- Arrest van 7 november 2012

07/11/2012 - P.12.1711.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het ogenblik van de effectieve vrijheidsbeneming, als bedoeld in artikel 1, 1°, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, is het ogenblik waarop de persoon ten gevolge van het optreden van de agent van de openbare macht niet langer over de vrijheid van komen en gaan beschikt; dat vrijheidsverlies is een feitelijke kwestie die aan het oordeel van de rechter wordt overgelaten, die in concreto oordeelt met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van elk geval (1). (1) Zie H.-D. BOSLY, D. VANDERMEERSCH en M.-A. BEERNAERT, Droit de la procédure pénale, Brussel, Die Keure, 2010, p. 826.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1711.F

E. A.,

Mrs. Sven Mary en Cédric Moisse, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiser voert aan dat het bevel tot aanhouding dat tegen hem is uitgevaardigd wegens bedreigingen met een gebaar en verboden wapendracht, hem meer dan vierentwintig uur na zijn vrijheidsberoving is betekend.

Het middel steunt op de bewering dat de eiser onder politietoezicht was geplaatst zodra hij in het ziekenhuis aankwam.

Het ogenblik van de effectieve vrijheidsbeneming, als bedoeld in artikel 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet, is het ogenblik waarop de persoon, na het optreden van de agent van de openbare macht, niet langer over de vrijheid van komen en gaan beschikt. Dat vrijheidsverlies is een feitenkwestie die aan het oordeel van de rech-ter wordt overgelaten, die in concreto oordeelt met inachtneming van de bijzonde-re omstandigheden van elk geval.

De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt, met overneming van de redenen van de beroepen beschikking en met eigen redenen, dat de eiser niet op de dag van zijn ziekenhuisopname maar de dag nadat hij de dienst intensieve zorgen had verlaten, van zijn vrijheid is beroofd. Het arrest verantwoordt die beslissing door erop te wijzen dat de aanwezigheid van de politieagenten bij het ziekbed van de eiser, die gewond werd bij een schietpartij, tijdens de eerste dagen van zijn ziekenhuisopname, slechts een beschermingsmaatregel was, ingegeven door het geweld van de feiten waarbij de eiser betrokken lijkt te zijn, en dat die maatregel niet tot doel noch tot gevolg had zijn bewegingsvrijheid te belemmeren.

Met die beoordeling in feite verantwoordt de kamer van inbeschuldigingstelling haar beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Er bestaan geen algemene rechtsbeginselen zoals "wapengelijkheid" en "het recht op tegenspraak", die onderscheiden zouden zijn van de algemene beginselen van de eerbiediging van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijke be-handeling van de zaak.

Het middel faalt wat dat betreft naar recht.

De eiser voert aan dat een afzonderlijk onderzoek werd geopend tegen de persoon die op hem heeft geschoten, dat beide onderzoeken gevoegd moeten worden om-dat de feiten in beide onderzoeken een ondeelbare reeks uitmaken, en dat de voor-lopige hechtenis, door geen volledig afschrift van het andere dossier bij de rechts-pleging te voegen, niet kan worden gehandhaafd zonder het recht van verdediging te miskennen en artikel 21, § 2, Voorlopige Hechteniswet te schenden.

In zoverre het middel berust op de bewering dat de feiten in beide rechtsplegingen dezelfde zijn, vermengt het feit en recht en is het niet ontvankelijk.

De aangevoerde wetsbepaling verplicht het onderzoeksgerecht niet om elk door een inverdenkinggestelde geformuleerd verzoek tot het voegen van stukken in te willigen.

Hoewel het aan het openbaar ministerie en aan de onderzoeksrechter staat om met name alle gegevens mee te delen die invloed kunnen hebben op het bestaan van aanwijzingen van schuld of op de aanwezigheid van omstandigheden die de hech-tenis absoluut noodzakelijk maken, kan uit het enkele feit dat de stukken uit het afzonderlijk dossier daarvan slechts een gedeelte uitmaken, niet worden afgeleid dat die verplichting niet zou zijn nagekomen. Het feit dat het openbaar ministerie dat de bewijslast draagt en instaat voor het geheim van het onderzoek, de keuze van die stukken maakt, kan niet leiden tot een miskenning van het recht van ver-dediging.

