- Arrest van 26 oktober 2012

26/10/2012 - C.10.0533.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van werken, gegund bij openbare of beperkte aanbesteding en voor zover minstens vier offertes werden ingediend, wordt elke offerte die minstens vijftien procent lager ligt dan het gemiddelde van de ingediende offertes beschouwd als een offerte waarvan het eventueel abnormale karakter van de prijs moet worden nagezien door de aanbestedende overheid; in dergelijk geval is de aanbestedende overheid niet noodzakelijk gehouden de inschrijver vooraf te verzoeken de nodige rechtvaardigingen te bezorgen, maar kan zij onmiddellijk beslissen de opdracht aan deze inschrijver toe te wijzen, mits formeel te motiveren waarom het bezwaar tegen het schijnbaar abnormale bedrag van de offerte wordt verworpen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0533.N

BOUWBEDRIJF VMG-DE COCK nv, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Indu-striepark-West 55,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. GEMEENTE TEMSE, vertegenwoordigd door het college van burgemees-ter en schepenen, met kantoor te 9140 Temse, Frans Boelplein 1, AC De Zaat,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweer-ster woonplaats kiest,

2. ARCHITECTENSTUDIO, MULTIPROFESSIONELE ARCHITEC-TEN-VENNOOTSCHAP bvba, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Regentie-straat 74,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 februari 2010.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 28 juni 2012 een conclusie neer-gelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert navolgend middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 36, 37, 40 en 159 gecoördineerde Grondwet;

- artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsop¬drachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten;

- artikel 110, § 3, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken (hierna afgekort KB 8 januari 1996), zoals van toepassing vóór de vervanging bij artikel 60 van het koninklijk be¬sluit van 29 september 2009 tot wijziging van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en van sommige koninklijke besluiten tot uitvoering van deze wet;

- artikel 110, § 4, van voornoemd koninklijk besluit van 8 januari 1996.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest wijst eiseres' hoger beroep af als ongegrond, bevestigt aldus de beroepen beslissing, waarbij eiseres' vordering in veroorde¬ling van eerste verweerster tot betaling van een bedrag van 30.479,70 euro, meer de intresten, wordt verworpen, en veroordeelt eiseres tot de gerechtskosten van verweersters, op volgende gronden:

"2. Blijvende betwisting betreft vooreerst de vermeende fout, volgens (eiseres) begaan door (eerste verweerster) bij de openbare aanbesteding van de op¬dracht tot renoveren van de inkom van het gemeentelijk zwembad ‘Schelde¬bad' te Temse, Kasteelstraat nr. 85 (aanbestedingsdossier goedgekeurd door de gemeenteraad van Temse in zitting van 27 februari 2006 met een kosten¬raming van 370.279,17 euro, BTW 21 % inclusief), waarbij (tweede verweer¬ster) (architect Karolien VAN HAUTE) belast werd met onder meer het ont¬werp en de medewerking bij de aanbesteding en toewijzing.

Het proces-verbaal van opening der inschrijvingen dateert van 12 april 2006 (inschrijvingen door (eiseres) 300.000,00 euro; COLLEWAERT 357.453,69 euro, LIPPENS 484.312,53 euro en PIT 268.388,08 euro).

Bij besluit van het college van burgemeester en schepenen d.d. 8 mei 2006 werden alle inschrijvingen als regelmatig beoordeeld, werd de rangschikking van de gecorrigeerde bedragen bepaald (1°/ nv PIT ANTWERPEN 272.613,14 euro, 2°/ (eiseres) 304.796,98 euro, 3°/ bvba COLLEWAERT 373.289,27 euro, 4°/ bvba BOUWKANTOOR LIPPENS 489.352,57 euro) en werd de opdracht toegewezen aan de nv PIT ANTWERPEN voor de ver¬be¬terde prijs van 272.613,14 euro + 21 % BTW zijnde 57.248,76 of in totaal 329.961,90 euro.

(Eiseres) zet uiteen dat (eerste verweerster) een fout heeft begaan waar zij, vaststellende dat de inschrijving van nv PIT méér dan 15 pct. lager was dan het gemiddelde, berekend overeenkomstig het toepasselijke artikel 110, § 4, KB overheidsopdrachten van 8 januari 1996, niet (zoals voorzien in het derde lid van deze bepaling):

- ofwel in de beslissing om de opdracht toe te wijzen, de verwerping van het bezwaar tegen het schijnbaar abnormale bedrag van de offerte formeel heeft gemo-tiveerd;

- ofwel de inschrijver heeft verzocht de nodige rechtvaardiging te bezorgen zoals voorzien in § 3 van zelfde bepaling.

(Eiseres) kan geenszins in de voormelde uiteenzetting worden gevolgd, nu dit steunt op een onjuist begrip van artikel 110, § 4, KB overheidsopdrachten van 8 januari 1996 alsook op louter eigen en onbewezen beweringen.

