- Arrest van 13 november 2012

13/11/2012 - P.12.1082.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1082.N

J V D B,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 18 mei 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 24 oktober 2012 ter griffie een conclusie neergelegd.

Op de openbare rechtszitting van 13 november 2012 heeft raadsheer Antoine Lie-vens verslag uitgebracht en advocaat-generaal Patrick Duinslaeger geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. In zoverre het arrest uitspraak doet over eisers verzoek tot bijkomende on-derzoekshandelingen, met toepassing van artikel 61quinquies Wetboek van Straf-vordering, is het geen eindbeslissing en doet het evenmin uitspraak in een der ge-vallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: het ar-rest kon niet wettig de onregelmatigheid van het deskundigenonderzoek wegens gebrek aan tegenspraak uitsluiten met de enkele reden dat het geheim van het on-derzoek de tegenspraak in de weg staat in deze stand van de procedure, dat de ei-ser perfect tegenspraak zal kunnen voeren terloops de verdere procedure en het ar-rest Mantovanelli er niet aan in de weg staat dat er tijdens een inquisitoir onder-zoek geen tegenspraak is.

3. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van tegenspraak dat verschilt van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

4. De omstandigheid dat de partijen, in het kader van een strafrechtspleging, niet kunnen deelnemen aan het door de onderzoeksrechter bevolen deskundigen-onderzoek, behalve en in zoverre hij zulks gepast vindt voor het opsporen van de waarheid, levert als dusdanig geen schending van artikel 6 EVRM, noch een mis-kenning van het recht van verdediging op.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Het komt in eerste instantie toe aan de onderzoeksrechter die het deskundi-genonderzoek beveelt en later aan het onderzoeksgerecht, voor wie wordt aange-voerd dat het deskundigenonderzoek nietig is wegens het gebrek aan tegenspraak, onaantastbaar te oordelen of het geheim van het onderzoek een obstakel vormt voor het geheel of gedeeltelijk tegensprekelijk uitvoeren van dit deskundigenon-derzoek.

6. Het arrest oordeelt dat "het geheim van het onderzoek (...) de tegenspraak in de weg (staat) in deze stand van de procedure".

7. In zoverre het onderdeel opkomt tegen deze beoordeling in feite van de ap-pelrechters of een onderzoek van feiten vereist, waarvoor het Hof geen bevoegd-heid heeft, is het niet ontvankelijk.

8. Met de redenen dat "het geheim van het onderzoek de tegenspraak in de weg staat in deze stand van de procedure" en dat "de eiser perfect tegenspraak kan/zal kunnen voeren terloops de verdere procedure met betrekking tot de inhoud van het deskundigenonderzoek", verantwoordt het arrest zijn beslissing dat het deskundigenverslag regelmatig is tot stand gekomen en er geen reden is tot toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek en miskenning van de bewijskracht van het verslag van de deskundige: door aan te nemen dat de eiser met het standpunt dat ‘de deskundige er bij zijn onderzoek van uitgegaan is dat de ten laste gelegde misdrijven al bewe-zen zijn verklaard', zou uitgaan van een verkeerde lezing of uitlegging van het verslag dat "volledig aansluit bij de gegeven opdracht" namelijk "de geldstromen in kaart te brengen, de winstmargeberekening van de federale politie toetsen aan de gegevens van de boekhouding en de administratie van de betrokken vennoot-schappen en het maken van een raming van de vermogensvoordelen", schendt het arrest de bewijskracht van het deskundigenverslag.

10. Het arrest oordeelt niet enkel zoals vermeld in het middel, maar ook, met verwijzing naar de in het middel vermelde citaten (p. 7), dat dit objectieve vast-stellingen zijn die uit het onderzoek van de deskundige volgen en (p. 8) dat de deskundige de eiser niet beoordeelt of veroordeelt, maar enkel op objectieve, on-afhankelijke en onpartijdige wijze aangeeft wat uit de door hem verrichte analyse als schuldaanwijzingen is gevolgd en dat uit deze vaststelling geen voorkeur of afkeuring blijkt voor de persoon van de eiser.

