- Arrest van 5 november 2012

05/11/2012 - S.12.0020.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het Grondwettelijk Hof heeft beslist dat, wanneer de staatloze deze hoedanigheid heeft verkregen omdat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, de situatie waarin hij zich bevindt op discriminerende wijze afbreuk kan doen aan zijn grondrechten, zodat het verschil in behandeling tussen die staatloze en de erkende vluchteling niet redelijk verantwoord is; het middel, dat betoogt dat de Grondwet geschonden wordt wanneer niet aan elke staatloze het aan zijn hoedanigheid verbonden recht van verblijf wordt toegekend, faalt naar recht.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0020.F

Z. M.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LUIK,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Luik van 16 november 2011.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie ;

- artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 ;

- de artikelen 10, 11, 23, 149, 159 en 191 van de Grondwet ;

- algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, krachtens hetwelk de partijen de grenzen van het geschil zelf bepalen ;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het arrest "zegt voor recht dat [de eiseres], in de periode van 1 december 2009 tot 27 januari 2011, noch een leefloon noch maatschappelijke hulp kon ontvangen; verklaart derhalve het beroep van [de eiseres] tegen de beslissing van de [verweerder] van 22 december 2009 ongegrond; spreekt de [verweerder] vrij van de veroordeling waarbij hij aan [de eiseres] een leefloon voor alleenstaanden moest betalen met ingang van 1 december 2009; verklaart de subsidiaire vordering tot toekenning van maatschappelijke hulp gelijk aan het leefloon voor alleen-staanden met ingang van 1 december 2009 niet-gegrond; veroordeelt de [ver-weerder] in de kosten, die voor [de eiseres] in eerste aanleg zijn begroot op 109,32 euro en die door het hof [van beroep] in hoger beroep zijn vastgesteld op 160,30 euro".

Het arrest grondt zijn beslissing op de volgende redenen :

"5. De litigieuze periode

De litigieuze periode moet inderdaad worden beperkt tot die van 1 december 2009 tot 27 januari 2011, datum waarop de [verweerder] beslist om een leefloon toe te kennen aan [de eiseres], wier verblijf geregulariseerd werd ;

Volgens het hof beëindigen de beslissingen van 22 februari 2011 de litigieuze periode niet, aangezien ze slechts de tenuitvoerlegging zijn van het beroepen vonnis, dat voorzien was van een voorlopige tenuitvoerlegging, en niet een beslissing waarmee de [verweerder] het recht op leefloon beoordeelt ;

5.1. Het recht op maatschappelijke integratie

5.1.1. Artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 bepaalt de voorwaarden waaraan elke aanvrager cumulatief moet voldoen om recht te hebben op maatschappelijke integratie;

Te dezen is volledig voldaan aan de voorwaarde die opgesomd worden in artikel 3, 2° (een leeftijd boven de 18 jaar), en 3, 3° (de zogenaamde ‘nationaliteitsvoorwaarde'), aangezien [de eiseres] erkend is als staatloze;

5.1.2. Artikel 3, 1°, vormt een eerste potentieel struikelblok, aangezien het bepaalt dat de persoon zijn werkelijke verblijfplaats in België moet hebben in de door de Koning te bepalen zin;

Met toepassing van die aan de Koning toegekende bevoegdheid om het begrip ‘werkelijke verblijfplaats' te definiëren, bepaalt artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 : ‘Wordt geacht zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben in de zin van artikel 3, 1°, van de wet, degene die gewoonlijk en bestendig op het grondgebied van het Koninkrijk verblijft, zelfs als hij niet over een woonst beschikt of niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters bedoeld in artikel 1, § 1, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, voor zover hij op het grondgebied van het Rijk mag verblijven';

Zolang [de eiseres] niet op het grondgebied van het Rijk mocht verblijven, dat wil zeggen in de periode vóór 27 januari 2011, voldeed zij dus niet aan de voorwaarde van een werkelijke verblijfplaats, zoals bedoeld in artikel 3, 1°, van de wet van 26 mei 2002;