2.1. Artikel 110, § 4, KB overheidsopdrachten van 8 januari 1996 vereist, bij ver-vulling van de er gestelde voorwaarden (zoals in deze het geval is en wat op zich niet wordt betwist door partijen), dat het bestuur het eventueel abnormaal karakter van de prijs nakijkt.

De bedoeling van die controle op eventueel abnormale prijzen is onmisken¬baar het vermijden dat inschrijvers zich zouden verbinden tegen irrealistische prijzen, waardoor de effectieve uitvoering van de opdracht in het gedrang zou komen.

De beoordeling van het abnormaal karakter betreft een discretionaire be¬voegdheid van de overheid.

Deze discretionaire bevoegdheid van de overheid wordt volgens het voor¬melde artikel 110, § 4, derde lid ingeperkt als volgt:

2.1.1. In geval een overheid prima facie meent dat een prijs abnormaal is, moet zij de betrokken inschrijver om een rechtvaardiging vragen.

De overheid dient echter niet onmiddellijk een rechtvaardiging te vragen.

Dergelijke uitnodiging is slechts vereist als het bestuur de inschrijver wenst uit te sluiten.

Dit wordt bevestigd in het Verslag aan de Koning bij artikel 110, § 4: ‘Overeen-komstig de rechtspraak van de Raad van State, wordt de aanbestedende overheid die niet de bedoeling heeft om een inschrijver opzij te zetten, er van vrijgesteld om aan deze laatste te vragen om zijn prijs te rechtvaardigen. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat de aanbestedende overheid over elementen beschikt die haar toelaten om een rechtvaardiging op te stellen volgens de¬welke de ingediende prijs normaal is, ondanks het feit dat hij zich onder het gemiddelde bevindt van 15 pct. berekend volgens § 4. In een dergelijk geval zal de formaliteit dus niet moeten worden vervuld'.

Het standpunt van (eiseres) dat, eens in het kader van het voormelde artikel 110, § 4, de drempel van 15 pct. overschreden is, (eerste verweerster) als overheid in alle hypotheses de plicht zou hebben gehad om een rechtvaardiging te vragen vanwege de inschrijver nv PIT ANTWERPEN is aldus onjuist:

Immers, telkens de 15 pct. drempel wordt overschreden heeft de overheid de plicht om de offerte na te kijken, maar afhankelijk van het feit of zij beslist om de offerte al dan niet af te wijzen, moet zij ook al dan niet een rechtvaardiging vragen.

2.1.2. Bovendien moet de overheid volgens het voormelde artikel 110, § 4, derde lid haar gebeurlijke beslissing om de offerte te weren op grond van abnormale prijzen, motiveren.

Het kennen van de motieven betreft een substantiële waarborg in hoofde van de geweerde inschrijver wiens bezwaar tegen het schijnbaar abnormale be¬drag wordt verworpen.

Deze verplichting geldt aldus slechts zo het bestuur de inschrijver wenst uit te sluiten.

Het standpunt van (eiseres) dat, eens in het kader van het voormelde artikel 110, § 4, de drempel van 15 pct. overschreden is, (eerste verweerster) als overheid ook de plicht zou hebben gehad om in de gunningbeslissing specifiek te moti¬veren waarom dienaangaande geen rechtvaardiging werd gevraagd vanwege de inschrijver nv PIT ANTWERPEN, is aldus evenzeer onjuist:

Waar de overheid de offerte niet afwijst, moet zij (zoals hoger overwogen) aan de inschrijver geen rechtvaardiging vragen. Waar de inschrijver niet om recht-vaardiging werd gevraagd aangaande het schijnbaar abnormale bedrag van de offerte, liet deze ook geen bezwaar dienaangaande gelden dat al dan niet kon worden verworpen door de overheid. Er kan aldus geen sprake zijn van enige door de overheid te geven motivering dienaangaande.

2.2. Uit het aanbestedingsverslag VTG 09/1-97 en 2-97 (dossier (eiseres), stuk 8) blijkt dat (eerste verweerster), vaststellende dat er 4 inschrijvers waren en dat nv PIT ANTWERPEN als laagste inschrijver effectief ook 15 % afweek van de gemiddelde inschrijvingsprijs, in toepassing van artikel 110, § 3 en 4 van het KB overheidsopdrachten van 8 januari 1996 daadwerkelijk een onder¬zoek heeft gevoerd naar de eenheidsprijzen en de totaalprijzen en hierbij ook specifiek aandacht heeft gehad voor eventuele abnormale prijzen.

Blijkens het ingevulde formulier is (eerste verweerster) daarbij tot de vaststel¬ling gekomen dat er voor alle inschrijvers geen sprake was van blijkbaar ab¬normale eenheidsprijzen en/of deeltotalen (bij elke inschrijver werd ‘nihil' ver¬meld bij dit onderdeel).

Waar aldus uit de voormelde formulieren blijkt, in tegenstelling tot hetgeen (ei¬seres) poogt voor te houden, dat (eerste verweerster) wel degelijk, zoals ver¬eist door artikel 110, § 4, K.B. overheidsopdrachten van 8 januari 1996, bij vervul¬ling van de er gestelde voorwaarden, het eventueel abnormaal karakter van de prijs heeft nagekeken, weze opgemerkt dat dienaangaande niet verder voor¬zien is op welke wijze dit nazicht concreet moet geschieden.

