- Arrest van 9 november 2012

09/11/2012 - C.12.0146.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De regelingsakte, dit is de akte waarbij de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten regelen is een familiaalrechtelijke overeenkomst van bijzondere aard die onderworpen is aan de algemene regels van het verbintenissenrecht, met dien verstande dat zij gelet op haar aard en strekking niet kan worden aangevochten wegens dwaling of benadeling aangezien de partijen geacht worden deze risico’s bij het sluiten van de overeenkomst te hebben verdisconteerd (1). (1) Zie de concl. van het O.M.; zie ook het arrest in de zaak AR C.12.0051.N van dezelfde datum (supra, nr. *** en de voetnoot).

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0146.N

C.A.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

A.D.J.,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 september 2011.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 5 oktober 2012 een schriftelijke con-clusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 887, 888, 2044, 2048, 2049, 2052 tot 2058 Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1287 en 1288 Gerechtelijk Wetboek, deze twee artikelen als gewijzigd door de wetten van 1 juli 1972, 30 juni 1994, 13 april 1995 en 20 mei 1997 maar vóór hun wijziging door de wet van 27 april 2007 en, voor zover als nodig, als gewijzigd door de wet van 27 april 2007.

Aangevochten beslissing en motieven:

Het bestreden arrest wijst af, bij bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de vordering van eiser tot vernietiging, wegens benadeling voor meer dan een vierde, op grond van artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek, van de op 6 juni 2002 verleden notariële regelingsakte voorafgaande de echtscheiding bij onderlinge toestemming.

Het motiveert die beslissing als volgt:

"(Eiser) houdt voor dat hij voor meer dan één vierde benadeeld werd bij de voormelde akte en vraagt de vernietiging ervan op grond van de art. 887 en 888 B.W.

Ten onrechte houdt (verweerster) voor, hierin gevolgd door de eerste rechter, dat de voormelde bepalingen geen toepassing vinden op andere verdelingen dan deze die een nalatenschap betreffen.

De gelijkheid tussen de deelgenoten is immers fundamenteel in alle onverdeeldheden, ook deze voorkomend uit de ontbinding van een gemeenschappelijk vermogen (zie o.m. de Page, H., Traité élémentaire de droit civil belge, t. IX, 1974, nr . 1479, p. 1055 ; art. 1476 (oud) B.W.).

Eveneens ten onrechte houdt (verweerster) voor, hierin eveneens gevolgd door de eerste rechter, dat deze bepalingen niet van toepassing zouden zijn omdat het hier een dading betreft.

Een deelgenoot kan wel degelijk opkomen wegens benadeling voor meer dan één vierde, tegen een dading die tot doel heeft de onverdeeldheid te doen ophouden (zie o.m. Cass. 28 januari 2010 ; Cass. 21 oktober 1943; De Page, H., Traité élémentaire de droit civil belge, t. IX, 1974, nr. 1474, p. 1048-105; vgl. Pintens, W., "De vernietiging van de overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming", R.W. 2000-01, p. 241).

De regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming houdt evenwel een dading in die niet alleen beoogt een einde te stellen aan een onverdeeldheid, maar houdt ook een aantal andere regelingen in, o.m. m.b.t. de alimentaire verplichtingen. Verder dient ook rekening gehouden met de eventuele verregaande toegevingen die een echtgenoot wil doen om kost wat kost de ontbinding van het huwelijk te verkrijgen.

Ook al zijn de bedingen aangaande de regeling van de wederzijdse rechten en aangaande de onderhoudsuitkering na echtscheiding onderworpen aan de regelen van het verbintenissenrecht, voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de prestaties kan men er immers niet buiten om de speciale aard en context van dat soort overeenkomsten mede in rekening te brengen, meer bepaald dat er nu eenmaal een prijs bedongen kan worden voor de persoonsrechtelijke vrijheid die de mede-echtgenoot wenst te herwinnen. In die - beperkte - zin zijn de overeenkomsten voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming geen contracten zoals de andere. (vgl. Senaeve, P., "De nietigverklaring van een beding van een overeenkomst voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming na de ontbinding van het huwelijk", E.J. 2001/2, p. 29, nr. 12 ; zie eveneens Pintens, W., "De vernietiging van de overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming", R.W. 2000-01, p. 241).

De vernietiging wegens benadeling is m.b.t. dergelijke regelingsakte dan ook uitgesloten. (...)

In de regelingsakte is immers voorzien ... ‘dat ter voldoening van alle rechten, partijen verklaren de hen toebehorende goederen te verdelen als volgt ...' Uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven blijkt echter wat de voormelde roerende goederen en spaar- en bankrekeningen inhouden, zodat zelfs niet blijkt wat de te verdelen activa waren."

