- Arrest van 9 november 2012

09/11/2012 - C.12.0051.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming blijft zoals iedere vermogensrechtelijke overeenkomst onderworpen aan de regels van het verbintenissenrecht (1); een dergelijke overeenkomst kan, ook al wordt zij gekwalificeerd als een dading, worden aangevochten op grond van gekwalificeerde benadeling, dit is de benadeling die bestaat uit een manifeste wanverhouding tussen de wederzijds bedongen prestaties en die het gevolg is van het misbruik van de ene partij van de zwakke positie van de andere (2). (1) Cass. 16 juni 2000, voltallige zitting, AR C.96.0006.N, AC 2000, nr. 374, met (andersluidende) conclusie O.M.; RW 2000-2001, 238, noot W. Pintens, De vernietiging van de overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming. (2) Het O.M. concludeerde dat de kwalificatie van de EOT-akte, die, volgens deze rechtspraak van het Hof inderdaad onderworpen is aan de regels van het verbintenissenrecht, dus niet zonder belang is en dat ze dus in elk geval niet zonder onderscheid tot het besluit kan leiden dat die akte door gekwalificeerde benadeling van een partij kan aangetast zijn; dat het Hof niet tot dat besluit kan komen in de plaats van de feitenrechter en dat het terugkomen op een oude EOT-akte, opgesteld door een notaris, die de partijen ook dient voor te lichten, met grote omzichtigheid dient te worden benaderd en dat het Hof zich dus ook in dezen terughoudend dient op te stellen ten aanzien van zulke nietigheidsgrond. Het O.M. was derhalve van mening dat het middel een belang vertoonde en zelfs gegrond was, in zoverre het een schending van het beschikkingsbeginsel aanvoerde, omdat zowel de verweerster als de eiser in hun appelconclusie hadden aangevoerd dat hun EOT-overeenkomst een dading is en de appelrechters oordelen dat de partijen geen dading hebben gesloten. Zie overigens de eensluidende conclusie O.M. voor het arrest in de zaak AR C.12.0146.N van dezelfde datum (infra nr. ***).


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0051.N

R.C.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

A.B.,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 22 september 2011.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 5 oktober 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgende middel aan

Middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- het algemeen rechtsbeginsel inzake de autonomie der partijen bij het burgerlijk geding, ook nog het beschikkingsbeginsel genoemd, krachtens hetwelk partijen in burgerlijke zaken het recht hebben om zelf de grenzen van het geschil te bepalen en dat onder meer in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek zijn toepassing vindt;

- het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van het recht van verdediging;

- de artikelen 774, tweede lid en 1287 Gerechtelijk Wetboek;

- en voor zoveel als nodig, de artikelen 1118, 2052, tweede lid, 2044 en 2053 Burgerlijk Wetboek.

Bestreden beslissing

De appelrechters oordelen dat de vordering van verweerster tot nietigverklaring van de patrimoniale regelingen vervat in de EOT-akte toelaatbaar is en verwerpen het door eiser aangevoerd verweermiddel dat de EOT-akte in casu een dading betreft en dat dergelijke akte niet kan worden bestreden op grond van rechtsdwaling of benadeling, maar ook niet op grond van bedrog of geweld en dit op grond van de volgende redengeving:

"1.3. Sedert de wet van 30 juni 1994 wordt algemeen aangenomen dat de overeenkomst houdende de voorafgaande regeling van de wederzijdse rechten opgesteld in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming onderworpen is aan de regels van het verbintenissenrecht

Tevens kan ook een onderdeel van de regelingsakte nietig worden verklaard, nu de nietigheid van een onderdeel geen gevolgen heeft voor de echtscheiding zelf (zie in dezelfde zin: Cass. 16 juni 2000, R.W. 2000-2001, 238).

Enkel indien de voorafgaande overeenkomst wordt beschouwd als een echte dading, zoals omschreven in artikel 2044 Burgerlijk Wetboek, is daarop het artikel 2052 Burgerlijk Wetboek van toepassing: Deze wetsbepaling sluit de rechtsdwaling en benadeling uit als vernietigingsgrond.