Er bestaat geen algemene richtlijn:

Het bestuur kan bij de beoordeling het eventueel abnormaal karakter van de prijs aldus uitgaan van de prijs waarmee een aannemer na aftrek van al zijn kosten, een redelijke winstmarge overhoudt; het bestuur handelt desbetref¬fende naar eigen inzichten en mogelijkheden; zo kan het bestuur perfect oor¬delen dat de opgegeven prijs realistisch en uitvoerbaar is op basis van de ra¬ming, op basis van de eenheidsprijzen van verschillende offertes, op basis van eigen ervaring uit andere opdrachten.

2.3. De voormelde discretionaire beslissingsbevoegdheid in hoofde van (eer¬ste verweerster) als bestuur geeft haar een aanzienlijke beoordelingsvrijheid die de redelijkheid tot grens heeft:

Immers, de inschrijvers (waaronder (eiseres)) kunnen hun appreciatie over het al dan niet abnormaal karakter van de prijzen niet in de plaats stellen van het bestuur en evenmin de rechter kan dit.

Er is inderdaad slechts een marginale toetsing mogelijk en de beslissing kan slechts worden aangevochten voor zover ze kennelijk onredelijk zou zijn.

Dit laatste wordt nergens aannemelijk gemaakt, laat staan op enige wijze be¬wezen:

2.3.1. Integendeel, uit de voorliggende stukken, in het bijzonder het voormelde aanbestedingsverslag (dossier (eiseres), stuk 8) blijkt dat het inschrijvingsbe¬drag van nv PIT ANTWERPEN (268.388,08 euro) en ook het gecorrigeerde bestelbedrag na nazicht van de offertes (272.613,14 euro) dicht de eigen ra¬ming van (eerste verweerster) benaderden (zijnde 266.100,00 euro).

Zelfde gegevens vertonen slechts een geringe overschrijding van de 15 pct. grens zoals bedoeld in artikel 110, § 4, KB overheidsopdrachten van 8 januari 1996.

Het proces-verbaal van oplevering met inbegrip van de afrekening toont bo¬vendien aan dat nv PIT ANTWERPEN ook daadwerkelijk de opdracht voor die prijs heeft uitgevoerd (dossier (eiseres), stuk 20).

Er kan in dit verband niet ernstig voorgehouden worden dat de betreffende be-slissing van (eerste verweerster) kennelijk onredelijk zou zijn.

2.3.2. Hetzelfde geldt wat betreft de eenheidsprijzen:

Het voormelde aanbestedingsverslag toont aan dat voor de posten 27.14 en 27.34 (structuurelementen in staal) (waarvan door (eiseres) wordt voorgehou¬den dat nv PIT ANTWERPEN voor abnormale prijzen zou hebben ingeschre¬ven) gelijkaardige eenheidsprijzen werden opgegeven door de andere inschrij¬ver bvba BOUWKANTOOR LIPPENS (artikel 27.14: voor PIT 3,630 euro, voor LIPPENS 3,710 euro; artikel 27.34: voor PIT 4,970 euro, voor LIPPENS 4,380 euro). De 2 overige inschrijvers hebben daarentegen voor deze posten zeer uiteenlopende (hoge) prijzen opgegeven (artikel 27.14: voor (eiseres) 20,00 euro, voor COLLEWAERT 32,00 euro; artikel 27.34: voor (eiseres) 21,00 euro, voor COLLE-WAERT 36,00 euro).

Uit de offerteprijzen van de 4 inschrijvingen blijkt aldus dat de eenheidsprijzen voor die 2 posten zeer uiteenlopend waren.

Rekening houdende met het feit dat er ook een tweede inschrijver gelijkaar¬dige eenheidsprijzen als nv PIT ANTWERPEN heeft aangeboden, was de beslissing van (eerste verweerster) om de eenheidsprijzen van nv PIT ANT¬WERPEN niet als abnormaal te beschouwen niet kennelijk onredelijk noch getuigde die beslissing van willekeur of machtsafwending".

2.4. Er kan in de gegeven omstandigheden geenszins besloten worden tot enige fout of tekortkoming vanwege (eerste verweerster) met betrekking tot de verplichtingen inzake de regelmatigheid van de prijzen zoals voorzien artikel 110, § 4, K.B. overheidsopdrachten van 8 januari 1996, noch enige kennelijke onre¬delijkheid, willekeur of machtsafwending bij de discretionaire beoordeling als overheid van het al dan niet abnormaal karakter van de prijzen.

2.5. Door (eiseres) wordt in het voormelde kader van de door haar beweerde abnormale prijzen, tevens de bewering herhaald dat (eerste verweerster) onterecht nv PIT ANTWERPEN zou hebben toegelaten m.b.t. het onderdeel 27 ‘structuur-elementen in staal' tot niet bestekconform materiaal.

