- Arrest van 8 november 2012

08/11/2012 - C.11.0442.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De partij die incidenteel beroep instelt, kan nog principaal beroep instellen tegen een vonnis alvorens recht te doen na zijn eerste beroep, voor zover dat vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan (1). (1) Zie Cass. 20 sept. 2001, C.98.0451.N, AC 2001 nr. 477.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0442.F

G. D.,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BPOST, naamloze vennootschap van publiek recht,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen van 5 maart 2009.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 16 oktober 2012 een conclusie neerge-legd ter griffie.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan in het cassatieverzoekschrift, waarvan een eens-luidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens artikel 1050, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dat een be-slissing alvorens recht te doen.

Luidens artikel 1051, eerste lid, van dat wetboek, is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen van de betekening van het vonnis of de ken-nisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.

Artikel 1054, eerste lid, van hetzelfde wetboek bepaalt dat de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of vóór de betekening erin heeft berust.

Volgens artikel 1055 van dat wetboek kan tegen ieder vonnis alvorens recht te doen, zelfs al is het zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, hoger beroep worden ingesteld, tegelijkertijd als tegen het eindvonnis. Die bepaling geldt alleen voor de partij die het hoofdberoep instelt.

De partij die incidenteel beroep instelt, kan nog hoofdberoep instellen tegen een vonnis alvorens recht te doen na zijn eerste beroep, voor zover dat vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende:

- de vrederechter heeft in zijn vonnis van 2 mei 2001 herhaald dat, volgens zijn vonnis van 3 november 1993, dat in hoger beroep is bevestigd bij vonnis van 8 oktober 1999 van de rechtbank van eerste aanleg, de staat van het litigieuze pand uitsluitend te wijten was aan het foutieve gedrag van de verweerster, en heeft haar veroordeeld om aan de eiser een provisioneel bedrag van 2.132.662 frank (52.867,31 euro) te betalen wegens genotsstoornis van 1 augustus 1992 tot 1 augustus 1999, vermeerderd met de compensatoire interest, alsook tot één frank provisioneel voor de belasting wegens leegstand van het pand; dat vonnis van 2 mei 2001 werd aan de verweerster betekend op 28 juni 2001;

- de vrederechter heeft de verweerster bij vonnis van 30 maart 2006 veroordeeld tot betaling, aan de eiser, van verschillende bedragen wegens huurschade;

- de eiser heeft, bij verzoekschrift van 6 december 2006, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 30 maart 2006 en de verweerster heeft tegen dat vonnis incidenteel beroep en tegen het vonnis van 2 mei 2001 hoofdberoep ingesteld.

Het bestreden vonnis dat, na te hebben beslist dat artikel 1055 van het Gerechte-lijk Wetboek niet van toepassing is op de verweerster, die tegen het vonnis van 30 maart 2006 incidenteel beroep heeft ingesteld, het hoofdberoep van de verweerster tegen de beslissingen alvorens recht te doen van het vonnis van 2 mei 2001 ontvankelijk verklaart, niettegenstaande dat het voornoemde vonnis haar op 28 juni 2001 is betekend, schendt de voormelde wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

Omvang van de vernietiging

De vernietiging van de beslissing die het hoofdberoep van de verweerster tegen het vonnis van 2 mei 2001 ontvankelijk verklaart, strekt zich uit tot de beslissingen die de vonnissen van 2 mei 2001 en 30 maart 2006 gedeeltelijk nietig verklaren, wegens het verband dat de feitenrechter tussen die beslissingen heeft gelegd.

De overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede middel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dat vonnis het hoofdberoep van de eiser en het incidenteel beroep van de verweerster tegen het vonnis van 30 maart 2006 ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Doornik, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Michel Lemal, en in openbare terecht-zitting van 8 november 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Incidenteel beroep

  • Vonnis alvorens recht te doen

  • Principaal beroep