11. Aldus geeft het arrest geen uitlegging aan het deskundig verslag die met de inhoud ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 11 en 962 Gerechtelijk Wetboek: door te oordelen dat de deskundige "op objectieve, onafhankelijke en onpartijdige wijze aangeeft wat uit de door hem verrichte analyse als schuldaan-wijzingen is gevolgd", stelt het arrest vast dat de deskundige zich op het terrein van de rechter heeft begeven, zonder daaraan het noodzakelijk gevolg te geven en het deskundigenverslag nietig te verklaren.

13. Het arrest oordeelt niet zoals het onderdeel aanvoert, maar stelt integendeel (p. 8) dat de deskundige de eiser niet beoordeelt of veroordeelt, maar enkel op ob-jectieve, onafhankelijke en onpartijdige wijze aangeeft wat uit de door hem ver-richte analyse als schuldaanwijzingen is gevolgd en dat uit deze vaststelling geen voorkeur of afkeuring volgt voor de persoon van de verdachte.

Het onderdeel, dat niet alle redenen van het arrest in zijn kritiek betrekt, berust al-dus op een onvolledige lezing ervan en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de deskundige en het vermoeden van onschuld: uit de bewoordingen van het deskundigenverslag blijkt dat de deskundige vooringenomen is en ervan uitgaat dat er door de eiser misdrij-ven werden gepleegd; het arrest kon aldus niet wettig beslissen dat er van partij-digheid in hoofde van de deskundige geen sprake is en dat de deskundige zich heeft beperkt tot "objectieve vaststellingen" en op "objectieve, onafhankelijke en onpartijdige wijze" is tewerk gegaan.

15. De rechter oordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar of de deskundige al dan niet vooringenomen is.

16. In zoverre het onderdeel opkomt tegen deze beoordeling in feite van de ap-pelrechters of een onderzoek van feiten vereist, waarvoor het Hof geen bevoegd-heid heeft, is het niet ontvankelijk.

17. De omstandigheid dat het deskundigenverslag de woorden en zinsneden ge-bruikt die het onderdeel vermeldt, houdt niet in dat de aangestelde deskundige vooringenomen en partijdig zou zijn, noch dat hij ervan uitgaat dat de eiser mis-drijven heeft gepleegd en belet niet dat het arrest vaststelt dat de deskundige zich heeft beperkt tot ‘objectieve vaststellingen' en op ‘objectieve, onafhankelijke en onpartijdige wijze' is tewerk gegaan.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vijfde onderdeel

18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op eisers verweer dat met een arrest van 23 april 2008 van het hof van beroep te Antwerpen een verslag van dezelfde deskundige uit de debatten werd geweerd wegens schending van het vermoeden van onschuld.

19. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen kennis nemen van de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het onderdeel schending van die grondwettelijke bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

20. Het arrest oordeelt (p. 8) "Het arrest van het hof van beroep van Antwerpen waar in besluiten wordt naar verwezen is huidig hof, KI niet tegenstelbaar en wordt buiten het debat en de beoordeling gehouden. Het betreft immers een niet geanonimiseerde kopie van een arrest, dat niet toelaat na te gaan hoe het in het bezit is gekomen van [de eiser], waarbij ook niet blijkt dat de wettelijk vereiste griffierechten werden voldaan en waaruit evenmin volgt dat het een eindarrest be-treft, m.a.w. of er geen cassatieberoep werd tegen aangetekend".

Aldus antwoordt het arrest op het bedoelde verweer.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Tweede middel in zijn geheel

21. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: na te hebben vastgesteld dat de eiser tijdens zijn eerste verhoor niet werd bijgestaan door een advocaat, oordeelt het arrest, enkel en al-leen op basis van het bestaan van de "waarborgen" in de Belgische rechtsorde en het feit dat de eiser tijdens zijn verhoor niet te kennen heeft gegeven bijstand te wensen van zijn advocaat of ongeoorloofde druk te hebben ondervonden en dat bijstand hem nooit werd geweigerd, onwettig dat er geen schending van het recht van verdediging voorligt (eerste onderdeel); na te hebben vastgesteld dat het ge-brek aan bijstand van een raadsman tijdens het eerste verhoor een "onregelmatig-heid" is, oordeelt het arrest onwettig dat deze onregelmatigheid niet de nietigheid van de strafvordering tot gevolg heeft en weigert het arrest onwettig de strafvordering onontvankelijk te verklaren; minstens had het arrest tot bewijsuitsluiting moeten overgaan en de aangetaste verklaringen nietig verklaren in toepassing van artikel 235bis Wetboek van strafvordering (tweede onderdeel).

22. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren.

23. De onregelmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een be-klaagde, van verklaringen zonder bijstand van een advocaat of met miskenning van de cautieplicht, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs.

In zoverre faalt het middel naar recht.

24. De onderzoeksgerechten die met toepassing van artikel 235bis, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, de regelmatigheid onderzoeken van een onderzoeks-handeling, zijn niet alleen bevoegd om na te gaan of die handeling al dan niet be-hept is met een onregelmatigheid, maar, teneinde na te gaan of er grond bestaat om de nietigheid uit te spreken van de bekritiseerde handeling, te oordelen of de bedoelde onregelmatigheid het eerlijke karakter van het proces in het gedrang brengt.

25. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad wanneer een verdachte verklaringen aflegt tijdens een politieverhoor met miskenning van de cautieplicht en zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat.

Deze omstandigheid heeft nochtans niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte en vervolgens beklaagde of beschuldigde op eerlijke wijze te behandelen. Wanneer de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter gebruikt worden, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard.

26. Het staat aan de feitenrechter om, in het licht van het geheel van het proces, na te gaan of de bewijswaarde van alle hem voorgelegde gegevens aangetast is door het enkele feit dat een verklaring tijdens het onderzoek afgelegd werd met miskenning van de cautieplicht en zonder de bijstand van een advocaat en, in voorkomend geval, te beslissen tot de niet toelaatbaarheid of de uitsluiting van deze bewijsmiddelen.

27. Het arrest oordeelt niet alleen zoals vermeld in het middel, maar ook: "Uit het onderzoek door het hof, kamer van inbeschuldigingstelling volgt dat het feit dat [de eiser] geen bijstand had bij zijn eerste verhoor, er ook niet om heeft gevraagd, en niet gewezen werd op zijn cautierecht, doch wel dat alles wat hij verklaarde tegen hem kon worden gebruikt, wat inhoudelijk vrijwel op hetzelfde neerkomt, geen gevolg heeft voor de regelmatigheid van het verder onderzoek, daar dat zonder dit eerste verhoor evengoed en op vrijwel dezelfde wijze had kunnen worden gevoerd en met minstens hetzelfde resultaat. Er is dan ook geen enkele grond om met betrekking tot het gerechtelijk onderzoek als gevoerd na het eerste verhoor van [de eiser] toepassing te maken van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvor-dering."

Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

28. Het arrest weigert de bewijsuitsluiting niet enkel omdat er door het ontbre-ken van bijstand van een advocaat bij het eerste verhoor geen miskenning van het recht van verdediging voorligt, maar ook om de redenen die het vermeldt (ro 24).

In zoverre is het eerste onderdeel gericht tegen een overtollige reden, kan het niet leiden tot cassatie en is het niet ontvankelijk.

Derde middel

29. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest weigert niettegenstaande de vaststelling dat de eiser werd verhoord zonder dat hem gewezen werd op zijn zwijgrecht, de straf-vordering onontvankelijk te verklaren of, in ondergeschikte orde, de verhoren nie-tig te verklaren in toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering; door te oordelen dat het niet ter kennis brengen van het zwijgrecht aan de eiser geen schending van het recht van verdediging met zich meebrengt op grond dat "be-zwaarlijk kan gesteld worden [dat de eiser beantwoordt] aan het profiel van de jonge Salduz die de Salduzleer op gang trok en onvertrouwd zou zijn met de termen van het vroeger artikel 47bis, 1, c Wetboek van Strafvordering, namelijk dat zijn verklaringen als bewijs in rechte zouden kunnen worden gebruikt, wat door iedere doorsnee Belg begrepen wordt als een recht om te zwijgen", past het arrest de wet niet juist toe.

