- Arrest van 30 oktober 2012

30/10/2012 - P.12.0423.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 163, vierde lid, Wetboek van Strafvordering belet de rechter niet om, wanneer hij in geval van aangetoonde precaire financiële toestand beslist een geldboete beneden het wettelijk minimum uit te spreken, een politiestraf op te leggen voor een inbreuk strafbaar gesteld met een correctionele straf; het feit dat artikel 85 Strafwetboek niet van toepassing is op de misdrijven bepaald in de artikelen 30 en 33 Wegverkeerswet, doet hieraan geen afbreuk (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0423.N

I

D P O R,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Tom Van Bockstaele, advocaat bij de balie te Oudenaarde,

tegen

Y B,

burgerlijke partij,

verweerder.

II

PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE OUDENAARDE,

eiser,

tegen

D P O R,

beklaagde,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correcti-onele rechtbank te Oudenaarde van 17 februari 2012.

De eiser I voert in een memorie, die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser II voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft op 24 augustus 2012 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de geschriften

1. Het geschrift ter griffie per fax ontvangen op 29 oktober 2012 bevat geen authentieke handtekening en is niet ontvankelijk.

2. Een geschrift neergelegd in antwoord op de conclusie van het openbaar mi-nisterie kan geen nieuw middel noch een toelichting bevatten van het middel dat in een tijdig neergelegde memorie is aangevoerd.

Het geschrift ter rechtszitting van 30 oktober 2012 neergelegd, bevat dergelijke toelichting en is ingediend buiten de termijn bepaald in artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering .

Dat geschrift is niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser I

3. Het bestreden vonnis bevestigt het beroepen vonnis dat de eiser I veroor-deelt tot de betaling van een voorschot aan de verweerder en voor het overige een medische deskundige aanstelt. Het bestreden vonnis verwijst de zaak naar de eer-ste rechter voor de afhandeling van de burgerlijke rechtsvordering.

Aldus bevat het bestreden vonnis geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser II

4. Het middel voert schending aan van artikel 163, vierde lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 29, § 4, 30, § 1, 1°, en § 4, en 33, § 1, 1° en § 2, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser voor de telastleggin-gen B (inbreuk op artikel 33, § 1, 1°, en § 2 Wegverkeerswet) en D (inbreuk op artikel 30, § 1, 1°, en § 4, Wegverkeerswet), telkens tot, onder meer, een geldboete van 20 euro vermeerderd met de opdeciemen, dit is een politiestraf; de vermelde wetsbepaling laat niet toe een wanbedrijf te contraventionaliseren (eerste on-derdeel); contraventionaliseren is enkel mogelijk mits toepassing van artikel 85 Strafwetboek dat hier niet van toepassing is (tweede onderdeel).

5. Artikel 163, vierde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De rechter kan de geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum van de boete indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst".

6. Deze bepaling belet de rechter niet om, wanneer hij ingeval van aangetoonde precaire financiële toestand beslist een geldboete beneden het wettelijk minimum uit te spreken, een politiestraf op te leggen voor een inbreuk strafbaar gesteld met een correctionele straf. Het feit dat artikel 85 Strafwetboek niet van toepassing is op de misdrijven bepaald in de artikelen 30 en 33 Wegverkeerswet, doet hieraan geen afbreuk.

Het middel dat in zijn beide onderdelen uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Derde middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 21, vierde lid, Voorafgaande Ti-tel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 418 en 420 Strafwetboek en de arti-kelen 1, 2, § 1, eerste lid, 22 en 24 WAM-wet 89: voor de telastleggingen A (on-opzettelijke slagen en verwondingen bij een verkeersongeval) en C (het in het verkeer brengen van een voertuig zonder geldige burgerlijke-aansprakelijkheidsverzekering) spreekt het bestreden vonnis telkens een politie-straf uit; deze aldus gecontraventionaliseerde misdrijven waren op het ogenblik van de uitspraak van het bestreden vonnis verjaard.

8. Met bevestiging van het beroepen vonnis past het bestreden vonnis artikel 163, vierde lid, Wetboek van Strafvordering toe en veroordeelt het de verweerder II, eensdeels, voor de telastlegging A, anderdeels, voor de telastleggingen C en E samen, telkens onder meer tot een geldboete van 20 euro, vermeerderd met de op-deciemen. Aldus spreekt het bestreden vonnis voor die telastleggingen telkens een politiestraf uit.

