- Arrest van 30 oktober 2012

30/10/2012 - P.12.0332.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 195, tweede en vierde lid, Wetboek van Strafvordering geldt zowel ten aanzien van het verval van het recht tot het besturen van een voertuig als ten aanzien van de beslissing het herstel in het recht tot het besturen van een voertuig afhankelijk te stellen van het slagen in het theoretisch en praktisch examen, alsmede in het geneeskundig en psychologisch onderzoek (1); ze vereisen evenwel geen afzonderlijke motivering voor de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat (2). (1) Cass. 6 okt. 1998, AR P.97.1060.N, AC 1998, nr. 431. (2) Cass. 5 juni 2007, AR P.06.1655.N, AC 2007, nr. 306.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0332.N

B K,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout,

tegen

1. F R,

burgerlijke partij,

2. E S,

burgerlijke partij,

3. K V,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Hasselt van 8 december 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wet-boek van Strafvordering en artikel 38, § 1, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis legt aan de eiser een verval van het recht tot het besturen van alle motorvoertuigen op, zonder het bestaan vast te stellen van de omstandigheid bepaald in artikel 38, § 1, 2°, Wegverkeerswet; het motiveert bovendien deze facultatieve straf enkel door verwijzing naar de feiten; de verwijzing naar de zwaarwichtigheid en de maatschappelijke laakbaarheid van de bewezen verklaarde feiten, naar de profes-sionele en sociale leefsituatie van de eiser en naar zijn blanco strafrechtelijk ver-leden wordt enkel in rekening gebracht voor het bepalen van de duur van het ver-val; het bestreden vonnis motiveert de beslissing het herstel in het recht tot het be-sturen van een voertuig afhankelijk te stellen van het slagen in het theoretisch en praktisch examen, alsmede in het geneeskundig en psychologisch onderzoek eveneens uitsluitend door te verwijzen naar de aard van de bewezen verklaarde feiten; aldus vermeldt het bestreden vonnis niet nauwkeurig de redenen waarom het deze facultatieve straf en maatregel oplegt.

2. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser voor een verkeersongeval dat aan zijn persoonlijk toedoen te wijten is en wegens onopzettelijke doding (telastleg-ging A) en verwonding (telastlegging B). Het stelt aldus het bestaan van de om-standigheid bepaald in artikel 38, § 1, 2°, Wegverkeerswet vast.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

3. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Het vonnis vermeldt nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling laat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat van elke uitgesproken straf of maatregel. (...) ".

Artikel 195, vierde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt verder: "Het tweede lid is niet van toepassing wanneer de rechtbank uitspraak doet in graad van be-roep, behalve wanneer zij een verval van het recht tot het besturen van een voer-tuig, een luchtschip en het geleiden van een rijdier uitspreekt."

Deze bepalingen gelden zowel ten aanzien van het verval van het recht tot het be-sturen van een voertuig als ten aanzien van de beslissing het herstel in het recht tot het besturen van een voertuig afhankelijk te stellen van het slagen in het theore-tisch en praktisch examen, alsmede in het geneeskundig en psychologisch onder-zoek.

Ze vereisen evenwel geen afzonderlijke motivering voor de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat.

4. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de motivering met betrekking tot de duur van het opgelegde verval van het recht tot het besturen van een voertuig ook niet de motivering kan vormen voor het uitgesproken verval, faalt het naar recht.

5. Door eensdeels te verwijzen naar de aard van de bewezen verklaarde feiten en anderdeels te oordelen dat het verval van het recht tot het besturen van een mo-torvoertuig voor een periode van drie maanden wordt opgelegd, rekening houdend met de zwaarwichtigheid en de maatschappelijke laakbaarheid van de bewezen verklaarde feiten, met de professionele en sociale leefsituatie van de eiser en met zijn blanco strafrechtelijk verleden, motiveert het bestreden vonnis regelmatig het aan de eiser opgelegde verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

6. Het bestreden vonnis motiveert de beslissing om het herstel in het recht tot het besturen van een voertuig afhankelijk te stellen van het slagen in het theore-tisch en praktisch examen, alsmede in het geneeskundig en psychologisch onder-zoek, niet op een nauwkeurige wijze door alleen te verwijzen naar de aard van de feiten.