(Eiseres) beweert dat de nv PIT ANTWERPEN geen prijs zou hebben opgegeven voor roestvrij staal bestand tegen chloordampen (staalsoort AISI 316), zoals specifiek voorgeschreven door het bestek.

Deze niet-conformiteit zou volgens (eiseres) de nietigheid van de offerte tot gevolg hebben en zou, gezien de omvang van de post, een beslissende invloed hebben op de rangschikking.

Ook dit standpunt van (eiseres) kan geenszins worden gevolgd.

Uit het proces-verbaal van voorlopige oplevering d.d. 16 augustus 2007 (dossier (eiseres), stuk 20), in het bijzonder de bijgevoegde ‘verklaring omtrent de voorlopige oplevering van inoxstructuur' blijkt, in tegenstelling tot hetgeen (eiseres) poogt voor te houden, geenszins dat er sprake zou zijn van niet bestekconform ma-teriaal.

Integendeel: er wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat er een oppervlakteverontreiniging aanwezig is op de door nv PIT ANTWERPEN geplaatste inoxstructuur van de lift, te wijten aan een niet correcte manipulatie van de inox tijdens de behandeling (niet correct scheiden van staal en inox tijdens de behandeling van het materiaal).

Het door de ontwerper dienaangaande gevraagde advies aan Benoît VAN HECKE (technisch directeur van de firma EURO INOX) (dossier (eerste verweerster), stuk 7) bevestigt duidelijk dat er geen sprake is van verkeerde materiaalselectie, alleen van een gebrek aan ‘hygiëne' bij de fabricage.

Het betreft blijkbaar een probleem, niet te wijten aan verkeerd materiaal doch wél aan een behandelingsfout, dat d.m.v. zuiveren definitief opgelost kan/zal worden. Daartoe heeft aannemer nv PIT ANTWERPEN zich ook verbonden, wat inmiddels kennelijk ook zou zijn gebeurd (voorgelegde foto's, dossier (eerste verweerster), stukken 8).

De beweringen van (eiseres) worden door deze gegevens ten volle tegengesproken, gegevens die door deze geenszins worden weerlegd, laat staan dat enig tegenbewijs dienaangaande wordt geleverd.

Er is geen enkele grond om aan te nemen dat (door middel van abnormale prijsopgave) een van het bestek afwijkende materiaalkeuze zou zijn gedaan door nv PIT ANTWERPEN, die ondertussen trouwens de werken heeft uitgevoerd conform het bestek en de gegeven prijsvorming.

De ondergeschikte vraag tot een gerechtsdeskundig onderzoek desbetreffende, is in de gegeven omstandigheden irrelevant en ongegrond.

Nergens blijkt ook in die zin enige fout en/of verzuim vanwege (eerste verweerster), laat staan dat op enige wijze zou blijken dat zij bij de kwestieuze gunning de gelijkheid tussen de inschrijvers zou hebben geschonden.

Het oordeel van de eerste rechter is dan ook in die zin te bevestigen.

...

3. Waar de grieven en middelen inzake een vermeende fout in hoofde van het opdrachtgevend bestuur (eerste verweerster) falen, is de nadere beoordeling van hetgeen betreffende het vermeende causaal verband en de vermeende schade wordt aangevoerd, niet dienend.

De initiële vordering gericht tegen (eerste verweerster) blijft in de gegeven om-standigheden ongegrond.

Het oordeel van de eerste rechter is in die zin te bevestigen.

5. Alle anders luidende conclusies worden verworpen als ongegrond, niet die¬nend en/of irrelevant (arrest pp. 2-9).

Grieven

Eerste onderdeel

1. Overeenkomstig artikel 159 gecoördineerde Grondwet, naar luid waarvan de hoven en rechtbanken de besluiten en verordeningen alleen toepassen in zover zij met de wetten overeenstemmen, heeft de rechter de bevoegdheid en de plicht de interne en externe wettigheid van elke admini¬stratieve handeling te onderzoeken waarop een vordering, verweer of exceptie is gegrond.

2. Artikel 110, § 4, koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, bepaalt:

"In het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van wer¬ken, gegund bij openbare of beperkte aanbesteding en voor zover minstens vier offertes werden ingediend, wordt bovendien elke offerte waarvan het be¬drag minstens vijftien pct. onder het gemiddelde bedrag van de door gegadig¬den ingediende offertes ligt, beschouwd als een offerte waarvan het eventueel abnormale ka¬rakter van de prijs moet nagezien worden door de aanbeste¬dende overheid.

Het in het eerste lid beschouwde gemiddelde wordt als volgt bere¬kend:

1° indien het aantal offertes gelijk is aan of groter is dan zeven, met uitsluiting van de laagste offerte en - tezelfdertijd - onder de hoogste offertes van een deel dat een vierde van het geheel van de ingediende offertes vertegenwoor¬digt. Indien dit aantal niet deelbaar is door vier, wordt dat vierde deel naar de hogere eenheid afgerond;

2° indien het aantal offertes lager ligt dan zeven, met uitsluiting van de laagste en van de hoogste offerte.

