen, maar ook door met zijn armen tegen te wringen en door zich nog steeds met zijn benen te verzetten. Daarnaast heeft hij ook nog toegegeven dat hij zich tijdens het boeien meermaals heeft verzet. Betere voorbeelden van een weerspannig gedrag met geweld kunnen volgens de rechtbank niet gegeven worden. Zijn verklaring ter terechtzitting van 28 oktober 2010 dat hij zijn verklaringen in handen van de politiebeambten onder druk zou hebben ondertekend, komt zeer leugenachtig en zelfs volkomen leugenachtig over. Dit is een klassiek en manifest inhoudloos en trouwens volkomen onbewezen uitvlucht van een beklaagde waar-mee de rechtbank totaal geen enkele rekening zal houden, zeker niet omdat de verweerder tot op heden nog steeds geen enkele klacht heeft ingediend tegen de betrokken politiële ondervragers en opstellers".

4. Het arrest spreekt de verweerder vrij en verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering van de eiseressen om de enkele reden dat "het hof [van beroep] van oordeel (is) en dit ten overstaan van alle feitelijke gegevens zoals vervat in het voorliggend strafdossier in gemoede te moeten beslissen tot het bestaan van deze minst redelijke twijfel in verband met de schuld van de [verweerder] aan het hem ten laste gelegde feit (...)".

Aldus vermelden de appelrechters niet de concrete redenen, zij het op beknopte wijze, die hen hebben overtuigd van de onschuld van de verweerder en is op de vrijspraak van de verweerder gesteunde onbevoegdverklaring om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvorderingen van de eiseressen niet naar recht verant-woord.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerrechte-lijke vordering van de eiseressen tegenover de verweerder.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerder tot de kosten.

Verwijst de beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten op 146,82 euro, waarvan 116,82 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 23 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem

L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Beslissing over de schuld

  • Motiveringsplicht

  • Recht op een eerlijke behandeling van de zaak

  • Draagwijdte

  • Toepassing