Volgens [de eiseres] mag de bepaling van artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 niet worden toegepast omdat het ongrondwettelijk zou zijn ;

[De eiseres] stelt in dat verband een argumentatie voor waarin ze zich beroept op verschillende bepalingen en waarbij ze uitgaat van haar hoedanigheid van staatloze, om op grond van een arrest van het Grondwettelijk Hof van 17 december 2009 (nr. 198/2009) te besluiten dat er tussen staatlozen en erkende vluchtelingen een discriminatie bestaat die de staatlozen treft in hun verblijfsrecht, zodat er volgens haar met betrekking tot het leefloon een zelfde discriminatie bestaat, daar de erkende vluchtelingen ipso facto op het grondgebied van het Rijk mogen verblijven, waardoor zij een werkelijke verblijfplaats kunnen voorleggen, terwijl de staatlozen dat niet kunnen;

Volgens het [arbeids]hof bestaat er geen grond om de bepaling van artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 niet toe te passen wegens ongrond-wettelijkheid ;

Die bepaling bevat op zich geen enkele discriminatie of verschil in behandeling tussen staatlozen en erkende vluchtelingen doch slechts een verschil in behandeling tussen personen die op het grondgebied van het Rijk mogen verblijven en zij die daartoe niet gemachtigd zijn, ongeacht de reden daarvoor;

Dat verschil in behandeling tussen die categorieën van personen berust op een objectief criterium, met name de wettelijkheid van het verblijf, en is, volgens het [arbeids]hof, redelijkerwijs verantwoord : het verblijf van een persoon die niet op het grondgebied van het Rijk mag verblijven, is per definitie precair, wat het blijvende - en dus ook werkelijke - karakter van dat verblijf aantast, aangezien een persoon die illegaal op het grondgebied verblijft logischerwijs maar één alternatief heeft: ofwel komt er een einde aan zijn illegaal verblijf en kan hij permanent op het grondgebied verblijven, waardoor hij dus een werkelijke verblijfplaats krijgt, ofwel blijft zijn verblijf illegaal en moet hij het grondgebied van het Rijk verlaten;

Het recht op integratie, zoals het wordt opgevat in de wet van 26 mei 2002 en meer bepaald afhangt van de zoektocht naar werk en de tewerkstelling, kan alleen worden toegekend aan personen die permanent (of althans gedurende een zeer lange periode) op het grondgebied moeten verblijven en niet aan personen die op min of meer korte termijn het grondgebied van het Rijk moeten verlaten omdat hun verblijf illegaal blijft;

De Koning heeft aan de wet geenszins een voorwaarde, met name de wettelijkheid van het verblijf, toegevoegd, aangezien die voorwaarde uitdrukkelijk is vervat in artikel 3,3°, van de wet, volgens hetwelk de burger van de Europese Unie een verblijfsrecht van meer dan drie maanden moet kunnen aantonen, wat nogmaals onderstreept dat het verblijf van de persoon die aanspraak maakt op maatschappelijke integratie noodzakelijkerwijs duurzaam moet zijn;

De Koning heeft geenszins de hem bij de wet van 26 mei 2002 toegekende bevoegdheid overschreden toen hij het begrip ‘werkelijke verblijfplaats' omschreef in de bewoordingen van artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002, die de geest van de wet van 26 mei 2002 eerbiedigen;

De Koning heeft de bepalingen van artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 overigens niet ‘in verband gebracht' met die van artikel 98 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, daar het door de eerste rechter ter sprake gebrachte ‘verband' slechts voortvloeit uit een ‘getrapte' redenering van handige pleiters;

Het Grondwettelijk Hof beslist in zijn arrest 198/2009 van 17 december 2009 weliswaar om de volgende redenen dat er, inzake het verblijfsrecht, in bepaalde omstandigheden een discriminatie tussen staatlozen en erkende vluchtelingen bestaat die niet redelijk verantwoord is:

‘B.7. Wanneer is vastgesteld dat de staatloze deze hoedanigheid heeft verkregen omdat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en dat hij aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, kan de situatie waarin hij zich bevindt op discriminerende wijze afbreuk doen aan zijn grondrechten.

