- Arrest van 30 oktober 2012

30/10/2012 - P.12.1194.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wettelijke herhaling betreft de persoonlijke toestand van de beklaagde die hem in een minder gunstige toestand brengt dan de beklaagde die voor het eerst een misdrijf heeft gepleegd; de staat van herhaling heeft immers onder meer voor gevolg dat de veroordeelde overeenkomstig artikel 25, §2, b, Wet Strafuitvoering, later in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling; hieruit volgt dat wanneer de rechter in zijn beslissing de staat van wettelijke herhaling niet vaststelt, die vaststelling in de procedure op de tegen die beslissing ingestelde rechtsmiddelen een verzwaring van zijn toestand inhoudt, indien dezelfde straf wordt uitgesproken (1). (1) Het O.M. wees in zijn conclusie op het feit dat de rechtspraak van het Hof over de vraag of het vaststellen van de staat van wettelijke herhaling door de strafrechter kan worden beschouwd als een verzwaring van de toestand van de beklaagde, op dat punt niet eenduidig is. Volgens sommige arresten (Cass. 30 juni 2004, AR P.04.0784.F, AC 2004, nr. 367; Cass. 17 sept. 2008, AR P.08.1242.F, AC 2008, nr. 482) is er strafverzwaring, volgens andere niet (Cass. 12 mei 1998, AR P.98.0485.N, AC 1998, nr. 246). Het O.M. meende dat, wanneer zoals te dezen, op verzet en/of in hoger beroep dezelfde straf wordt opgelegd als deze uitgesproken bij verstek en/of in eerste aanleg, de vaststelling van de staat van wettelijke herhaling door het vonnisgerecht geen strafverzwaring uitmaakt. De gevolgen van de staat van wettelijke herhaling voor wat de strafuitvoering betreft, vloeien voort uit de wet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1194.N

C B,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Bruno Dayez en mr. Dimitri de Béco, advocaten bij de ba-lie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 30 mei 2012.

De eiser voert in een memorie, die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 187 en 188 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eiser de feiten vanaf 24 februari 2010 gepleegd heeft in staat van wettelijke herhaling; aldus verzwaart het arrest eisers toestand, wat het niet vermag te doen daar het openbaar ministerie tegen het von-nis bij verstek van 14 februari 2011 geen hoger beroep heeft ingesteld en eisers toestand op het door hem ingestelde rechtsmiddel niet kan worden verzwaard.

2. De wettelijke herhaling betreft de persoonlijke toestand van de beklaagde die hem in een minder gunstige toestand brengt dan de beklaagde die voor het eerst een misdrijf heeft gepleegd. De staat van herhaling heeft immers onder meer voor gevolg dat de veroordeelde overeenkomstig artikel 25, § 2, b, Wet Strafuit-voering, later in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling.

3. Hieruit volgt dat wanneer de rechter in zijn beslissing de staat van wettelijke herhaling niet vaststelt, die vaststelling in de procedure op de tegen die beslissing ingestelde rechtsmiddelen een verzwaring van zijn toestand inhoudt, indien de-zelfde straf wordt uitgesproken.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eiser bij vonnis bij verstek van 14 februari 2011 wegens de hem ten laste ge-legde feiten tot straf werd veroordeeld zonder dat werd vastgesteld dat hij die feiten gepleegd heeft in staat van wettelijke herhaling;

- het openbaar ministerie tegen dat verstekvonnis geen hoger beroep heeft inge-steld.

5. Op het verzet en, vervolgens, het hoger beroep van de eiser kon het arrest bijgevolg de toestand van de eiser niet verzwaren.

6. Het arrest stelt vast dat de eiser de feiten vanaf 24 februari 2010 gepleegd heeft in staat van wettelijke herhaling en bevestigt de eerder uitgesproken straf. Aldus verzwaart het arrest eisers toestand en is de beslissing niet naar recht ver-antwoord.

Het middel is gegrond.

Overige middelen

7. De middelen kunnen niet leiden tot ruimere cassatie noch tot cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord.

Omvang van de cassatie

8. De onwettigheid van de beslissing over de wettelijke herhaling tast de wet-tigheid van de beslissing over de schuld niet aan.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering voor het overige

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het vaststelt dat de eiser de feiten vanaf 24 februari 2010 gepleegd heeft in staat van wettelijke herhaling en de eiser tot straf, een bijdrage aan het Slachtofferfonds en tot kosten veroordeelt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten op 175,07 euro.

F. Adriaensen

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem

L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 30 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bij-stand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Vaststelling van staat van wettelijke herhaling