- Arrest van 14 november 2012

14/11/2012 - P.11.1611.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De fout, in de zin van de artikelen 418 tot 420 van het Strafwetboek, moet niet noodzakelijk voortvloeien uit de schending van een bijzondere wettelijke of reglementaire verplichting, vermits de algemene voorzichtigheidsnorm voor iedereen geldt, onverminderd of iemand al dan niet aan de voormelde verplichtingen is onderworpen; de fout kan dus in een miskenning liggen, hoe licht en in welke vorm ook, van de algemene plicht tot voorzichtigheid en voorzorg, waarvan de inhoud niet bij wet is omschreven (1). (1) Zie Cass. 2 dec. 1968, AC 1969, p. 347; Henri-D. Bosly en Christian De Valkeneer, Les homicides et les lésions corporelles non intentionnels, in Les infractions, dl. 2, Larcier, Brussel, 2010, p. 488-489.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1611.F

I. 1. K. V.,

2. K. V. ,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

II. COLAS BELGIUM nv,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

III. HUSQVARNA BELGIUM nv,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, en mr. Domini-que Léonard, advocaat bij de balie te Brussel,

IV. HUSQVARNA BELGIUM nv,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, en mr. Domini-que Léonard, advocaat bij de balie te Brussel,

V. FLUXYS nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

VI. HDI GERLING ASSURANCES nv,

Mr. Paul-Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

VII. NATIONAAL VERBOND VAN DE SOCIALISTISCHE MUTUALI-TEITEN,

VIII. M. D.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

IX. E. P.,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

X. H. C.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

het cassatieberoep van Husqvarna Belgium nv, burgerlijke partij,

tegen

1. E. P.,

2. K. V.,

3. K. V.,

4. TRAVAUX DE MOUSCRON, afgekort TRAMO nv,

5. COLAS BELGIUM nv, burgerrechtelijk aansprakelijk,

6. FLUXYS nv,

de tweede, derde en vijfde verweerder vertegenwoordigd door mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

het cassatieberoep van Fluxys nv, burgerlijke partij,

tegen

1. E. P.,

2. K. V.,

3. K. V.,

4. TRAVAUX DE MOUSCRON nv, afgekort TRAMO,

5. COLAS BELGIUM nv, burgerrechtelijk aansprakelijk,

de tweede, derde en vijfde verweerder vertegenwoordigd zoals hierboven gezegd ;

de cassatieberoepen van K. V., beklaagde, K. V., beklaagde, Colas Belgium nv, burgerrechtelijk aansprakelijk, Husqvarna Belgium nv, beklaagde, Fluxys nv, be-klaagde, HDI Gerling Assurances nv, vrijwillig tussengekomen partij, en E P., be-klaagde,

tegen

1. N. A.,

2. C. A.,

3. M. A.,

4. L. B.,

5. S. D.,

6. C. D.,

7. A. D.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar minderjarige kinderen D. en K. S.,

8. M. E. M.,

9. A. F.,

10. G. H.,

11. C. K.,

12. CMOB,

13. DEGRAEVE nv,

14. ETABLISSEMENTS ALFRED PIERRE nv,

15. WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN nv,

16. LES AP ASSURANCES nv,

17. HENDRICK DECEUNINCK bvba,

18. ABSOLUTE GREEN bvba,

19. P. L.,

20. M. M.,

21. M. M.,

22. T. M.,

23. N. M.,

24. S. M.,

25. A. M.,

26. C. P.,

27. D. P.,

28. N. P.,

29. G. R., overleden op 25 mei 2008,

30. M. R.,

31. M.-A. R. S.,

32. G. S.,

33. R. V.,

34. DELTA NEU BENELUX nv,

35. M. A. en

36. H. D.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun kinderen S.-E., A. en I. A.,

37. D. P.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van C. R.,

38. D. B.,

39. X. M.,

40. AXA BELGIUM nv,

41. LA MINOUCHE nv,

42. SYNERTRA nv,

43. BUREAU D'INSPECTION AUTOMOBILE bvba,

44. ASSITEC bvba,

45. SOCIÉTÉ D'AUTOMATION ET DE RÉGULATION EN ÉLECTRI-CITÉ bvba,

46. CAISSE COMMUNE D'ASSURANCES MENSURA, onderlinge ver-zekeringsmaatschappij,

47. M. B. en

48. P. F.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke vertegen-woordigers van de goederen van hun dochter G. B.,

