- Arrest van 6 november 2012

06/11/2012 - P.12.0489.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 159 Grondwet moet de rechter nagaan of de beslissing van de herstelvorderende overheid om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen; hij moet de vordering die is gestoeld op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten (1). (1) Zie: Cass. 10 feb. 2009, AR P.08.1163.N, AC 2009, nr. 108; Cass. 24 nov. 2009, AR P.09.0278.N, AC 2009, nr. 689; Cass. 25 maart 2011, AR C.10.0016.N, AC 2011, nr. 225.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0489.N

1. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van het Vlaams Gewest, met kantoor te 1120 Brussel, Koning Albert-II-laan 20 bus 7,

2. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2018 Ant-werpen, Lange Kievitstraat 111/113 bus 55,

eisers tot herstel,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. J. G. A. V.,

beklaagde,

2. R. P. G. V.,

beklaagde,

verweerders,

met als raadsman mr. Johan Bally, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VAN HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 13 februari 2012, gewezen na verwijzing bij arrest van het Hof van 17 oktober 2006.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 159 Grondwet en de artikelen 6.1.1, derde en vierde lid, en 6.1.41 § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten zoals vervat in de artikelen 36, 37 en 40 Grondwet: de appelrechters verklaren op grond van een eigen beoor-deling van de goede ruimtelijke ordening en van het bestaan van concrete schade aan deze goede ruimtelijke ordening de herstelvordering tot afbraak ten onrechte ongegrond; zij toetsen bijgevolg de beslissing tot afbraak niet marginaal door de kennelijke onredelijkheid ervan te beoordelen in het licht van de opvatting van elk redelijk denkend bestuur omtrent de goede ruimtelijke ordening en omtrent de te vorderen herstelmaatregel; aldus miskennen zij de appreciatie- en beleidsbe-voegdheid van de eisers als herstelvorderende overheden; in zoverre het arrest be-slist tot de ongegrondheid van de herstelvordering omdat rekening houdend met de op het ogenblik van de inbreuk toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften en dus niet met de op het ogenblik van de uitspraak vigerende regels, de inbreuk abstract vergunbaar was, is die beslissing evenmin naar recht verantwoord.

2. Krachtens artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 159 Grondwet moet de rechter nagaan of de beslissing van de herstelvorderende over-heid om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen.

Hij moet de vordering die is gestoeld op motieven die vreemd zijn aan de ruimte-lijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kenne-lijk onredelijk is, zonder gevolg laten.

3. Wanneer de wettigheid van de herstelvordering wordt aangevochten, moet de rechter in het bijzonder nagaan of die vordering niet kennelijk onredelijk is, meer bepaald of het voordeel van de gevorderde herstelmaatregel ter behoud van een goede ruimtelijke ordening opweegt tegen de last die daaruit voor de overtre-der voortvloeit.

4. De rechter kan niet zelf de redelijke herstelmaatregel bepalen, maar enkel oordelen of de herstelvorderende overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de beslissing een bepaalde wijze van herstel te vorderen. Rekening houdend met de appreciatie- en beleidsbevoegdheid van die overheid en het beginsel van de schei-ding der machten, zoals vervat in de artikelen 36, 37 en 40 Grondwet, kan de rechter die beslissing slechts marginaal toetsen en dus de herstelvordering slechts afwijzen als ze kennelijk onredelijk is. Het begrip kennelijke onredelijkheid drukt de wijze uit waarop de rechter de bestuurlijke beslissing op zijn redelijkheid be-oordeelt, namelijk met de terughoudendheid die de discretionaire bevoegdheid van de overheid vereist.

5. De appelrechters (arrest, p. 7) verwijzen bij het onderzoek van de wettigheid van de herstelvordering naar de door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur aangehaalde motieven: het perceel is gelegen in het gewestplan Antwerpen, zoals dit werd gewijzigd bij besluit van 28 oktober 1998 en ligt volgens dit plan deels in woongebied en deels in groengebied; het goed ligt in het bijzonder plan van aan-leg (BPA) Hoek, dat is goedgekeurd op 28 juni 1999; volgens dit BPA ligt het deels in de zone "gebied bestemd voor openbare wegenis: woonstraat met ver-blijfskarakter" en deels in de zone "gebied bestemd voor groene ruimte met over-druk: gebied met erfdienstbaarheid"; er moet worden geoordeeld op basis van het van na het gewestplan daterende en met betrekking tot het goed meer gedetail-leerde BPA Hoek; op basis van de geldende voorschriften kan geen regularisatie-vergunning worden verleend voor het verbouwen van het bestaande magazijn tot een volwaardige woning met tentoonstellingsruimte; een woning met tentoonstel-lingsruimte is in deze beide stroken (woonstraat en groene ruimte) uitgesloten. Zij oordelen dat met deze motieven rekening kan worden gehouden en dat ze afdoen-de zijn.

6. De appelrechters (arrest, p. 8-9) oordelen ook dat de constructie vanuit het standpunt van de goede ruimtelijke ordening kan worden aanvaard en het gevor-derde herstel door afbraak niet verantwoord is en dit op de volgende gronden:

- de woning is volledig, zowel op het gewestplan als op het BPA, omringd met woongebied en is als enige aldaar gelegen constructie opgenomen in het BPA met een andere bestemming;

- vóór de opstelling van het BPA was ook de gemeente de mening toegedaan dat "het gebouw aansloot op een bestaande woningrij en deel uitmaakte van een in deze industriezone gelegen woninggroep" en dat aldus blijkbaar de goede plaatselijke ruimtelijke ordening niet in het gedrang werd gebracht;

- de gemeente deed de vorige vermelding weliswaar onder de voorwaarde dat de dienst AROHM gunstig advies verleende, hetgeen niet gebeurde daar deze er verkeerdelijk van uitging dat het goed gelegen was in industriegebied;

- als reden voor de weigering van de regularisatievergunning en de opname in het BPA werd door de gemeente Boom destijds aangehaald dat het door de gemeenteraad op 17 december 1998 definitief aanvaardde BPA op die plaats voorziet in openbare wegenis en groene ruimte met erfdienstbaarheidszone voor RWA- en DWA-collectoren;

- uit het door de verweerders voorgebracht dossier blijkt dat deze collectoren reeds zijn aangebracht en desomtrent tussen Aquafin nv en de tweede verweer-der als eigenaar van het pand op 4 augustus 2000 een overeenkomst tot vesti-ging van erfdienstbaarheden werd gesloten;

- om de grond toe te eigenen voor "openbare wegenis" werd tot op heden, dit is 13 jaar na aanvaarding door de gemeente van het BPA, nog niet overgegaan tot onteigening.

Met die redenen toetsen de appelrechters het oordeel van de herstelvorderende overheid over de goede ruimtelijke ordening en het te vorderen herstel niet margi-naal, maar stellen ze integendeel hun eigen opvatting daaromtrent in de plaats van het oordeel van de herstelvorderende overheid.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Veroordeelt de verweerders tot de kosten.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, correctionele kamer.

Bepaalt de kosten op 404,55 euro waarvan de eisers 187,11 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 6 november 2012 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingel-gem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem

E. Goethals

Vrije woorden

  • Herstelvordering

  • Redelijkheid van de gevorderde herstelmaatregel

  • Beoordeling door de rechter