Hieruit vloeit voort dat, wat het verblijfsrecht betreft, het verschil in behandeling tussen de staatloze die zich in een dergelijke situatie op het Belgisch grondgebied bevindt en de erkende vluchteling, niet redelijk verantwoord is.

B.8. Die discriminatie vloeit evenwel niet voort uit artikel 49 van de wet van 15 december 1980, dat alleen betrekking heeft op de in België erkende vluchtelingen, maar uit de ontstentenis van een wettelijke bepaling die aan de in België erkende staatlozen een verblijfsrecht toekent dat vergelijkbaar is met het recht dat die vluchtelingen genieten.

B.9. Het komt aan de verwijzende rechter, en niet aan het [Grondwettelijk] Hof toe om, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, in voorkomend geval de grondwettigheid van artikel 98 van het voormelde koninklijk besluit van 8 oktober 1981 na te gaan';

Toch moet erop gewezen worden dat het [arbeids]hof, zelfs als het zou aannemen dat artikel 98 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ongrondwettelijk is, wat - gelet op de redenen die het Grondwettelijk Hof opgeeft - betekent dat het [arbeids]hof zou moeten nagaan of [de eiseres] buiten haar wil haar nationaliteit heeft verloren en, daarenboven, of zij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee zij banden zou hebben, het [arbeids]hof vooralsnog niet kan beslissen het [voornoemde] artikel 98 niet toe te passen als het dat artikel niet door een andere regel vervangt of aan [de eiseres] geen recht van verblijf toekent;

In de huidige stand van de wetgeving kan het [arbeids]hof de [eiseres] bijgevolg geen enkel recht van verblijf op grond van haar hoedanigheid van staatloze toekennen voor de litigieuze periode;

Ten overvloede, het [arbeids]hof moet daarenboven te dezen vaststellen dat niet naar genoegen van recht is aangetoond dat [de eiseres] voldoet aan de voorwaarden waarop het Grondwettelijk Hof in zijn voornoemd arrest wijst, met name dat zij, enerzijds, buiten haar wil haar nationaliteit moet hebben verloren en dat zij, anderzijds, moet aantonen dat zij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee zij banden zou hebben;

[De eiseres] voert het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 28 juli 2006 aan, die haar staatloos verklaart en waarvan ze het gezag van gewijsde beklemtoont, maar het [arbeids]hof merkt wat dat betreft op dat het voormelde vonnis vermeldt dat [de eiseres] ‘zeer waarschijnlijk' haar nationaliteit heeft verloren doordat zij haar land lang geleden heeft verlaten en dat zij haar nationaliteit door omstandigheden niet opzettelijk verloren heeft, maar wijst er ook op dat de Kazachse wet bepaalt dat de nationaliteit verloren gaat wanneer een onderdaan van dat land meer dan drie jaar in het buitenland verblijft zonder zich in te schrijven in zijn consulaat, en preciseert daarenboven dat de Kazachse ambassade in een brief heeft meegedeeld dat de nationaliteit niet automatisch ver-loren gaat;

Er bestaat bijgevolg geen zekerheid of onweerlegbaar bewijs van het feit dat [de eiseres] haar Kazachse nationaliteit volkomen buiten haar wil heeft verloren, als ze die nationaliteit al heeft verloren; het [arbeids]hof oordeelt immers dat het een ‘zeer waarschijnlijk' bewezen feit niet in aanmerking kan nemen;

Uit de door [de eiseres] neergelegde stukken blijkt integendeel dat zij, vermoedelijk omdat ze terecht vreesde voor haar leven indien ze naar Kazachstan zou terugkeren, helemaal niet wenste naar dat land terug te keren of banden ermee te behouden ;

[De eiseres] toont daarenboven niet aan dat zij tevergeefs zou hebben getracht naar Kazachstan terug te keren, meer bepaald dat zij om de hernieuwing van haar paspoort zou hebben gevraagd ; het dient te worden herhaald dat het Belgisch vonnis dat aan [de eiseres] het statuut van staatloze erkent, enkel in België erga omnes geldt en geenszins kan worden tegengeworpen aan de Republiek Kazachstan, die perfect in staat is [de eiseres], ondanks dat vonnis, als een van haar onderdanen te erkennen;