Voor een offerte waarbij het eventueel abnormaal karakter van het bedrag dient nagezien te worden in de zin van deze paragraaf, moet de aan¬bestedende overheid:

1° ofwel in de beslissing om de opdracht toe te wijzen, de verwerping van het bezwaar tegen het schijnbaar abnormale bedrag van de offerte formeel moti¬veren;

2° ofwel de inschrijver verzoeken de nodige rechtvaardigingen, zoals voorzien in § 3, te bezorgen. Indien na onderzoek van deze rechtvaardigingen blijkt dat het bedrag van de offerte abnormaal is of bij gebrek aan rechtvaardigingen binnen de opgelegde termijn, moet de aanbestedende overheid, in afwijking van § 2, de offerte als onregelmatig beschouwen en bijgevolg als van rechts¬wege nietig".

Op grond van deze voorschriften is de aanbestedende overheid die beslist om de prijs van een aannemer die minstens onder 15 pct. van het gemiddelde ligt, niet als abnormaal te beschouwen, en die om geen rechtvaardiging aan de inschrijver verzoekt, ertoe gehouden in haar toewijzingsbeslis¬sing formeel het normale karakter van de ingediende prijs te motiveren door zich te steunen op de rechtvaardigingen in artikel 110, § 3, ko¬ninklijk besluit van 8 januari 1996 -m.n. objectieve factoren steunend op de zuinigheid van het bouw- of produktieprocédé of van de dienstverlening, of op de gekozen technische oplossingen, of op uitzonderlijk gunstige omstandighe¬den waarvan de inschrijver kan profiteren voor de uitvoering van de opdracht of op de originaliteit van het product, het ontwerp of het werk dat de inschrijver aanbiedt - of op andere objectieve rechtvaardigingen door de aanbe-stedende overheid naar voren geschoven.

De formele motiveringsplicht betekent dat de beslissing uitdruk¬kelijk dient te worden gemotiveerd, en op afdoende wijze de juridische en fei¬telijke overwegingen dient te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Hierbij mag alleen rekening worden gehouden met de juridische en feitelijke overwegingen die in de beslissing zelf zijn opgenomen of in andere stukken, waarnaar in de beslissing wordt verwezen, waarvan de betrokkene voorafgaandelijk in kennis werd gesteld, en waarvan vaststaat dat ze aan de beslissende overheid kunnen worden toegeschreven. Met motieven die a posteriori, in het kader van een gerechtelijke procedure, worden opgegeven, kan dan ook geen rekening worden gehouden.

De "verwerping van het bezwaar tegen het schijnbaar abnor¬male bedrag van de offerte", waarvan melding in artikel 110, § 4, derde lid, 1°, koninklijk besluit van 8 januari 1996, doelt op het "wettelijk be¬zwaar" in artikel 110, § 4, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, dat er eventueel sprake is van een abnormale prijs wanneer het bedrag van de offerte minstens vijftien procent onder het gemiddelde bedrag van de door ge¬gadigden ingediende offertes ligt. Het "bezwaar" is geenszins een bezwaar dat door het bestuur of een inschrijver zou gemaakt zijn, maar een wettelijk ver¬moeden van eventueel een abnormale prijs, dat het bestuur verplicht tot ge¬motiveerd nazicht.

3. Eiseres wees in conclusie voor de appelrechters op de onwet¬tigheid van de gunningsbeslissing nu eerste verweerster, ondanks de omstan¬digheid dat de prijs van de nv PIT Antwerpen meer dan 15 pct. lager was dan het gemiddelde berekend overeenkomstig artikel 110, § 4, koninklijk besluit van 8 januari 1996, had nagelaten ofwel in de beslissing om de op¬dracht toe te wijzen, "de verwerping van het bezwaar tegen het schijnbaar ab¬normale bedrag van de offerte" formeel te motiveren, ofwel de nv PIT Ant¬werpen te verzoeken de nodige rechtvaardigingen, zoals voorzien in artikel 110, § 3, koninklijk besluit van 8 januari 1996 te bezorgen ("synthese¬conclusie in hoger beroep" eiseres, neergelegd 9 oktober 2009, p. 4, sub 2.2).

Het bestreden arrest stelt vast dat de litigieuze opdracht, na openbare aanbesteding, door eerste verweerster werd toegewezen aan de nv PIT Antwerpen, dat de inschrijving van de nv PIT Antwerpen meer dan 15 pct. lager was dan het gemiddelde berekend overeenkomstig artikel 110, § 4, koninklijk besluit van 8 januari 1996, dat eerste verweerster, overeen¬komstig artikel 110, § 4, koninklijk besluit van 8 januari 1996, de ver¬plichting had het eventueel abnormaal karakter van de prijs van de nv PIT Antwerpen na te gaan, doch niet verplicht was rechtvaardiging te vragen aan deze inschrijver, nu zij de inschrijving geenszins weerde.

