- Arrest van 24 oktober 2012

24/10/2012 - P.12.1333.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, dat dient te worden uitgelegd met inachtneming van de artikelen 7 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, houdt het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven met name het recht in, voor het kind, om door zijn ouders te worden verzorgd en, voor een moeder, om niet tegen haar wil te worden gescheiden van haar kind, tenzij deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind en voor zover de maatregel, die in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures is genomen, door de rechter herzien kan worden op verzoek van met name de houders van het ouderlijk gezag waaraan aldus afbreuk is gedaan (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr ….

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1333.F

I. A. B.,

Mr. Judith Orban, advocaat bij de balie te Eupen,

II. G. R.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, jeugdkamer, van 24 mei 2012.

De eerste eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 22 oktober 2012 een conclu-sie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 24 oktober 2012 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van A. B.

Derde middel

Artikel 8 EVRM waarborgt het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsle-ven. Het staat de inmenging van het openbaar gezag in dit recht alleen toe voor zover die inmenging bij wet is bepaald en nodig is in het belang van 's lands vei-ligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de be-scherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de be-scherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rech-ten en vrijheden van anderen.

Die bepaling dient te worden uitgelegd met inachtneming van de artikelen 7 en 9 Kinderrechtenverdrag.

Aldus houdt het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven het recht in, voor het kind, om door zijn ouders te worden verzorgd en, voor een moeder, om niet tegen haar wil te worden gescheiden van haar kind, tenzij deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind en voor zover de maatregel, die in over-eenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures is geno-men, door de rechter getoetst kan worden op verzoek van met name de houders van het ouderlijk gezag waaraan aldus afbreuk is gedaan.

Krachtens de artikelen 17, § 1, 12°, en 20, § 1, 3°, van het decreet van 19 mei 2008 van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap over de Jeugdbijstand en houdende omzetting van maatregelen inzake jeugdbescherming, kan de jeugdrech-ter of de jeugdrechtbank de plaatsing van het kind bevelen bij extern gekozen pleegouders, opgeleid om de jongere een veilig leefmilieu te geven.

Artikel 17, § 2, van dat decreet bepaalt dat de jeugdrechtbank die maatregel te al-len tijde kan opheffen, hetzij van rechtswege, hetzij op verzoek van de dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand, de procureur des Konings of, via de voormelde dienst, van de betrokken ouders, van de betrokken jongere of van de betrokken begelei-dingsdienst.

Hieruit volgt dat de moeder of de vader van het kind zich niet rechtstreeks tot de jeugdrechtbank kunnen wenden om de opheffing te verkrijgen van de maatregel waarbij hun kind in een pleeggezin is geplaatst, ook al voorziet het decreet in die maatregel zonder daarvoor een specifieke duur te bepalen.

Hoewel de bescherming van de gezondheid en de goede zeden de plaatsing kun-nen verantwoorden, is de onbepaalde duur van die maatregel, die alleen begrensd wordt door de meerderjarigheid van betrokkene, met daarnaast de beperkte rechtsingang van de ouders bij de jeugdrechtbank, een inmenging die niet als noodzakelijk kan worden beschouwd voor de vrijwaring van de door artikel 8.2 van het Verdrag beschermde belangen.

Het arrest bevestigt de plaatsing van het kind tot zijn meerderjarigheid, met ande-re woorden gedurende vijftien jaar. Die beslissing werd genomen op grond van decreetsbepalingen die in strijd zijn met artikel 8 van het Verdrag, in zoverre zij het mogelijk maken dat de moeder langdurig van haar kind gescheiden wordt zonder dat zij gemachtigd is die maatregel rechtstreeks bij de jeugdrechtbank voor herziening aanhangig te maken.

Het hof van beroep schendt aldus het voormelde artikel 8.

Het middel is wat dat betreft gegrond.

Wat artikel 22 Grondwet betreft, dat eveneens door het middel wordt aan-gevoerd, is er geen grond om, in het licht van de dringende noodzakelijkheid die is ingegeven door de scheiding van moeder en kind, een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Het Hof slaat geen acht op de twee overige middelen die niet tot ruimere vernieti-ging of vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden.

B. Cassatieberoep van G. R.

Krachtens de artikelen 58 en 63bis Jeugdbeschermingswet, zijn de beslissingen van de jeugdrechtbank, gewezen inzake de maatregelen van gerechtelijke be-scherming die door de bevoegde gemeenschapsinstanties zijn uitgevaardigd, vat-baar voor hoger beroep door het openbaar ministerie en door alle in het geding be-trokken partijen.

Die partijen worden gepreciseerd in artikel 63ter, derde lid, dat bepaalt dat de dagvaarding of de uitnodiging om vrijwillig te verschijnen met het oog op een be-slissing ten gronde, op straffe van nietigheid moeten worden gericht aan de ou-ders, voogden of degenen die de jongere onder hun bewaring hebben en aan hem-zelf indien hij minstens twaalf jaar oud is, alsook aan de personen aan wie, in voorkomend geval, een vorderingsrecht is toegekend.

Het arrest somt de in het geding betrokken partijen op en vermeldt de eiseres, grootmoeder langs moederszijde van het geplaatste kind, als deel uitmakend van de leefgenoten van het kind.

Artikel 1, 3°, van het decreet van 19 mei 2008 definieert de leefgenoten als perso-nen die de omgeving van de jongere vormen, zonder dat er een verwantschaps-band moet bestaan.

De bepalingen van het decreet kennen geen vorderingsrecht toe aan de leefgeno-ten, noch aan de personen die een andere verwantschapsband met het kind hebben dan die van vader of moeder.

De eiseres kon bijgevolg niet naar recht de hoedanigheid van partij in de zaak worden toegekend.

Om soortgelijke reden is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Verwerpt het cassatieberoep van de tweede eiseres.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Veroordeelt G. R. in de kosten van haar cassatieberoep en laat de kosten van het cassatieberoep van A. B. ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik, jeugdkamer, anders samenge-steld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 24 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Maatregel van gerechtelijke bescherming

  • Artikel 8, E.V.R.M.

  • Artikelen 7 en 9 Verdrag Rechten van het Kind

  • Recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven

  • Recht van de moeder om niet tegen haar wil te worden gescheiden van haar kind

  • Scheiding moeder en kind