De appelrechters, die erop wijzen dat de verdediging over dezelfde stukken be-schikt als die welke in het bezit zijn van de vervolgende partij, van de onder-zoeksmagistraat en van het rechtscollege zelf, die alleen beslissen op grond van gegevens die de inverdenkinggestelde heeft kunnen tegenspreken, antwoorden al-dus op de conclusie van de eiser en verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

De eiser heeft een conclusie neergelegd waarin hij aanvoert dat de aanwijzingen van schuld zich beperken tot de verklaringen van de uitbater van het café en van de klant die de eiser zou hebben bedreigd. Hij voert aan dat die aanwijzingen niet ernstig zijn omdat voornoemde verklaringen verschillende uren na de feiten zijn afgelegd, dat zij elkaar tegenspreken met betrekking tot de vraag of alleen de eiser slagen heeft toegebracht, dat collusie niet uit te sluiten valt, dat kritiek kan worden uitgeoefend op het feit dat de eiser op foto is herkend omdat de speurders slechts één foto aan de uitbater hebben getoond, en omdat het medisch getuigschrift letsels beschrijft die niet overeenkomen met de slagen die de inverdenkinggestelde ten laste zijn gelegd.

De conclusie die voor de eiser is neergelegd, weerlegt niet dat hij na de schietpartij in het ziekenhuis werd opgenomen en bevat, onder het opschrift "Geen ernstige aanwijzingen van schuld", geen feitelijke gegevens die de telastlegging verboden wapendracht betwisten.

Het arrest wijst erop, met overneming van de motivering van het bevel tot aan-houding, dat de eiser ervan verdacht wordt dat hij zich heeft verplaatst in het bezit van een vuurwapen en dat hij in een café van dat wapen gebruik heeft ge-maakt na één van de aanwezige klanten te hebben geslagen. De appelrechters, die verwijzen naar de verklaringen van de cafébaas en van de bedreigde klant, verdui-delijken de elementen die volgens hen, tot op heden, ernstige aanwijzingen van schuld uitmaken met betrekking tot de voornoemde telastlegging.

Zij dienden niet te antwoorden op de conclusie van de eiser betreffende de telast-legging bedreigingen door gebaren, omdat dit wanbedrijf, dat door artikel 329 Strafwetboek wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden, niet behoort tot de misdrijven waarvoor een bevel tot aanhouding kan worden verleend en dus niet als grondslag daarvan kan dienen. Zij dienden even-min te antwoorden op het verweer waarin de slagen worden betwist, aangezien de voorlopige hechtenis niet op grond daarvan is bevolen.

Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen.

Ambtshalve middel : schending van de artikelen 16, § 1, eerste lid, en 22, zesde lid, Voorlopige Hechteniswet.

Krachtens artikel 22, zesde lid, Voorlopige Hechteniswet, onderzoekt de raadka-mer of er met artikel 16, § 1, overeenstemmende redenen voorhanden zijn om de voorlopige hechtenis te handhaven.

Artikel 16, § 1, eerste lid, bepaalt dat het bevel tot aanhouding alleen kan worden verleend indien het feit voor de verdachte een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben.

In zoverre het bevel tot aanhouding van 3 oktober 2012 tegen de eiser is uitge-vaardigd wegens bedreigingen door gebaren, een feit dat volgens artikel 329 Strafwetboek wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden, kan daarvoor geen hechtenis worden bevolen of gehandhaafd.

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewe-zen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de hechtenis handhaaft wegens be-dreigingen door gebaren of zinnebeelden.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser tot twee derde van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het overige derde ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 7 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Effectieve vrijheidsberoving

  • Begrip

  • Verlies van vrijheid van komen en gaan

  • Feitelijke kwestie