- Arrest van 24 oktober 2012

24/10/2012 - P.12.1318.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de ondertekening van een geschrift dat rechtsgevolgen kan teweegbrengen, zoals een memorie in cassatie, blijkt dat de indiener ervan de daarbijhorende rechtsgevolgen beoogt en dat hij voor die wilsuiting de vereiste hoedanigheid heeft; de wilsuiting van de eiser is vereist, niet op de dag van de rechtszitting van het Hof, maar binnen de termijnen die bij artikel 420bis van het Wetboek van Strafvordering zijn bepaald, met name acht vrije dagen voor de rechtszitting, zodat het feit dat er op de rechtszitting een handtekening is aangebracht op een ongetekende memorie, een geschrift, dat op het ogenblik waarop het op de griffie werd neergelegd geen enkele uitwerking kon hebben, niet alsnog ontvankelijk maakt (1). (1) Zie R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Brussel, Bruylant, p. 283 met de vermelde verwijzingen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1318.F

I. F. A.,

Mr. Pascal Rodeyns, advocaat bij de balie te Luik,

II. D. D.,

Mrs. Philippe Culot, advocaat bij de balie te Luik, en Laurent Kennes, ad-vocaat bij de balie te Brussel,

III. G. W.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 27 februari 2012.

De eerste eiser voert drie middelen aan in twee memories die op 11 mei en 26 sep-tember 2012 op de griffie zijn ingekomen.

De tweede eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van F. A.

Uit de ondertekening van een geschrift dat rechtsgevolgen kan teweegbrengen, zoals een memorie in cassatie, blijkt dat de indiener ervan de daarbij horende rechtsgevolgen beoogt en dat hij voor die wilsuiting de vereiste hoedanigheid heeft.

De wilsuiting van de eiser is vereist, niet op de dag van de rechtszitting van het Hof, maar binnen de termijnen die bij artikel 420bis Wetboek van Strafvordering zijn bepaald, met name acht vrije dagen voor de rechtszitting.

Het feit dat er op de rechtszitting een handtekening is aangebracht op een ongete-kende memorie, maakt een geschrift dat op het ogenblik waarop het op de griffie werd neergelegd geen enkele uitwerking kon hebben, niet alsnog ontvankelijk.

Het Hof vermag geen acht te slaan op de middelen die de eiser heeft aangevoerd in de memorie die op 11 mei 2012 ongetekend op de griffie is ingekomen en die voor het Hof is ondertekend op 24 oktober 2012.

Het vermag evenmin acht te slaan op het stuk met als opschrift "aanvullende me-morie", dat op de griffie is ingekomen op 26 september 2012, dus buiten de ter-mijn van twee maanden die bij artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvor-dering is bepaald, aangezien de zaak op 23 juli 2012 op de algemene rol is inge-schreven.

Ambtshalve middel : schending van de artikelen 42, 3°, en 43bis, eerste lid, Straf-wetboek

Uit de artikelen 42, 3°, en 43bis, eerste lid, Strafwetboek volgt dat de rechter de bijzondere verbeurdverklaring, voor zover ze door het openbaar ministerie schrif-telijk is gevorderd, altijd kan bevelen van de vermogensvoordelen die uit het mis-drijf zijn verkregen, voor de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn ge-steld en voor de inkomsten uit die belegde voordelen.

Hoewel de rechter, wegens het facultatieve karakter van die straf, de aldus ver-beurdverklaarde bedragen tussen de veroordeelden kan verdelen, moet hij erop toezien dat het totaalbedrag van de verbeurdverklaringen niet hoger is dan het be-drag van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen.

Met bevestiging van de redenen van de eerste rechter, ramen de appelrechters de uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen forfaitair op 161.000 euro in de ene en 550.000 euro in de andere zaak.

Op schriftelijke vordering van het openbaar ministerie werd de eiser, die schuldig is verklaard aan verschillende daden van deelneming aan handel in verdovende middelen, veroordeeld tot een verbeurdverklaring van 350.000 euro, na aftrek van 2.850 euro, wat overeenstemt met de bedragen die reeds in zijn woning in beslag zijn genomen en verbeurdverklaard, te weten 347.150 euro. De overige deelne-mers werden veroordeeld tot verschillende straffen van verbeurdverklaring, voor een totaalbedrag, samen met het bedrag dat ten aanzien van de eiser is uitgespro-ken, van 1.080.000 euro.

Aangezien het aandeel van de eiser in de verbeurdverklaringen aldus geraamd werd op grond van een bedrag dat hoger is dan de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, schendt de beslissing de artikelen 43, 3° en 43bis Straf-wetboek.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

Onder voorbehoud van de hierboven toegelichte onwettigheid, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van D. D.

Middel

Met bevestiging van de redenen van de eerste rechter, ramen de appelrechters de uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen forfaitair op 161.000 euro in de ene en 550.000 euro in de andere zaak.

Op schriftelijke vordering van het openbaar ministerie werd de eiser, die schuldig is verklaard aan verschillende daden van deelneming aan handel in verdovende middelen, veroordeeld tot een verbeurdverklaring van 300.000 euro, na aftrek van 45.000 euro, wat overeenstemt met de bedragen die reeds in zijn woning in beslag zijn genomen en verbeurdverklaard, te weten 255.000 euro. De overige deelne-mers werden veroordeeld tot verschillende straffen van verbeurdverklaring, voor een totaalbedrag, samen met het bedrag dat ten aanzien van de eiser is uitgespro-ken, van 1.080.000 euro.

Om de redenen die zijn aangegeven in het ambtshalve op het cassatieberoep van de eerste eiser aangevoerde middel, schendt de beslissing de artikelen 43, 3°, en 43bis Strafwetboek.

Het middel is gegrond.

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewe-zen.

C. Cassatieberoep van G. W.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de verbeurdverklaring beveelt van driehonderdvijftigduizend euro ten aanzien van F. A. en driehonderdduizend euro ten aanzien van D. D.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eerste twee eisers tot vier vijfde van de kosten van hun cassatiebe-roep en laat het overige gedeelte van de kosten ten laste van de Staat.

Veroordeelt de derde eiser tot de kosten van zijn cassatieberoep.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 24 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Memorie

  • Vorm

  • Niet-ondertekende memorie

  • Ontvankelijkheid