Het schendt aldus artikel 195, tweede en vierde lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre is het middel gegrond.

Tweede middel

Eerste onderdeel

7. Het middel voert schending aan van artikel 3, eerste lid, Probatiewet: het bestreden vonnis wijst de door de eiser gevraagde opschorting af met de overwe-ging dat "de opschorting van de uitspraak van de veroordeling een buitengewone gunst is met een uitzonderlijk karakter en er ertoe strekt te voorkomen dat een veroordelende maatregel, buiten haar normalerwijze te voorziene gevolgen en/of door de eraan verbonden publiciteit, voor [de eiser] een onevenredige sociaal-economische declassering zou meebrengen"; aldus voegen de appelrechters een voorwaarde tot het gelasten van de opschorting toe, die artikel 3, eerste lid, Proba-tiewet niet bevat.

8. De opschorting beoogt de reclassering van de veroordeelde te bevorderen of zijn declassering te voorkomen. Door de sociaal-economische declassering van de eiser als gevolg van de veroordeling en de aard van de bewezen verklaarde feiten onderling af te wegen om eisers verzoek tot opschorting te verwerpen, voegen de appelrechters geen voorwaarde toe aan de door artikel 3, eerste lid, Probatiewet bepaalde voorwaarden, maar motiveren zij hun beslissing tot verwerping van eisers verzoek.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 3 en 8 Probatiewet: het bestreden vonnis verwerpt eisers verzoek om een eventueel rijverbod met uitstel op te leggen met de enkele verwijzing naar de concrete omstandigheden; aldus antwoordt het bestreden vonnis niet op de door de eiser ter ondersteuning van zijn verzoek aangevoerde motieven; de door het bestreden vonnis aangehaalde omstandigheden worden niet geconcretiseerd en het besteedt geen aandacht aan eisers argumenten inzake zijn arbeidssituatie en zijn noodzakelijke professionele verplaatsingen.

10. Het bestreden vonnis oordeelt niet alleen zoals in het onderdeel aangegeven.

Het oordeelt ook dat het verval van het recht tot het besturen van een motorvoer-tuig voor een periode van drie maanden wordt opgelegd, rekening houdend met de zwaarwichtigheid en de maatschappelijke laakbaarheid van de bewezen verklaarde feiten, met de professionele en sociale leefsituatie van de eiser en met zijn blanco strafrechtelijk verleden, om vervolgens onder verwijzing naar deze concrete omstandigheden eisers verzoek tot uitstel van de tenuitvoerlegging van het opgelegde verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig te verwerpen.

11. Aldus beantwoordt het bestreden vonnis de door de eiser ter ondersteuning van zijn verzoek aangevoerde argumenten inzake zijn arbeidssituatie en zijn noodzakelijke professionele verplaatsingen en motiveert het regelmatig de beslis-sing geen uitstel van het verval van het recht tot het besturen van een voertuig te verlenen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het beslist om het herstel in het recht tot het besturen van een voertuig afhankelijk te stellen van het slagen in het theore-tisch en praktisch examen, alsmede in het geneeskundig en psychologisch onder-zoek.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigd vonnis.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten en laat het overige ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Tongeren, rechtszitting houdend in hoger beroep.

Bepaalt de kosten op 215 euro.

F. Adriaensen

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem

L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 30 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bij-stand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Verval van het recht tot het besturen van een voertuig

  • Herstel in het recht tot het besturen van een voertuig

  • Slagen in het theoretisch en praktisch examen

  • Slagen in het geneeskundig en psychologisch onderzoek

  • Motivering door de strafrechter