Dit impliceert dat bij toepassing van art. 2053 Burgerlijk Wetboek de rechtsgeldigheid van de regelingsakte, bedoeld in art. 1287 Gerechtelijk Wetboek - ten deze de patrimoniale bedingen die erin vervat zijn - voor zover die akte niet als een echte dading wordt beoordeeld, kan worden bestreden op grond van bepaalde wilsgebreken.

Omdat niets verhindert dat de echtgenoten in de regelingsakte een volstrekt ongelijke verdeling van activa en passiva bedingen, is de toepassing van de gewone benadeling evenwel niet toepasselijk.

Dit sluit evenwel de toepassing van de gekwalificeerde benadeling of het misbruik van omstandigheden niet uit."

En vervolgens oordelen de appelrechters dat verweerster wel degelijk wilsbekwaam was dat verweerster niet het bewijs levert dat de akte zou zijn tot stand gekomen door geweld dat door eiser tegenover haar zou zijn uitgeoefend, dat evenmin is bewezen dat door eiser hoofdbedrog werd gepleegd, doch oordelen vervolgens dat eiser misbruik heeft gemaakt van de inferieure positie waarin verweerster zich bevond ten tijde van het vastleggen van de patrimoniale bepalingen van de EOT-akte op 7 september 1995 en oordelen op grond daarvan dat er ten deze ernstige aanwijzingen zijn dat de globale regeling van de patrimoniale aanspraken van de echtgenoten terdege behept is met een gekwalificeerde benadeling, doch oordelen verder dat, gelet op de afwezigheid van een inventaris en rekening houdend met het feit dat partijen voorafgaandelijk reeds gedeeltelijke toewijzingen en/of verdelingen hebben doorgevoerd, het aangewezen is dat een deskundige wordt ingesteld met het oog op het opstellen van een volledige inventaris. Tot slot verwerpen de appel-rechters de vordering van verweerster in zoverre gesteund op beweerde verduistering en kennen aan verweerster een provisioneel bedrag toe van 5.000 euro.

Aangevoerde grieven

Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel inzake de autonomie der partijen bij het burgerlijk geding, ook wel beschikkingsbeginsel genoemd, hebben de partijen in burgerlijke zaken het recht om zelf de grenzen van het geschil te bepalen dat zij aan de rechter voorleggen. Dit beginsel wordt onder meer toegepast in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek.

Uit de lezing van de laatste syntheseconclusies van partijen blijkt dat er geen betwisting bestond tussen partijen dat de tussen hen afgesloten EOT-akte van 7 september 1995 diende beschouwd te worden als een dading. Zo voerde eiser in zijn syntheseconclusie II dd. 13 februari 2009 uitdrukkelijk aan:

"De overeenkomst EOT is te kwalificeren als een dading.

De rechtsleer en de rechtspraak zijn het er over eens dat een in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming afgesloten dading niet bestreden kan worden op grond van rechtsdwaling of benadeling maar ook niet in geval van bedrog of geweld. Dit houdt een afwijking in op het artikel 2053 Burgerlijk Wetboek. Deze interpretatie is gesteund op het feit dat de procedure enige tijd in beslag neemt, waardoor de echtgenoten tijd hebben om de eventuele gebreken zelf vast te stellen en op de overweging dat de toe te passen sancties een reeds definitief geworden echtscheiding op de helling zouden kunnen zetten.

Met betrekking tot de benadeling zij nog opgemerkt dat niets echtgenoten verhindert om een volstrekt ongelijke verdeling van activa en passiva overeen te komen. Dit brengt met zich mee dat inroepen van benadeling door een van de echtgenoten niet kan.