30. De onderzoeksgerechten die met toepassing van artikel 235bis, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, de regelmatigheid onderzoeken van een onderzoeks-handeling, zijn niet alleen bevoegd om na te gaan of die handeling al dan niet be-hept is met een onregelmatigheid, maar, teneinde na te gaan of er grond bestaat om de nietigheid uit te spreken van de bekritiseerde handeling, te oordelen of de bedoelde onregelmatigheid al dan niet het eerlijke karakter van het proces in het gedrang brengt.

31. Het arrest oordeelt (p. 11) dat er niet gewezen werd op het cautierecht van de eiser, maar wel dat alles wat hij verklaarde tegen hem kon worden gebruikt, wat inhoudelijk vrijwel op hetzelfde neerkomt, en dat dit geen gevolg heeft voor de regelmatigheid van het verder onderzoek, daar dat, zonder dit eerste verhoor evengoed en op vrijwel dezelfde wijze had kunnen worden gevoerd en met min-stens hetzelfde resultaat. Het oordeelt ook dat er geen enkele grond is om met be-trekking tot het gerechtelijk onderzoek als gevoerd na het eerste verhoor van de eiser toepassing te maken van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering.

Het arrest verantwoordt aldus zijn beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

32. Anders dan het middel ervan uitgaat, oordeelt het arrest niet dat het niet ter kennis brengen van het zwijgrecht aan de eiser geen miskenning van het recht van verdediging met zich meebrengt, maar enkel dat dit niet de onontvankelijkheid van de strafvordering tot gevolg heeft en dat er geen reden is om toepassing te maken van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre is het middel gesteund op een verkeerde lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

Vierde middel

33. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verwerpt het verzoek van de eiser om, in toepassing van artikel 235bis, § 2 en § 1, Wetboek van Strafvordering de regelma-tigheid te onderzoeken van de informantenwerking in deze zaak aan de hand van het of de vertrouwelijke dossiers op de enkele grond dat er geen aanwijzing is en de eiser niet aannemelijk maakt dat er in het strafdossier met informanten is ge-werkt; de eiser kan de bewijslast niet worden opgelegd om eerst aannemelijk te maken dat er wel degelijk met informanten werd gewerkt in het strafdossier.

34. Artikel 149 Grondwet is niet toepasselijk op de onderzoekgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het middel schending aanvoert van die bepaling faalt het naar recht.

35. Het arrest (p. 8 en 9) beantwoordt eisers verweer met de redenen die het vermeldt.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

36. Artikel 235bis, § 1, Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure onderzoekt. Zij kan dit zelfs ambtshalve doen.

Overeenkomstig de tweede paragraaf van hetzelfde artikel handelt de kamer van inbeschuldigingstelling op dezelfde wijze in de andere gevallen waarin ze kennis neemt van de zaak.

Uit deze bepalingen volgt dat het onderzoek van de regelmatigheid van de rechts-pleging door de kamer van inbeschuldigingstelling, ambtshalve of op verzoek van één der partijen, beperkt blijft tot de onderzoekshandelingen die blijken uit de stukken van het strafdossier.

37. Het staat de kamer van inbeschuldigingstelling om op grond van die stukken onaantastbaar te oordelen of een welbepaalde onderzoekshandeling vóór of tijdens het gerechtelijk onderzoek werd aangewend. Zij kan daartoe oordelen dat bij afwezigheid van enige aanwijzing van een welbepaalde onderzoekshandeling in het strafdossier, de bewering van een partij daartoe niet geloofwaardig noch aannemelijk is. Hierdoor legt zij die partij geen bewijslast op.

38. Het arrest oordeelt dat uit geen enkele omstandigheid van het strafdossier volgt dat er gebruik zou zijn gemaakt van informantenwerking bij het tot stand brengen van het dossier dan wel tijdens het onderzoek, dat eisers veronderstelling daartoe niet geloofwaardig is gemaakt en dat wat niet is, geen verder onderzoek vraagt. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

39. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 83 euro.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

P. Hoet A. Bloch P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechts-zitting van 13 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van grif-fier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Artikel 6.3.c

  • Recht van verdediging

  • Recht op bijstand van advocaat

  • Cautieplicht

  • Verhoor tijdens het onderzoek

  • Geen bijstand van een advocaat

  • Miskenning van de cautieplicht

  • Strafvordering