- Arrest van 24 oktober 2012

24/10/2012 - P.12.0805.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 37 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, kan niet worden afgeleid dat de assistenten en medewerkers van de gerechtsdeskundige, net als hijzelf, moeten ingeschreven zijn op het tableau van het Instituut van de accountants en belastingconsulenten; de hulp waarmee hij zich omringt maakt als dusdanig geen deel uit van de aan het wettelijk monopolie onderworpen activiteit van deskundige, aangezien de gerechtsdeskundige zijn taken niet delegeert (1). (1) Zie Cass. 3 mei 2005, AR P.04.1700.N, AC 2005, nr. 256.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0805.F

A. V.,

Mr. Luc Bihain, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

Mr. Adrien ABSIL, advocaat, optredend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van de naamloze vennootschap Société d'Actuariat et de Consultants.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 29 maart 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

De eiser duidt het arrest ten grieve dat het hem het bewijs oplegt dat de door hem aangevoerde omstandigheden voor gevolg hebben gehad dat de deskundige tegen hem vooringenomen kon geweest zijn of dat daarvan althans de schijn werd ge-wekt.

Om te beweren dat er een wettige reden bestaat om te vrezen voor een gebrek aan onpartijdigheid van een gerechtsdeskundige, moeten de vermoedens die een in-verdenkinggestelde beweert te hebben weliswaar in aanmerking worden genomen, maar zij mogen niet de enige maatstaf zijn. Er dient immers onderzocht te worden of de vrees van de betrokkene objectief gerechtvaardigd is.

Het arrest vermeldt dat de eiser niet het recht heeft zich te beroepen op de vroege-re samenwerking tussen hemzelf en de deskundige, die al meer dan dertien jaar was afgelopen vóór laatstgenoemde werd aangewezen in het kader van de onder-havige strafvordering. Het oordeelt dat noch die samenwerking noch het feit dat de eiser, in een andere zaak, partij was in een proces in de hoedanigheid van ge-daagde aan de zijde van die deskundige, de twijfel over de goede trouw, de intel-lectuele integriteit en de correctheid van de deskundige rechtvaardigen.

Die overwegingen schenden artikel 6.1 EVRM niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

De eiser voert aan dat de personen waarop de deskundige een beroep doet ter ver-vulling van zijn opdracht, zélf het statuut moeten hebben van externe accountants die zijn ingeschreven op de deellijst van externe accountants. Het middel voert aan dat het arrest, door die stelling af te wijzen, de artikelen 34 en 37 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen schendt.

Krachtens het voormelde artikel 37 zijn alleen de personen die zijn ingeschreven op de deellijst van externe accountants en die voorkomen op het tableau dat is vastgesteld door het Instituut van de accountants en belastingsconsulenten, ge-rechtigd zowel privé- als gerechtelijke expertise met betrekking tot de boekhoud-kundige organisatie van ondernemingen geregeld uit te voeren.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt evenwel dat die inschrijving niet vereist is voor de expertisewerkzaamheden uitgevoerd in ondergeschikt verband krachtens een arbeidsovereenkomst, die niet leiden tot een attest of een expertiseverslag be-stemd om aan derden te worden afgegeven.

Het doel van die afwijking bestaat in de mogelijkheid om de expertise die voor in-tern gebruik is besteld door een onderneming, een instelling of een natuurlijke persoon, met het oog op het beheer van zijn goederen of de uitoefening van zijn activiteiten, niet aan een externe accountant toe te vertrouwen.

Uit die bepalingen kan niet worden afgeleid dat de assistenten en medewerkers van de gerechtelijke deskundige, net als hijzelf moeten zijn ingeschreven op het bij wet bepaalde tableau.

De hulp waarmee hij zich omringt, maakt als dusdanig geen deel uit van de aan het wettelijk monopolie onderworpen activiteit van deskundige, aangezien de ge-rechtelijke deskundige zijn taken niet delegeert.

Het middel faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 24 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Ko-synsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Gerechtsdeskundige

  • Voorwaarde om als deskundige te worden aangesteld

  • Accountant

  • Assistenten en medewerkers van de deskundige

  • Inschrijving op het tableau van het Instituut van de accountants

  • Verplichting