- Arrest van 5 november 2012

05/11/2012 - C.10.0514.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De brandverzekeraar die de echtgenoten heeft vergoed die onverdeelde eigenaars zijn van een gebouw dat vernield werd door het vuur veroorzaakt door een gebrek aan het motorvoertuig waarvan slechts één der echtgenoten eigenaar en bewaarder was, treedt ten aanzien van de verzekeraar van de verplichte aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen van het voertuig in de rechten die de niet-aansprakelijke echtgenoot heeft uit de door de andere echtgenoot gesloten overeenkomst (1). (1) Art. 41 van de wet van 25 juni 1992, zoals van kracht vóór de aanvulling ervan in het derde lid, bij de wet van 28 juli 2006.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0514.F

AXA BELGIUM nv,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. ALLIANZ BELGIUM nv,

2. AVERO SCHADEVERGOEDING BENELUX, vennootschap naar Neder-lands recht,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 6 januari 2010.

De zaak is bij beschikking van 16 oktober 2012 door de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan die luiden als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 1250, 1°, van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 1, B, 3, 41 (zoals van kracht vóór de aanvulling van het derde lid bij de wet van 28 juli 2006), 51 en 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Aangevochten beslissingen

Het arrest heeft de volgende feiten vastgesteld:

Het echtpaar M.-G., gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, waren onverdeelde eigenaars van een pand te Merchtem dat zij bij de twee verweersters hadden laten verzekeren tegen brand; mevrouw G. was eigenaar van een rijtuig dat zij bij de eiseres voor burgerlijke aansprakelijkheid had laten verzekeren; toen mevrouw G. op 6 december 2002 dat rijtuig in de garage van het voornoemde pand wilde starten heeft het rijtuig vuur gevat dat zich in het gebouw heeft verbreid; de verweersters hebben het echtpaar M.-G. slechts voor een deel van de schade vergoed omdat de inhoud ervan onderverzekerd was; volgens de in kortgeding aangewezen automobieldeskundige vertoonde de elektrische installatie van het rijtuig een gebrek; het echtpaar M.-G. en de verweersters hebben respectievelijk de eiseres gedagvaard, het echtpaar voor het herstel van de geleden schade die door de verweersters niet was gedekt en de verweersters voor de terugbetaling van het bedrag dat zij aan het echtpaar hadden uitgekeerd.

Het arrest heeft vervolgens beslist dat het rijtuig van mevrouw G. een gebrek vertoonde dat de schade had veroorzaakt; dat die wagen uitsluitend onder bewaring van laatstgenoemde stond en niet onder de gezamenlijke bewaring van het echtpaar; dat mevrouw G. aansprakelijk is voor de schade in haar hoedanigheid van bewaarder van dat voertuig terwijl mijnheer M. niet aansprakelijk is; dat mevrouw G., krachtens artikel 7, a), van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen enkel de vergoeding mag eisen van de schade waarvoor zij zelf aansprakelijk is; dat mijnheer M. daarentegen krachtens artikel 7, b), van de modelovereenkomst van de eiseres het herstel van zijn stoffelijke schade kan vorderen, zijnde het deel van zijn schade die door de verweersters niet vergoed wordt, aangezien de door hem ingestelde aansprakelijkheidsvordering berust op het gebrek van het rijtuig waarvan hij de bewaring niet had; dat de verweersters, die het echtpaar M.-G. gedeeltelijk vergoed hebben en subrogerende kwijtschriften overleggen, bijgevolg van de eiseres slechts de helft van de schadevergoeding kunnen recupereren die zij aan het echtpaar M.-G. hebben betaald, met uitzonde-ring van de terugbetaling van de schadevergoeding betreffende het deel van mevrouw G. in het geteisterde gebouw en de inhoud ervan aangezien mevrouw G. de verweersters niet kan doen treden in een recht dat zij tegen de verweersters niet heeft.

Het arrest veroordeelt ten slotte de eiseres tot betaling aan de verweersters van respectievelijk 136.948,85 euro en 45.649,62 euro, te vermeerderen met de interesten tegen de wettelijke rentevoet vanaf de dag van de uitbetalingen, en veroordeelt de eiseres in drie vierde van de kosten van de verweersters.