9. De aard van het misdrijf wordt bepaald door de uitgesproken straf. Hieruit volgt dat wanneer de rechter met toepassing van artikel 163 Wetboek van Straf-vordering beslist dat slechts een geldboete beneden het wettelijk minimum van de boete moet worden opgelegd, waarvan het door hem bepaalde bedrag meebrengt dat hij een politiestraf uitspreekt, het misdrijf waarvoor die straf wordt opgelegd een overtreding is.

10. Overeenkomstig artikel 21, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, is de verjaringstermijn één jaar wanneer een wanbedrijf wordt omgezet in een overtreding.

11. Overeenkomstig artikel 5 van de wet van 21 juni 1985 betreffende de tech-nische eisen, is de bijzondere verjaringstermijn van de strafvordering voor de te-lastlegging E vijf jaar. Die verjaringstermijn blijft bestaan wanneer dat misdrijf is gecontraventionaliseerd.

12. Ook al spreekt het bestreden vonnis voor de telastleggingen C en E samen, een politiestraf uit, is deze straf naar recht verantwoord wegens de telastlegging E welke op het ogenblik van de uitspraak niet verjaard was.

In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

13. Geen enkele wetsbepaling voorziet in een afwijkende of bijzondere verja-ringstermijn voor het misdrijf bepaald in de artikelen 418 en 420 Strafwetboek. Wanneer de rechter voor dat misdrijf overeenkomstig artikel 163, vierde lid, Wet-boek van Strafvordering, een straf uitspreekt die een politiestraf is, dan is over-eenkomstig artikel 21, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de verjaringstermijn van één jaar van toepassing.

14. Het feit van de telastlegging A situeert zich op 22 januari 2007. De laatste nuttige stuitingsdatum is de dagvaarding om voor de politierechtbank te verschij-nen betekend op 27 oktober 2007. De verjaring was geschorst gedurende de bui-tengewone termijn van verzet, dit is van 4 april 2008 tot 29 december 2009, datum vanaf welke de verjaringstermijn nog gedurende 206 dagen voortliep. Op de dag van de uitspraak van het bestreden vonnis, was de verjaring voor die telastlegging bijgevolg ingetreden. Aldus is de beslissing over de strafvordering wegens de te-lastlegging A niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Eerste middel van de eiser II

15. Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging, behoeft het middel geen ant-woord.

Middel van de eiser I

16. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastlegging A (onopzette-lijke slagen en verwondingen bij een verkeersongeval); het stelt niet vast welke de fout is die de eiser heeft gepleegd noch het oorzakelijk verband tussen die fout en de aanrijding; aldus is het bestreden vonnis gebrekkig gemotiveerd.

17. Het bestreden vonnis (p. 5) stelt vast dat de verweerder de bestuurder van het hem aanrijdend voertuig heeft aangemaand te stoppen om hem aan te spreken over zijn rijgedrag en dat die bestuurder niet vertraagde, maar hem ter hoogte van de linkerpols aanreed met de linkerbuitenspiegel. Verder vermeldt het bestreden vonnis (p. 8) de feitelijke gegevens waaruit het afleidt dat de eiser de bestuurder was van het aanrijdend voertuig.

18. Met het geheel van die redenen geeft het bestreden vonnis te kennen dat het gebrek aan voorzorg en voorzichtigheid dat de eiser wordt verweten erin bestaat dat, alhoewel hij door de verweerder werd aangemaand te stoppen, hij niet ver-traagde maar, integendeel, met zijn linkerbuitenspiegel de verweerder ter hoogte van zijn linkerpols aanreed. Aldus geeft het bestreden vonnis met betrekking tot de tegen de eiser ingestelde burgerlijke rechtsvordering, de redenen aan waarom het de eiser aansprakelijk stelt voor de betwiste aanrijding.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering voor het overige

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het met betrekking tot de telastleg-ging A uitspraak doet over de tegen de verweerder II ingestelde strafvordering.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Verwerpt het cassatieberoep van de eiser I en het cassatieberoep van de eiser II voor het overige.

Veroordeelt de eiser I tot de kosten van zijn cassatieberoep en laat de kosten van het cassatieberoep II ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Dendermonde, zitting houdende in hoger beroep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 298,45 euro waarvan op het cassatieberoep I 59,48 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 238,97 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 30 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bij-stand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem

L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Verzachtende omstandigheden

  • Precaire financiële toestand van overtreder