Grieven

1) Artikel 887, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat er grond tot vernietiging van een verdeling bestaat, wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde benadeeld is.

Artikel 888, eerste lid, van hetzelfde wetboek bepaalt dat de vordering tot vernietiging is toegelaten tegen elke handeling die ten doel heeft de onverdeeldheid onder de mede-erfgenamen te doen ophouden, zelfs al mocht die handeling koop, ruil en dading of anders genoemd zijn.

Deze principes vinden toepassing op alle verdelingen en in het bijzonder op de verdeling van de uit de ontbinding van een huwelijksvermogen voorkomende onver-deeldheid.

Op grond van die bepalingen kan een verdelende mede-eigenaar wegens benade-ling voor meer dan een vierde opkomen tegen een dading die tot doel heeft de onverdeeldheid te doen ophouden (Cass. 21 oktober 1943, Pas., 1944, I, 18 en conclusie van de heer procureur-generaal R. Hayoit de Termicourt; 21 november 1946, Arr. Cass., 400, J.T., 1947, 68, met noot Ferrier, R.C.J.B., 1947, 96, met noot R. Piret; Cass. 28 januari 2010, C.09.0036.N). Het volgt niet uit de artikelen 2044, 2048, 2049, 2052 tot 2058 Burgerlijk Wetboek, die de dading omschrijven en regelen, en in het bijzonder niet uit het artikel 2052, tweede lid, volgens het welk men niet tegen de dading kan opkomen wegens benadeling, dat artikels 887 en 888 geen toepassing zouden vinden op een dading die tot doel of als uitwerking heeft een onverdeeldheid te doen ophouden.

2) Artikel 1287, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, ertoe gehouden zijn vooraf hun wederzijdse rechten te regelen waaromtrent het hun vrij staat een vergelijk te treffen.

Artikel 1288 van hetzelfde wetboek bepaalt dat de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, ertoe gehouden zijn vooraf hun overeenkomst over een aantal specifieke punten bij geschrift vast te leggen.

De door deze twee artikelen voorziene voorafgaande overeenkomsten zijn onderworpen aan het verbintenissenrecht en aan het algemene contractenrecht (Cass. 16 juni 2000, nr. 374 met strijdige conclusie van de heer advocaat-generaal Dubrulle; R.C.J.B., 2002, 400, met noot H. Casman).

Als de overeenkomst houdende de voorafgaandelijke regeling van de wederzijdse rechten van de echtgenoten tot doel of als uitwerking had een onverdeeldheid tussen echtgenoten te doen ophouden, kan een vorige echtgenoot wegens benadeling voor meer dan een vierde tegen deze overeenkomst opkomen.

3) Het aangevochten arrest stelt vast dat in de litigieuze regelingsakte verklaard was dat de tot de partijen toebehorende goederen te verdelen waren. Het arrest, dat beslist dat uit geen objectief gegeven blijkt "wat de te verdelen activa waren", maar niet ontkent dat de regelingsakte tot doel of als uitwerking had activa te verdelen, heeft niet naar recht kunnen beslissen dat het eiser niet toegelaten is de voorafgaandelijke regelingsakte aan te vechten op grond van de artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek.

Bijgevolg schendt het bestreden arrest de artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek en al de andere in het middel aangeduide wetsartikelen.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepaling

- het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging.

Aangevochten beslissing en motieven

Het bestreden arrest wijst af, bij bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de vordering van eiser strekkende tot vernietiging wegens benadeling voor meer dan een vierde, op grond van artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek, van de op 6 juni 2002 verleden notariële regelingsakte voorafgaande de echtscheiding bij onderlinge toestemming.

Het motiveert die beslissing als volgt:

"Bovendien, ten overvloede, dient opgemerkt dat (eiser), die de bewijslast dienaangaande heeft, zelfs niet in het minst aantoont dat hij voor meer dan één vierde benadeeld werd bij de verdeling van de goederen.

In de regelingsakte is immers voorzien dat partijen ‘in deze akte op verzoek van ondertekende notaris mekaar omstandige opgave hebben gedaan van al hun roerende en onroerende gemeenschapsgoederen en van alle lopende schulden, vergoedingen en overeenkomsten waaromtrent een regeling door art. 1287 Gerechtelijke Wetboek is vereist' en ‘dat ter voldoening van alle rechten, partijen verklaren de hen toebehorende goederen te verdelen als volgt : de meubelen en mobilaire voorwerpen, spaar- en bankrekeningen welke partijen onderling hebben verdeeld en die hij verklaart in zijn bezit te hebben.' Uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven blijkt echter wat de voormelde roerende goederen en spaar- en bankrekeningen inhouden, zodat zelfs niet blijkt wat de te verdelen activa waren, en meteen niet uit te maken valt dat (eiser) bij de verdeling voor meer dan een vierde benadeeld zou zijn".