Het bestreden arrest oordeelt dat de formele motiveringsplicht, opgelegd door artikel 110, § 4, derde lid, koninklijk besluit van 8 januari 1996 slechts geldt zo het bestuur de inschrijver wenst uit te sluiten wegens abnormale prijzen, en niet geldt wanneer het bestuur, zoals te dezen, "eventu¬eel abnormale prijzen" in de zin van artikel 110, § 4, eerste en tweede lid, van hetzelfde besluit, als normaal aanmerkt. De appelrechter beslist immers: "Waar de inschrijver niet om rechtvaardiging werd gevraagd aangaande het schijnbaar abnormale bedrag van de offerte, liet deze ook geen bezwaar dien¬aangaande gelden dat al dan niet kon worden verworpen door de overheid. Er kan aldus geen sprake zijn van enige door de overheid te geven motivering dienaangaande" (arrest p. 4, onderaan en p. 5, bovenaan).

Aldus oordeelt het bestreden arrest ten onrechte dat "het be¬zwaar" waarvan melding in artikel 110, § 4, derde lid, 1°, koninklijk be¬sluit van 8 januari 1996, doelt op "een bezwaar" van de inschrijver tegen het mogelijk als abnormaal weerhouden van zijn prijs, en niet op het bezwaar door de wetgever zelf opgeworpen tegen de prijs die minstens 15% onder het gemiddelde bedrag van de door de gegadigden ingediende offertes ligt.

4. Door aldus het toepassingsgebied van de door artikel 110, § 4, derde lid, 1°, koninklijk besluit van 8 januari 1996 opgelegde verplich¬ting tot het formeel motiveren van "de verwerping van het bezwaar tegen het schijnbaar abnormale bedrag van de offerte" in de beslissing de opdracht toe te wijzen, te beperken, en de litigieuze beslissing van eerste verweerster de prijs van de nv PIT Antwerpen als normaal te beschouwen en geen verant¬woording te vragen aan de nv PIT Antwerpen, van de formele motiverings¬plicht uit te sluiten, miskent het bestreden arrest artikel 159 gecoördi¬neerde Grondwet, en artikel 110, § 3 en § 4, koninklijk besluit van 8 ja¬nuari 1996, in de versie zoals aangegeven in de aanhef van het middel.

De enkele door het bestreden arrest weerhouden omstandigheid dat eerste verweerster "het eventueel abnormaal karakter" van de prijzen heeft nagekeken, nu eerste verweerster blijkens het aanbestedingsverslag bij elke inschrijver voor het onderdeel abnormale eenheidsprijzen en/of deeltota¬len, "nihil" vermeldde, liet in ieder geval niet toe te besluiten dat eerste ver¬weerster in overeenstemming met het voorschrift van artikel 110, § 4, koninklijk besluit van 8 januari 1996 handelde, nu hieruit niet blijkt dat, over¬eenkomstig de door artikel 110, § 4, derde lid, 1°, koninklijk besluit van 8 januari 1996 opgelegde formele motiveringsplicht, ook de redenen op grond waarvan inzonderheid de prijs van de nv PIT Antwerpen door eerste ver¬weerster als normaal werd beschouwd, op afdoende wijze in de gunningsbe¬slissing werden vermeld (schending van artikel 159 gecoördineerde Grondwet, en artikel 110, § 3 en § 4, koninklijk besluit van 8 januari 1996, in de versie zoals aangegeven in de aanhef van het middel).

Het bestreden arrest kon dienvolgens niet wettig eiseres' aan¬spraken op de forfaitaire schadevergoeding, voorzien in artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige op¬drachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, gelijk aan 10 pct. van haar offertebedrag, ver-werpen (schending van dezelfde bepalingen, evenals artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de over¬heidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leve¬ringen en diensten).

Tweede onderdeel

5. Artikel 110, § 4, koninklijk besluit van 8 januari 1996 heeft de draagwijdte weergegeven in het eerste onderdeel en hier uitdrukkelijk als hernomen aanzien.

Overeenkomstig artikel 159 gecoördineerde Grondwet, naar luid waarvan de hoven en rechtbanken de besluiten en verordeningen alleen toepassen in zover zij met de wetten overeenstemmen, heeft de rechter de bevoegdheid en de plicht de interne en externe wettigheid van elke admini¬stratieve handeling te onderzoeken waarop een vordering, verweer of exceptie is gegrond.

De rechter moet aldus nagaan of de beslissing een "eventueel abnormale prijs" in de zin van artikel 110, § 4, eerste en tweede lid, koninklijk besluit van 8 januari 1996, niet als abnormaal te beschouwen, overeenkomstig artikel 110, § 4, derde lid, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit in de gunningsbeslissing formeel gemotiveerd is. De motiveringsplicht betekent dat de beslissing uitdrukkelijk dient te worden gemotiveerd, en op afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen dient te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Hierbij mag alleen rekening worden gehouden met de juridische en feitelijke overwegingen die in de beslissing zelf zijn opge¬nomen of in andere stukken, waarnaar in de beslissing wordt verwezen, waar¬van de betrokkene voorafgaandelijk in kennis werd gesteld, en waarvan vast¬staat dat ze aan de beslissende overheid kunnen worden toegeschreven. Met motieven die a posteriori, in het kader van een gerechtelijke procedure, wor¬den opgegeven, kan dan ook geen rekening worden gehouden, nu hiervan niet blijkt dat zij effectief tot verantwoording van de genomen beslissing heb¬ben gediend.