Het arrest motiveert die beslissing als volgt:

"Artikel 41 van de nieuwe wet van 25 juni 1992 bepaalt dat de verzekeraar die de schadevergoeding betaald heeft, ten belope van het bedrag van die vergoeding in de rechten en rechtsvorderingen treedt van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden"; "door de kwijtschriften van de door (de verweersters) aan het echtpaar M.-G. betaalde vergoedingen treden zij inderdaad ten belope van het verschuldigde bedrag in de rechten van hun vergoede verzekerden"; "in principe kunnen (de verweersters) van (de eiseres) de terugbetaling vorderen van de helft (...) van de schadevergoeding die ze aan hun verzekerden, M.-G., hebben betaald, zijnde het deel waarin zij in de rechten op vergoeding van de heer M. treden".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

Luidens artikel 1, B, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst wordt onder verzekerde bij een schadeverzekering, degene verstaan die door de verzekering gedekt is tegen vermogensschade. Krachtens artikel 51 van voornoemde wet, beoogt elke schadeverzekering de vergoeding van schade. Artikel 41, eerste lid, van die wet bepaalt in het hoofdstuk met als opschrift "Bepalingen eigen aan de verzekeringen tot vergoeding van schade" dat de verzekeraar die de schadevergoeding betaald heeft, ten belope van het bedrag van die vergoeding in de rechten en rechtsvorderingen treedt van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden.

Uit die bepalingen volgt dat de persoon die een brandverzekering afsluit voor een gebouw waarvan hij eigenaar of mede-eigenaar is om zich tegen vermogensschade ten gevolge van brand waarvoor hij al dan niet aansprakelijk zou zijn te dekken, een verzekerde is in de zin van de voornoemde artikelen 1, B, en 41, eerste lid. Die persoon kan in het licht van de door hem onderschreven vergoedende verzekeringsovereenkomst niet beschouwd worden als een aansprakelijke "derde" in de zin van voornoemd artikel 41, eerste lid. Zo een brandverzekering door meerdere personen is afgesloten of de verzekeraar een vergoeding heeft uitbetaald aan ieder van zijn verzekerden, kan de verzekeraar niet beweren dat hij in de rechten is getreden die één van zijn verzekerden zou hebben tegen een andere verzekerde door laatstgenoemde als aansprakelijke derde te kwalificeren. Dat geldt eveneens als die andere verzekerde, die verondersteld wordt aansprakelijk te zijn voor de schade, een BA-verzekering heeft afgesloten bij een andere verzekeraar.

Artikel 41, vijfde lid, van de wet van 25 juni 1992 bepaalt weliswaar dat de verzekeraar evenwel verhaal kan uitoefenen op die personen, voor zover hun aansprakelijkheid daadwerkelijk door een verzekeringsovereenkomst is gedekt. De aangehaalde woorden "die personen" hebben echter betrekking op de personen die in het vierde lid van datzelfde artikel zijn vermeld naar luid waarvan de verzekeraar geen verhaal heeft op de bloedverwanten in de rechte opgaande of nederdalende lijn, de echtgenoot en de aanverwanten in de rechte lijn van de verzekerde, noch op de bij hem inwonende personen, zijn gasten en zijn huispersoneel, behoudens kwaad opzet. De personen op wie de verzekeraar eventueel een verhaal mag uitoefenen in geval van kwaad opzet zijn luidens de voornoemde bepalingen dus niet de verzekerden zelf, maar hun naasten.