5.1.3. In de huidige stand van de zaak kan moeilijk of zelfs onmogelijk worden nagegaan of voldaan is aan de toekenningsvoorwaarden die opgesomd worden in artikel 3, 4°, en artikel 3, 5°, van de wet van 26 mei 2002, aangezien de partijen amper documenten aan het [arbeids]hof hebben voorgelegd waaruit zou blijken dat [de eiseres] niet over toereikende bestaansmiddelen beschikt of werkbereid is;

Uit het dossier van het sociaal onderzoek blijkt alleen maar dat [de eiseres] geholpen wordt door particulieren, met name voor de betaling van haar huur, en dat zij ook een opleiding volgt te H., blijkbaar met aangepaste lestijden ;

Er zijn uiteraard onvoldoende elementen om aan te tonen dat voldaan is aan de toekenningsvoorwaarden die bepaald zijn in artikel 3, 4°, en meer nog, in artikel 3, 5°, maar aangezien de in artikel 3, 1°, bedoelde voorwaarde niet is vervuld, hoeft niet te worden nagegaan of de andere toekenningsvoorwaarden zijn vervuld".

Het arrest leidt hieruit bijgevolg af dat "het leefloon niet [kan] worden toegekend voor de litigieuze periode".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie luidt als volgt :

"Om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, moet de persoon tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld :

1° zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben in de door de Koning te bepalen zin;

2° meerderjarig zijn of hiermee gelijkgesteld zijn overeenkomstig de bepalingen van deze wet;

3° behoren tot één van de volgende categorieën van personen :

- hetzij de Belgische nationaliteit bezitten;

- hetzij als burger van de Europese Unie, of als lid van zijn familie die hem begeleidt of zich bij hem voegt, genieten van een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwij-dering van vreemdelingen;

- hetzij als vreemdeling ingeschreven zijn in het bevolkingsregister;

- hetzij staatloos zijn en onder de toepassing vallen van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New-York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960;

- hetzij vluchteling zijn in de zin van artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

4° niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak kunnen op maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven. Het centrum berekent de bestaansmiddelen van de persoon overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II;

5° werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is;

6° zijn rechten laten gelden op uitkeringen die hij kan genieten krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving."

Artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie bepaalt wat volgt : "wordt geacht zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben in de zin van artikel 3, 1°, van de wet, degene die gewoonlijk en bestendig op het grondgebied van het Koninkrijk verblijft, zelfs als hij niet over een woonst beschikt of niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters bedoeld in artikel 1, § 1, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, voor zover hij op het grondgebied van het Rijk mag verblijven".

Volgens artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, "moet de vreemdeling, om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, die zich niet in een der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland".

Daarenboven wordt in artikel 9bis, § 1, eerste lid, van die wet, bepaald dat "in buitengewone omstandigheden en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt, de machtiging tot verblijf kan worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Deze maakt ze over aan de minister of aan diens gemachtigde. Indien de minister of diens gemachtigde de machtiging tot verblijf toekent, zal de machtiging tot verblijf in België worden af-gegeven."

Luidens artikel 98 van het koninklijk besluit 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, "zijn de staatloze en zijn familieleden onderworpen aan de algemene reglementering. Wanneer de staatloze echter gemachtigd is om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven, geeft het gemeentebestuur hem een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister af waarvan de vervaldatum drie maanden vroeger valt dan die van de reistitel."

Naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het arbeidshof te Brussel heeft het Grondwettelijk Hof het volgende beslist in zijn arrest 198/2009 van 17 december 2009 :

"B.3.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 3 van het Verdrag [tot bescherming van] de rechten van de mens, van artikel 49 van de wet van 15 december 1980, [...] in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen de vreemdeling wiens hoedanigheid van vluchteling is erkend en die hierdoor wordt toegelaten tot het verblijf of tot de vestiging in het Rijk, en de staatloze die, doordat hij niet door die bepaling wordt beoogd, uit zijn erkenning in die hoedanigheid niet het recht kan afleiden om tot het verblijf of de vestiging in het Rijk te worden toegelaten.