Verweerster was het ermee eens dat de EOT-akte diende beschouwd te worden als een dading zoals blijkt uit haar syntheseconclusie dd. 12 januari 2009 waarin zij het volgende liet gelden: "De dadingsovereenkomst gesloten tussen [verweerster] en [eiser] ter beëindiging van hun huwelijk is ab initio aangetast door het wilsgebrek bedrog". Zo schreef zij verder: "Naast de nietigheid van de overeenkomst wegens bedrog, zou de EOT-overeenkomst, als dading, in casu ook vernietigd kunnen worden op grond van gekwalificeerde benadeling". Uit de gezamenlijke lezing van de syntheseconclusies van beide partijen blijkt derhalve dat beide partijen het erover eens waren dat de EOT-akte die tussen hen werd afgesloten wel degelijk diende gekwalificeerd te worden als een dading. De appelrechters oordelen evenwel: "enkel indien de voorafgaande overeenkomst wordt beschouwd als een echte dading, zoals omschreven in artikel 2044 Burgerlijk Wetboek, is daarop het artikel 2052 Burgerlijk Wetboek van toepassing: deze wetsbepaling sluit de rechtsdwaling en benadeling uit als vernietigingsgrond. Dit impliceert dat bij toepassing van artikel 2053 Burgerlijk Wetboek de rechtsgeldigheid van de regelingsakte, bedoeld in artikel 1287 Gerechtelijk Wetboek ten deze de patrimoniale bedingen die erin vervat zijn - voor zover die akten niet als een echte dading worden beoordeeld - kan worden bestreden op grond van bepaalde wilsgebreken. Omdat niets verhindert dat de echtgenoten in de regelingsakte een volstrekt ongelijke verdeling van activa en passiva bedingen, is de toepassing van de gewone benadeling evenwel niet toepasselijk. Dit sluit evenwel de toepassing van de gekwalificeerde benadeling of het misbruik van omstandigheden niet uit." Vervolgens oordelen de appelrechters evenwel, dat de partijen evenwel geen dading hebben afgesloten zoals bedoeld in artikel 2044 Burgerlijk Wetboek en dat derhalve de nietigverklaring van de patrimoniale bedingen vervat in de door hen opgestelde EOT-akte kan worden gevorderd op grond van bedrog, geweld en de gekwalificeerde benadeling. Aldus werpen de appelrechters ambtshalve een betwisting op die tussen de partijen niet bestond nu beide partijen het erover eens waren dat de tussen hen afgesloten EOT-akte wel degelijk als dading te kwalificeren was. Door aldus ambtshalve een betwisting op te werpen die door de partijen bij conclusies gelijkelijk was uitgesloten schenden de appelrechters het beginsel inzake autonomie der partijen bij het burgerlijk geding, ook wel beschikkingsbeginsel genoemd, krachtens hetwelk de partijen in burgerlijke zaken het recht hebben om zelf de grenzen van het geschil te bepalen dat zij aan de rechter voorleggen en dat onder meer in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek wordt toegepast. Door verder uitspraak te doen over de vordering tot nietigverklaring ingesteld door verweerster, ervan uitgaande dat de EOT-akte niet kan beschouwd worden als een dading, zonder de kans te geven aan eiser om terzake te besluiten schenden de appelrechters bovendien het recht van verdediging van eiser (schending van het algemeen rechtsbeginsel dan de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft) en door tevens na te laten de debatten te heropenen schenden zij tevens artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Door tenslotte te oordelen dat eiser misbruik heeft gemaakt van de inferieure positie van verweerster schenden zij bovendien de bepalingen van de artikelen 1118, 2052, tweede lid en 2053 Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: de kritiek dat de appelrechters geoordeeld hebben dat de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming geen dading is terwijl deze kwalificatie niet ter discussie stond, vertoont geen belang aangezien een dergelijke akte, ongeacht de hieraan gegeven kwalificatie, steeds kan worden aangevochten op grond van gekwalificeerde benadeling.

2. Een regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toe-stemming blijft zoals iedere vermogensrechtelijke overeenkomst onderworpen aan de regels van het verbintenissenrecht. Een dergelijke overeenkomst kan, ook al wordt zij gekwalificeerd als een dading, worden aangevochten op grond van ge-kwalificeerde benadeling, dit is de benadeling die bestaat uit een manifeste wan-verhouding tussen de wederzijds bedongen prestaties en die het gevolg is van het misbruik door de ene partij van de zwakke positie van de andere.

3. De appelrechters konden derhalve, ongeacht de door hen gegeven kwalifica-tie van de overeenkomst, naar recht oordelen dat de verweerster de akte kon aan-vechten op grond van gekwalificeerde benadeling, zodat het middel geen belang vertoont.

De grond van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 578,13 euro en voor de verweerster op 395,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Mireille Delange, en op de open-bare rechtszitting van 9 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen M. Delange K. Mestdagh

A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Echtscheiding door onderlinge toestemming

  • Voorafgaande overeenkomst

  • Toepasselijke regels

  • Kwalificatie

  • Gekwalificeerde benadeling