Volgens artikel 41, van de wet van 25 juni 1992 mag de brandrisicoverzekeraar geen subrogatoir verhaal uitoefenen noch tegen zijn vermeende aansprakelijke verzekerde, ook al heeft die een BA-verzekering bij een andere verzekeraar afgesloten, noch tegen die andere verzekeraar. Artikel 86, eerste en tweede lid, van die wet, bepaalt weliswaar in het hoofdstuk over de aansprakelijkheidsverze-keringen, dat de verzekering de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar geeft. De verzekeraar moet de verschuldigde vergoeding betalen aan de benadeelde met uitsluiting van de andere schuldeisers. Toch is het de bedoeling van de wetgever de regeling voor schadegevallen te vereenvoudigen door aan de benadeelde het recht te verlenen om een rechtstreekse vordering in te stellen en die persoon op een andere manier te beschermen tegen het onvermogen van de verzekerde dan via het voorrecht als bepaald bij artikel 20, 9°, van de hypotheekwet, namelijk het voorrecht op de vergoeding die de BA-verzekeraar verschuldigd is op grond van de verzekeringsovereenkomst. Dat eigen recht dat artikel 86 toekent aan de benadeelde tegen de BA-verzekeraar kan slechts door een brandverzekeraar worden uitgeoefend als die kan aanvoeren dat hij in de rechten van de benadeelde is getreden, wat niet het geval kan zijn als laatstgenoemde zijn verzekerde is.

Artikel 1250, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, betreffende de indeplaatsstelling bij overeenkomst, staat overigens niet toe dat de brandverzekeraar die verzekeringsvergoedingen aan zijn verzekerden heeft betaald bij overeenkomst in de rechten treedt van één van zijn verzekerden tegen een andere verzekerde of tegen de BA-verzekeraar van laatstgenoemde, artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 ten spijt. Luidens artikel 3 van die wet zijn de bepalingen van die wet immers van dwingend recht, tenzij uit de bewoordingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten om ervan af te wijken door bijzondere bedingen. Maar artikel 41 van de wet staat niet toe dat wordt afgeweken van de regel dat de verzekeraar enkel in de rechten kan treden tegen "derden" die aansprakelijk zijn voor de schade en niet tegen de verzekerden.

Het arrest dat beslist dat de verweersters subrogatoir verhaal kunnen uitoefenen tegen de eiseres, zijnde de BA-verzekeraar van mevrouw G., omwille van de vergoedingen die aan de heer M. zijn betaald, terwijl mevrouw G., zelfs als zij aansprakelijk was voor de schade, ten aanzien van de verweersters, de hoedanigheid van verzekerde had en niet van derde, verantwoordt bijgevolg zijn beslissing niet naar recht, ongeacht of dat verhaal steunt op artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 of op artikel 1250, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (schending van alle in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Luidens artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzeke-ringsovereenkomst treedt de verzekeraar die de schadevergoeding betaald heeft in de rechten en rechtsvorderingen van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden ten belope van het bedrag van die vergoeding.

Het arrest stelt vast dat het echtpaar M.-G., gehuwd onder het stelsel van schei-ding van goederen, onverdeelde eigenaars waren van een pand dat zij bij de ver-weersters tegen brand hadden laten verzekeren en dat het pand vuur heeft gevat door een gebrek aan het rijtuig waarvan alleen mevrouw G. eigenaar was en de bewaring had, en laatstgenoemde met de eiseres een overeenkomst had afgesloten om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken voor dat rijtuig.

Het oordeelt, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, dat de heer M., krachtens artikel 7, b), van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de echtgenoot van de bestuurder, van de verzekeringnemer, van de eigenaar of van de houder van dat verzekerd rijtuig aanspraak kan maken op de vergoeding van zijn stoffelijke schade, wanneer de aansprakelijkheidsvordering steunt op het gebrek van dat rijtuig, "het herstel mag vorderen [...] [van ] de schade die door de [verweersters] niet is vergoed voor zijn aandeel in mede-eigendom in het geteisterde pand".

Het arrest beslist dat "[de verweersters], in principe, de terugbetaling kunnen vorderen van de helft (...) van de schadevergoeding van [de eiseres] die ze aan hun verzekerden, [M.-G.] hebben betaald, zijnde het deel waarin [zij] in de rechten op vergoeding van de heer M.", en laat aldus de verweersters in de rechten treden van de heer G. die voortkomen uit de overeenkomst die zijn echtgenote met de eiseres had afgesloten, en schendt het zodoende geen enkele wettelijke bepaling die in dit onderdeel wordt aangegeven.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 5 november 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Meervoudige verzekeringen

  • Verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen

  • Brandverzekering

  • Gebouw

  • Echtpaar mede-eigenaars

  • Brand veroorzaakt door het voertuig van één van de echtgenoten

  • Subrogatoir verhaal

  • Voorwaarden