B.4.3. Uit het in B.3.1 omschreven verschil in behandeling vloeit te dezen voort dat de erkende vluchtelingen, in tegenstelling tot de erkende staatlozen, dankzij de verblijfsvergunning die hun erkenning als vluchteling met zich meebrengt, het recht op maatschappelijke integratie kunnen genieten dat is toegekend bij de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en dat het voorwerp uitmaakt van het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil (...).

B.4.4. De bij de verwijzende rechter ingestelde vordering heeft betrekking op de toekenning van een leefloon. Het onderzoek van de voorwaarden voor de toekenning van dat leefloon omvat met name het onderzoek van het regelmatige karakter van het verblijf van de staatloze aanvrager en kan de rechter ertoe brengen stil te staan bij een verschil in behandeling dat hij in dat opzicht tussen de categorieën van vreemdelingen zou vaststellen.

Het blijkt niet dat de verwijzende rechter aan het [Grondwettelijk] Hof een vraag heeft gesteld die kennelijk niet pertinent is om het aan hem voorgelegde geschil te beslechten of die steunt op een kennelijk onjuiste toepassing of interpretatie van de bepalingen waarmee hij rekening houdt.

B.5. De situatie van de staatlozen in het internationaal recht wordt geregeld door het Verdrag van New York betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954, goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960 (hierna : het Verdrag van New York); die van de vluchtelingen is geregeld bij het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953 (hierna : het Verdrag van Genève).

De twee verdragen, die historisch gezien uit dezelfde demarche voortvloeien, bevatten bepalingen waarvan de draagwijdte in verschillende opzichten vergelijkbaar is. Krachtens artikel 7.1 van het Verdrag van Genève en artikel 7.1 van het Verdrag van New York kent België aan de vluchtelingen en aan de staatlozen de regeling toe die het aan de vreemdelingen in het algemeen toekent. Krachtens de artikelen 23 en 24 van het Verdrag van New York en de artikelen 23 en 24 van het Verdrag van Genève moet België aan de vluchtelingen die rechtmatig op zijn grondgebied verblijven en aan de staatlozen die rechtmatig erop verblijven, dezelfde behandeling als die van de onderdanen toekennen op het vlak van de arbeidswetgeving, de wetgeving inzake sociale zekerheid en de bijstand van over-heidswege; noch de enen, noch de anderen kunnen, indien zij rechtmatig op het grondgebied verblijven, het land worden uitgezet, tenzij om redenen van nationale veiligheid of openbare orde (artikel 31 van het Verdrag van New York en artikel 32 van het Verdrag van Genève). Geen van beide verdragen kent aan de daarin beoogde personen het recht toe om te verblijven op het grondgebied van de Staat die hen als vluchteling of als staatloze erkent.

B.6. De erkende staatlozen en de erkende vluchtelingen bevinden zich aldus in grotendeels vergelijkbare situaties, niet alleen rekening houdend met de voorschriften van die bepalingen, maar ook met het feit dat aan de overheid, door hun de hoedanigheid van, al naar gelang van het geval, staatloze of vluchteling toe te kennen, plichten worden opgelegd ten aanzien van de betrokkenen.

B.7. Wanneer is vastgesteld dat de staatloze deze hoedanigheid heeft verkregen omdat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en dat hij aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, kan de situatie waarin hij zich bevindt op discriminerende wijze afbreuk doen aan zijn grondrechten.

Hieruit vloeit voort dat, wat het verblijfsrecht betreft, het verschil in behandeling tussen de staatloze die zich in een dergelijke situatie op het Belgisch grondgebied bevindt en de erkende vluchteling, niet redelijk verantwoord is.

B.8. Die discriminatie vloeit evenwel niet voort uit artikel 49 van de wet van 15 december 1980, dat alleen betrekking heeft op de in België erkende vluchtelingen, maar uit de ontstentenis van een wettelijke bepaling die aan de in België erkende staatlozen een verblijfsrecht toekent dat vergelijkbaar is met datgene dat die vluchtelingen genieten.