6. Rekening houdende met de door de rechter krachtens het be¬ginsel der scheiding der machten, zoals vervat in de artikelen 36, 37 en 40 gecoördineerde Grondwet, te eerbiedigen appreciatiebevoegdheid van het bestuur, kan de rechter niet zelf het al dan niet normaal karakter van de gebo¬den prijs bepalen, doch kan hij slechts marginaal de redelijkheid van de be¬slissing van het bestuur een prijs als normaal te beschouwen ondanks het vermoeden van artikel 110, § 4, eerste lid, koninklijk besluit van 8 ja¬nuari 1996, beoordelen.

De beoordeling van de kennelijke (on)redelijkheid dient in de eer¬ste plaats te gebeuren op grond van de door het bestuur gegeven verantwoor¬ding van de beslissing. Bij afwezigheid van een eigen verantwoording door het bestuur van zijn beslissing, kan de redelijkheid van de genomen beslissing niet worden beoordeeld, nu deze beoordeling een onderzoek naar de redelijke verhouding tussen motieven en inhoud van de beslissing impliceert.

7. Het bestreden arrest oordeelt dat "niet ernstig (kan) voorgehou¬den worden" dat de beslissing van eerste verweerster de prijs van de nv PIT Antwerpen als normaal te beschouwen, kennelijk onredelijk is.

Het steunt deze beslissing op de overwegingen dat de kennelijke onredelijkheid "nergens aannemelijk (wordt) gemaakt, laat staan op enige wijze bewezen (wordt)", dat uit het aanbestedingsverslag blijkt dat het inschrij¬vingsbedrag en het gecorrigeerde bestelbedrag "dicht de eigen raming van (eerste verweerster) benaderden", dat deze gegevens "slechts een geringe overschrijding" van de 15 pct. grens vertonen, en dat het proces-verbaal van oplevering en de afrekening aantonen "dat de nv PIT Antwerpen ook daad¬werkelijk de opdracht voor die prijs heeft uitgevoerd".

Op grond van deze vaststellingen en overwegingen kon het be¬streden arrest niet wettig de kennelijke onredelijkheid van de beslissing be¬oordelen.

Vooreerst vereist een beoordeling van de redelijkheid van de be¬slissing in de eerste plaats dat de motieven die daadwerkelijk aan de grond¬slag van de beslissing liggen, worden bepaald. Bij afwezigheid van eerbiedi¬ging van de formele motiveringsplicht, toegelicht in het eerste onderdeel en hier als uitdrukkelijk hernomen aanzien, kunnen de motieven die effectief aan de grondslag van de beslissing liggen, niet met zekerheid worden bepaald, en is ook de rechterlijke controle op de redelijkheid van de beslissing uitgesloten. De afwezigheid van motieven van de bestuurshandeling moet doen besluiten tot de onwettigheid ervan ingevolgde de onmogelijkheid de redelijkheid van de beslissing te toetsen.

Vervolgens staat het niet aan de rechter de bestreden bestuurs¬handeling te motiveren, doch dienen de motieven die het bestuur zelf, daad¬werkelijk, ten tijde van de litigieuze beslissing, ter verantwoording van de be¬streden beslissing heeft ingeroepen, door de rechter op hun redelijkheid te worden beoordeeld.

Door derhalve de kennelijke onredelijkheid van de litigieuze be¬slissing de prijs van de nv PIT Antwerpen niet als abnormaal te beschouwen te beoordelen, zonder vast te stellen welke motieven door eerste verweer¬ster zelf, ten tijde van de litigieuze beslissing, ter verantwoording werden inge¬roepen, door zelf naar een mogelijke verantwoording van de beslissing in het aanbestedingsverslag op zoek te gaan, en door feiten post factum, m.n. de wijze van uitvoering van de opdracht, als verantwoording te weerhouden, is de beslissing niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 36, 37, 40 en 159 gecoördineerde Grondwet en artikel 110, § 3 en § 4, ko¬ninklijk besluit van 8 januari 1996, in de versie zoals aangegeven in de aanhef van het middel).

Het bestreden arrest kon dienvolgens niet wettig eiseres' aan¬spraken op de forfaitaire schadevergoeding voorzien in artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige op¬drachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, gelijk aan 10 pct. van haar offertebedrag, verwerpen (schending van dezelfde bepalingen, evenals artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de over¬heidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leve¬ringen en diensten).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Ontvankelijkheid van het middel in zijn geheel

1. De tweede verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat de eiseres krachtens artikel 15 Overheidsopdrachtenwet 1993 slechts aanspraak kan maken op de forfaitaire schadeloosstelling van 10 pct. voor zover de opdracht haar niet werd toegekend, alhoewel zij de laagste regelmatige offerte indiende. Uit de beslissing van de appelrechters dat de eerste verweerster in redelijkheid tot de beslissing kon komen dat PIT Antwerpen nv de laagste regelmatige offerte in-diende, vloeit voort dat de eiseres niet de laagste regelmatige inschrijver was en derhalve geen recht had op voormelde schadeloosstelling, zodat het middel, ook al was het gegrond, niet kan leiden tot cassatie.

