- Arrest van 6 november 2012

06/11/2012 - P.12.0846.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren; deze rechten gelden in personam zodat een beklaagde zich in beginsel niet kan beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen, afgelegd lastens hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf de miskenning van die rechten inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt (1). (1) Zie: Cass. 29 nov. 2011, AR P.11.0113.N, AC 2011, nr. 651 met concl. van advocaat-generaal DUINSLAEGER; Cass. 5 sep. 2012, AR P.12.0418.F, AC 2012, nr. …met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0846.N

A. F.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 39-40, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 28 maart 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes grieven aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste grief

1. De grief voert schending aan van het artikel 6 EVRM: het arrest oordeelt dat geen enkel element toelaat vast te stellen dat de eiser zich tijdens de verhoren in een kwetsbare positie bevond en op hem dwang werd uitgeoefend, terwijl het de iure vaststaat dat een persoon die wordt aangehouden en kan worden veroordeeld tot gevangenisstraffen steeds wordt geacht zich te bevinden in een kwetsbare positie.

2. De grief betrekt niet alle redenen van het arrest in zijn kritiek. Het arrest (p. 5) oordeelt ook dat de eiser tijdens het gerechtelijk onderzoek geen voor hem be-lastende verklaringen heeft afgelegd en dat hij met bijstand van zijn raadsman voor de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten standvastig en blijvend heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.

De eiser komt niet op tegen deze beoordeling, zodat de grief, ook al mocht ze ge-grond zijn, bij gebrek aan belang, niet tot cassatie kan leiden, en mitsdien niet ontvankelijk is.

Tweede grief

3. De grief voert schending aan van het artikel 6 EVRM: het arrest oordeelt dat het recht op bijstand van een advocaat in personam geldt en is verbonden met het zwijgrecht, zodat de eiser zich niet kan beroepen op de miskenning van deze rechten in hoofde van derden die lastens hem belastende verklaringen hebben afgelegd; deze beoordeling schendt aldus voormelde bepaling; de verklaringen van medebeklaagde L. D. werden afgelegd zonder cautie en zonder bijstand van een advocaat, terwijl deze verklaringen door het arrest worden gebruikt om hieruit de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen af te leiden en om zijn schuld te staven.

4. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren. Deze rechten gelden in personam. Een beklaagde kan zich in beginsel niet beroe-pen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen, af-gelegd lastens hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf de miskenning van die rechten inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt.

De grief, die uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde grief

5. De grief voert schending aan van de artikelen 6.1 en 3 EVRM, artikel 14.3.b, IVBPR en artikel 149 Grondwet, evenals miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat een aantal door de eiser opgesomde stukken in het Albanees zijn gesteld en dat dit zijn moedertaal is, zodat de artikelen 6.1 en 3 EVRM en artikel 14.3.b, IVBPR niet geschonden zijn; met die stukken werd evenwel geen rekening gehouden tijdens de deliberatie, om-dat het arrest niet vaststelt dat de appelrechters het Albanees machtig zijn; de ap-pelrechters hebben geen rekening gehouden met het volledige dossier en met alle elementen ter ontlasting van de eiser, zodat het arrest niet wettig kon vaststellen dat de voormelde artikelen niet geschonden zijn.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser dit verweer heeft aangevoerd voor de appelrechters.

De grief is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Vierde grief

7. De grief voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en artikel 149 Grondwet, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, de motiveringsplicht en het vermoeden van onschuld: het arrest kon uit het feit dat bankbiljetten verpakt zijn in Italiaans krantenpapier niet afleiden dat dit een indicatie is van de illegale afkomst van de verpakte geld-som; bovendien is deze overweging racistisch en discriminerend ten aanzien van Italië.

8. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel vereist, beoordeelt de rechter in feite, en mitsdien onaantastbaar, de bewijswaarde van de hem regelmatig over-gelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voe-ren.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aan-genomen, wat te dezen niet het geval is.

De grief kan niet worden aangenomen.

Vijfde grief

9. De grief voert schending aan van artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1° en 2°, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beschikkingen tot telefoontap van 16 juni 2005, 20 juni 2005 en 23 juni 2005 afdoende gemotiveerd zijn door de vermelding dat de andere opsporingsmiddelen op zich niet volstaan om op een doeltreffende wijze, dit wil zeggen zo snel mogelijk, de waarheid aan het licht te brengen, zodat de hierna vermelde maatregel noodzakelijk is.

10. De naleving van de motiveringsverplichting van artikel 90quater, § 1, twee-de lid, 1° en 2°, Wetboek van Strafvordering, is niet aan bepaalde wettelijk voor-geschreven of uitdrukkelijke bewoordingen onderworpen. Ze kan blijken uit de samenhang van de bewoordingen van de beschikking waarbij machtiging wordt verleend tot een bewakingsmaatregel van afluisteren.

Aan de motiveringsverplichting kan ook worden voldaan indien de beschikking ondubbelzinnig verwijst naar stukken van het strafdossier waarin deze vermeldin-gen zijn opgenomen en de beschikking zich door die verwijzing de inhoud van die stukken eigen maakt.

11. Het arrest stelt vast dat:

- de beschikkingen tot telefoontap van 16 juni 2005, 20 juni 2005 en 23 juni 2005, verwijzen naar inlichtingen, het gevoerde onderzoek en naar de analyse van het telefoonverkeer en zich de inhoud ervan eigen maken;

- de beschikkingen vermelden dat de andere opsporingsmiddelen op zich niet volstaan om op doeltreffende wijze, dit wil zeggen zo snel mogelijk, de waar-heid aan het licht te brengen.

Het arrest oordeelt dat hieruit blijkt dat andere opsporingsmiddelen niet die ver-eiste snelheid en doeltreffendheid toelaten die noodzakelijk zijn voor de waar-heidsvinding in de voorliggende zaak inzake trafiek van illegale drugs, en kon al-dus wettig vaststellen dat de beschikkingen voldoen aan de motiveringsplicht be-paald in artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1° en 2°, Wetboek van Strafvordering.

De grief kan niet worden aangenomen.

Zesde grief

12. De grief voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest oordeelt dat het louter verstrijken van een bepaalde termijn sedert het plegen van de bewezen verklaarde feiten op zich niet volstaat om de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM vast te stellen; bij het verstrijken van een termijn van 5 jaar en 11 maanden is de redelijke termijn steeds overschreden.

13. De grief die ervan uitgaat dat de redelijke termijn steeds overschreden is na het verstrijken van een termijn van 5 jaar en 11 maanden, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 79,86 euro.

K. Vanden Bossche

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem

E. Goethals

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 6 november 2012 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingel-gem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Recht op bijstand van een advocaat

  • Cautieplicht

  • Zwijgrecht

  • Draagwijdte

  • Beklaagde die belastende verklaringen aflegt over een derde

  • Toepasselijkheid