Grieven

In zijn synthesebesluiten in hoger beroep (blz. 3 en 4) had eiser geargumenteerd:

"Aldus heeft hij de notariële akte d.d. 6 juni 2002 ondertekend waardoor hij nauwelijks iets bekwam.

De kleden en persoonlijke voorwerpen, het hem toebehorend gereed geld en de meubelen en mobilaire voorwerpen, alsook de spaar- en bankrekeningen die hij overhield hadden geen beduidende waarde. De waarde lag zeker niet hoger dan hetgeen (verweerster) bekwam voor deze posten.

(Verweerster) daarentegen bekwam o.a. het onroerend goed dat quasi uitsluitend met de eigen gelden van (eiser) was gefinancierd; deze eigen gelden waren afkomstig van de verkoop van het enig onroerend goed van (eiser)in Nederland.

(Verweerster) raamt zelf in haar besluiten in eerste aanleg (blz. 2 onderaan) de waarde van dit onroerend goed op 200.000 euro. Dit toont toch wel aan dat (eiser) meer dan een vierde benadeeld werd.

(Verweerster) kan trouwens niet betwisten dat het roerend gedeelte van het huwelijksvermogen onbeduidend was in vergelijking met de waarde van het onroerend goed, hetgeen blijkt uit haar besluiten in eerste aanleg waarin deze feiten nooit tegengesproken werden.

Zelfs indien (eiser)een groter gedeelte zou bekomen hebben - quod non- zou dit slechts een minieme fractie van de waarde van het onroerend goed belopen hebben. Op de datum van de notariële akte E.O.T. of op datum vonnis E.O.T. beliep de totale waarde van de bankrekeningen die aan (eiser)toebedeeld waren ruim minder dan 2.500 euro, hetgeen (eiser), in ondergeschikte orde, aanbiedt te bewijzen door bij de bank een attest desbetreffend te vragen en dit aan het hof voor te leggen.

Kleren en persoonlijke voorwerpen of gereed geld waren minimaal, zoals bij de overgrote meerderheid der echtgenoten het geval is, volgens algemene bekendheid en bevestigd door de feitelijke levensstijl van partijen ten tijde van het huwelijk, waarvoor (eiser), in ondergeschikte orde, zoveel als nodig het getuigenbewijs aanbiedt.

(Verweerster) heeft in eerste aanleg het onroerend goed bekomen, zijnde het enige bestanddeel met waarde.

Door haar onjuiste berekeningsbasis van 200.000 euro voor de rechtsplegingsver-goeding erkent (verweerster) de ingeroepen benadeling."

In haar besluiten voor het hof van beroep heeft verweerster niet aangevoerd dat ei-ser de benadeling van meer dan een vierde niet bewees. Verweerster heeft niet ontkend dat het haar toegewezen onroerend goed, dat ze zelf op 200.000 euro geraamd had, het enig waardevol goed was.

Door de vordering van eiser te verwerpen op basis van ambtshalve aangevoerde gronden waarop eiser geen mogelijkheid kreeg te antwoorden, heeft het bestreden arrest het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging geschonden.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 1287, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun eventueel vrijstaat een vergelijk te treffen, vooraf moeten regelen.

2. Deze regelingsakte is een familiaalrechtelijke overeenkomst van bijzondere aard die onderworpen is aan de algemene regels van het verbintenissenrecht, met dien verstande dat zij gelet op haar aard en strekking niet kan worden aangevoch-ten wegens dwaling of benadeling aangezien de partijen geacht worden deze risi-co's bij het sluiten van de overeenkomst te hebben verdisconteerd.

3. De appelrechters die oordelen dat de regelingsakte van de partijen niet enkel beoogt een einde te stellen aan de onverdeeldheid, maar ook een aantal andere re-gelingen bevat en dat "voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid der presta-ties, men (er) niet buiten (kan) om de speciale aard en context van dat soort over-eenkomsten mede in rekening te brengen" en op die gronden beslissen dat een vernietiging van de regelingsakte wegens benadeling krachtens de artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek is uitgesloten, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

4. De grieven die betrekking hebben op een ten overvloede gegeven redenge-ving, vertonen geen belang.

Het middel is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 725,07 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 9 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen M. Delange K. Mestdagh

A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Echtscheiding door onderlinge toestemming

  • Voorafgaande overeenkomst

  • Toepasselijke regels

  • Kwalificatie

  • Dwaling

  • Benadeling