B.9. Het komt aan de verwijzende rechter, en niet aan het Hof toe om, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, in voorkomend geval de grondwet-tigheid van artikel 98 van het voormelde koninklijk besluit van 8 oktober 1981 na te gaan.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord".

Uit dit arrest vloeit voort dat de weigering om aan de staatloze, op grond van zijn hoedanigheid, het recht van verblijf of vestiging toe te kennen, in strijd is met de Grondwet.

Die toestand, die voortvloeit uit de toepassing van artikel 98 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is niet alleen strijdig met artikel 14 van de Grondwet, maar ook met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, luidens hetwelk het genot van de rechten en vrijheden, die in dat verdrag zijn vermeld, verzekerd is zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

De weigering om het leefloon toe te kennen in omstandigheden die leiden tot een niet redelijkerwijs te verantwoorden discriminatie, heeft daarenboven de schending tot gevolg van artikel 23 van de Grondwet, luidens hetwelk eenieder "het recht heeft een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen".

Die rechten omvatten met name "het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand".

Artikel 191 van de Grondwet, dat bepaalt dat iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, de bescherming verleend aan personen en aan goederen geniet, behoudens de bij wet gestelde uitzondering, wordt eveneens geschonden.

De toepassing, door de hoven en rechtbanken, van artikel 98 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, houdt dus een schending van artikel 159 van de Grondwet in.

In dit geval weigert het arrest, om de in het middel aangegeven redenen, de eiseres het leefloon toe te kennen dat bepaald is in artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en dat erkend is door de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, op grond dat, in substantie, de eiseres, van wie het arrest erkent dat ze staatloos is, zich niet kan beroepen op enig recht van verblijf op grond van artikel 98 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Het arrest, dat beslist dat "het [arbeids]hof de [eiseres] in de huidige stand van de wetgeving bijgevolg geen enkel recht van verblijf [...] kan toekennen voor de litigieuze periode", schendt derhalve de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet alsook, door daaruit af te leiden dat het leefloon haar voor dezelfde periode niet kan worden toegekend, artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de artikelen 23 en 191 van de Grondwet.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 3, 1°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie moet de persoon, om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben in de door de Koning te bepalen zin.

Luidens artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het alge-meen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie wordt degene die gewoonlijk en bestendig op het grondgebied van het Koninkrijk ver-blijft, zelfs als hij niet over een woonst beschikt of niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters bedoeld in artikel 1, § 1, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, geacht zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben in de zin van artikel 3, 1°, van de wet, voor zover hij op het grondgebied van het Rijk mag verblijven.

Hoewel elke vreemdeling die als vluchteling wordt beschouwd krachtens artikel 49, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grond-gebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, op grond van dat feit zelf, luidens die bepaling, toegelaten wordt tot een verblijf in het Rijk, bestaat er geen soortgelijke bepaling in het voordeel van de als dusdanig erkende staatloze, die krachtens artikel 98, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 ok-tober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, onderworpen is aan de algemene regle-mentering.

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arresten 198/2009 van 17 december 2009 en 1/2012 van 11 januari 2012 beslist dat, wanneer de staatloze deze hoedanigheid heeft verkregen omdat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en aan-toont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, de situatie waarin hij zich bevindt op dis-criminerende wijze afbreuk kan doen aan zijn grondrechten, zodat het verschil in behandeling tussen die staatloze en de erkende vluchteling niet redelijk verant-woord is.

Het onderdeel, dat uitgaat van de veronderstelling dat de Grondwet geschonden wordt wanneer niet aan elke staatloze het aan zijn hoedanigheid verbonden recht van verblijf wordt toegekend, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt de verweerder in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 5 november 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Vluchtelingen

  • Staatlozen

  • Verblijfsrecht

  • Effectieve verblijfplaats

  • Maatschappelijke integratie

  • Toekenningsvoorwaarden

  • Discriminatie

  • Draagwijdte