- Arrest van 31 oktober 2012

31/10/2012 - P.12.1686.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling om de nieuwe kwalificatie van de feiten over te nemen die de vervolgende partij heeft voorgesteld, door ze met een verzwarende omstandigheid aan te vullen, is niet in strijd met het verzuim te verwijzen naar de wetsbepaling waarin de verzwarende omstandigheid waarmee de telastlegging dient te worden aangevuld, strafbaar wordt gesteld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1686.N

E. S.,

Mr. Ricardo Bruno, advocaat bij de balie te Charleroi.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Uit de vaststellingen van de kamer van inbeschuldigingstelling blijkt dat tegen de eiser een bevel tot aanhouding is uitgevaardigd wegens eenvoudige slagen toege-bracht aan zijn vriendin en dat het openbaar ministerie gevorderd heeft dat die te-lastlegging aangevuld zou worden met de omstandigheid dat de slagen of ver-wondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hadden.

Het arrest vermeldt dat er ten aanzien van de eiser ernstige aanwijzingen van schuld bestaan betreffende de feiten waarvoor tegen hem een bevel tot aan-houding is uitgevaardigd, "die zijn aangevuld zoals hierboven gezegd".

De kamer van inbeschuldigingstelling bevestigt aldus de nieuwe kwalificatie die de vervolgende partij heeft voorgesteld. Die beslissing is niet in strijd met het ver-zuim om te verwijzen naar artikel 399, eerste lid, Strafwetboek, waarin de verzwa-rende omstandigheid waarmee de telastlegging aangevuld dient te worden, straf-baar wordt gesteld.

Het middel mist feitelijke grondslag.

(...)

Derde middel

(...)

Derde onderdeel

De eiser stelt dat het niet aan de kamer van inbeschuldigingstelling staat om op definitieve en onherroepelijke wijze de juiste omschrijving van de feiten te bepa-len.

Uit artikel 23, 3°, van de wet van 20 juli 1990 blijkt evenwel dat, wanneer het ge-rechtelijk onderzoek een nieuw gegeven aan het licht brengt waardoor het feit an-ders kan worden omschreven, het onderzoeksgerecht de kwalificatie kan en moet wijzigen. Het onderzoeksgerecht moet de werkelijkheid immers zo dicht mogelijk benaderen, aangezien de wet stereotiepe motiveringen wil vermijden.

Door te vermelden dat de deskundige, na een nieuw onderzoek van het slachtof-fer, een nieuw verslag zal moeten indienen betreffende haar medische toestand en door te vermelden dat die termijn nodig is om de feiten correct te omschrijven, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling voldaan aan de voormelde wettelijke verplichting, zonder dat zij daarbij de prerogatieven van de feitenrechter heeft aangetast, aangezien laatstgenoemde niet gebonden is door haar beslissing.

Het arrest beslist dat de redelijke termijn niet overschreden is en wijst daarbij, zowel met eigen redenen als met overneming van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie, op het feit dat het hier een bevel tot aanhouding betreft dat op 13 juni 2012 is uitgevaardigd wegens slagen, met de omstandigheid dat het slachtoffer de vriendin van de verdachte is, dat de telastlegging moet aangevuld worden met de omstandigheid dat het geweld een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg zou hebben gehad, dat het ge-rechtelijk onderzoek moet worden voortgezet om te bepalen of die ongeschiktheid al dan niet blijvend is, dat het gerechtelijk verleden van de inverdenkinggestelde, zijn agressieve reacties en het door het slachtoffer opgelopen trauma wijzen op een neiging tot geweld die kan doen vrezen dat hij, indien hij in vrijheid wordt ge-steld, nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen.

Met die overwegingen die antwoorden op de conclusie van de eiser, besluiten de appelrechters naar recht dat er een werkelijke vereiste van openbaar belang blijft bestaan die een afwijking op de regel van de eerbiediging van de vrijheid van de persoon rechtvaardigt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

Het arrest wordt verweten dat het erop wijst dat de inverdenkinggestelde de ernst van de feiten zoveel mogelijk heeft geminimaliseerd toen hij door de procureur des Konings en de onderzoeksrechter werd verhoord, waarbij hij zelfs het slacht-offer verantwoordelijk heeft gesteld voor de feiten.

Het onderzoeksgerecht legt de inverdenkinggestelde, wiens hechtenis het hand-haaft, geen enkele straf op. De vermelding waarop kritiek wordt uitgeoefend kan bijgevolg niet worden beschouwd als een bestraffing van zijn verweer. In het ar-rest komt zij alleen voor als een omstandigheid die eigen is aan de persoonlijkheid van de eiser en die, volgens de kamer van inbeschuldigingstelling, de handhaving van de hechtenis volstrekt noodzakelijk maakt voor de openbare veiligheid.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 31 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Ko-synsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Openbaar ministerie

  • Vordering tot aanvulling van de telastlegging met een verzwarende omstandigheid

  • Arrest

  • Beslissing die de nieuwe kwalificatie overneemt

  • Verzuim om de wetsbepaling te vermelden die de verzwarende omstandigheid strafbaar stelt