2. De door artikel 110, § 4, derde lid, 1°, KB Overheidsopdrachten voorge-schreven formele motivering van de afwijzing van het bezwaar tegen het schijn-baar abnormale bedrag van de offerte, vooraleer tot de toewijzing ervan aan de in-schrijver over te gaan zonder hem vooraf te verzoeken de nodige rechtvaardigin-gen te bezorgen, is een substantieel vormvoorschrift, waarvan de aangevoerde niet-naleving de onwettigheid van de betrokken bestuurshandeling tot gevolg heeft.

Het oordeel van de appelrechter over de noodzaak al dan niet te motiveren is niet te scheiden van dit over de regelmatigheid van de toewijzing, zodat de aangevoer-de schending van voornoemd artikel 110, § 4, derde lid, 1°, van aard is tot algehe-le cassatie te leiden.

De grond van niet-ontvankelijkheid van het middel moet worden verworpen.

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

3. De eerste verweerster voert aan dat het eerste onderdeel niet ontvankelijk is omdat de artikelen 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen niet als ge-schonden wettelijke bepalingen worden aangewezen.

4. De grief steunt op de aangevoerde schending van de formele motiverings-plicht, waarvan sprake in artikel 110, § 4, derde lid, 1°, KB Overheidsopdrachten, dat als geschonden wordt aangewezen.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

5. De eerste verweerster voert tevens aan dat het eerste onderdeel, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is omdat de appelrechter beslist dat de opdracht te-recht werd toevertrouwd aan PIT Antwerpen nv, die de laagst regelmatig bevon-den offerte indiende.

6. De grond van niet-ontvankelijkheid dient om de reden vermeld onder r.o. 2 eveneens te worden verworpen.

Gegrondheid

7. Krachtens artikel 110, § 4, eerste lid, KB Overheidsopdrachten wordt, in het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van werken, gegund bij openba-re of beperkte aanbesteding en voor zover minstens vier offertes werden inge-diend, bovendien elke offerte waarvan het bedrag minstens vijftien pct. onder het gemiddelde bedrag van de door gegadigden ingediende offertes ligt, beschouwd als een offerte waarvan het eventuele abnormale karakter van de prijs moet nage-zien worden door de aanbestedende overheid.

Krachtens artikel 110, § 4, derde lid, van dit besluit, moet de aanbestedende over-heid, voor een offerte waarbij het eventueel abnormale karakter van het bedrag

dient nagezien te worden in de zin van deze paragraaf:

1° ofwel in de beslissing om de opdracht toe te wijzen, de verwerping van het bezwaar tegen het schijnbaar abnormale bedrag van de offerte formeel motive-ren;

2° ofwel de inschrijver verzoeken de nodige rechtvaardigingen, zoals voorzien in § 3, te bezorgen. Indien na onderzoek van deze rechtvaardigingen blijkt dat het bedrag van de offerte abnormaal is of bij gebrek aan rechtvaardigingen bin-nen de opgelegde termijn, moet de aanbestedende overheid, in afwijking van § 2, de offerte als onregelmatig beschouwen en bijgevolg als van rechtswege nie-tig.

8. Uit deze bepalingen volgt dat, in het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van werken, gegund bij openbare of beperkte aanbesteding en voor zover minstens vier offertes werden ingediend, elke offerte die minstens vijftien pct. lager ligt dan het gemiddelde van de ingediende offertes wordt beschouwd als een offerte waarvan het eventueel abnormale karakter van de prijs moet worden nagezien door de aanbestedende overheid en dat de aanbestedende overheid in dergelijk geval niet noodzakelijk gehouden is de inschrijver vooraf te verzoeken de nodige rechtvaardigingen te bezorgen, maar onmiddellijk kan beslissen de opdracht aan deze inschrijver toe te wijzen, mits formeel te motiveren waarom het bezwaar tegen het schijnbaar abnormale bedrag van de offerte wordt verworpen.

9. De appelrechter, die oordeelt dat de overheid, die de offerte toewijst on-danks de overschrijding van de drempel van 15 pct. en zonder de inschrijver om rechtvaardiging te vragen aangaande het schijnbaar abnormale bedrag van de of-ferte, niet tot motivering gehouden was, schendt het artikel 110, § 4, derde lid, KB Overheidsopdrachten.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren

Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 26 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky G. Jocqué K. Mestdagh

A. Smetryns B. Deconinck E. Stassijns

Vrije woorden

  • Offerte

  • Prijs

  • Abnormaal karakter

  • Aanbestedende overheid

  • Nazicht

  • Gevolg

  • Toewijzing