49. ALLIANCE NATIONALE DES MUTUALITÉS CHRÉTIENNES EN SOCIÉTÉ MUTUALISTE SOLIMUT,

50. C. C.,

51. ALLHYDRO nv,

52. ERBECO bvba,

53. E. V. en

54. J. M.,

55. P. V. en

56. V. S.,

57. L. S.,

58. D. B. en

59. C. B.,

60. GOUVERNEUR AMG bvba,

61. A. F.,

62. C. V.,

63. K. P.,

64. BMW FINANCIAL nv,

65. P&V ASSURANCES, samenwerkende vennootschap met beperkte aan-sprakelijkheid,

66. MAINTENANCE TRAVAUX INDUSTRIELS nv,

67. GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

68. ALLIANZ BELGIUM nv,

69. J. S. en

70. D. G.,

71. S. S. en

72. S. R.,

73. C. R.,

74. S.-E. A.,

75. C. R.,

76. A. G.,

77. ETHIAS nv,

78. AXUS nv,

79. N. P.,

80. M.-C. D. en

81. J.-L. B.,

82. G. R.,

83. S. C.,

84. ADRIAENSEN TRANSPORT nv,

85. R. W. en

86. E. V.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke bestuurders van de goederen van hun dochter D. W.,

87. K. W.,

88. N. W.,

89. A. D. V.,

90. INTERCOMMUNALE DE GAZ DU HAINAUT cvba,

91. D. P., en

92. A. F.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun kinderen M. en N. P.,

93. E. T. en

94. A. D.,

95. VIVIUM nv,

96. P&V CAISSE COMMUNE CONTRE LES ACCIDENTS DU TRA-VAIL,

97. UNILEASE BELGIUM nv,

98. HENSFERTAUX nv,

99. BELGISCHE STAAT, minister van Binnenlandse Zaken,

100. V. S.-E. nv,

101. C. M. en

102. J. L.,

103. SPIE BELGIUM nv,

104. DELTA NEU BENELUX nv,

105. N. P.,

106. J.-M. C.,

107. A. A.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van rechthebbende van de overleden Z. K.,

108. N. A.,

109. N. A.,

110. C. B.,

111. P. B.,

112. D. B.,

113. G. B.,

114. A. B.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar dochter M. A.,

115. B. F.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar kinderen A. en A. D.,

116. M. B.,

117. N. B.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar dochter P. G.,

118. S. B.,

119. C. B.,

120. M.-T. B.,

121. CAISSE DE SOINS DE SANTÉ DE LA SOCIÉTÉ ANONYME DE DROIT PUBLIC SNCB HOLDING,

122. J. C.,

123. S. C.,

124. F. C.,

125. G. C.,

126. S. C. en S. A.,

optredend in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun zoon Y. C.,

127. S. A.,

128. R. C.,

129. VLAAMSE GEMEENSCHAP, minister-president van de Vlaamse rege-ring,

130. B. D. S.,

131. G. D. V.,

132. H. D. W.,

133. R. D.,

134. C. D.,

135. A. D.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar dochter L. D.,

136. J. D.'A.,

137. D. D.,

138. V. D.,

139. M. D.,

140. C. D.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar kinderen L. en P. C.,

141. L. D. en

142. J. N.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van rechthebbenden van de overleden B. D.,

143. B. D.,

144. C. D.,

145. J.-L. D.,

146. L. D.,

147. A. E. A. en S. E.,

optredend in de hoedanigheid van wettelijke beheersters van de goederen van hun kinderen S. en J. E. A.,

148. S. E.,

149. H. E. A.,

150. H. E. A.,

151. B. E. M.,

152. H. E. M.,

153. Y. E. M., en

154. F. O.,

optredend in de hoedanigheid van wettelijke beheersters van de goederen van hun kinderen S. en Y. E. M.,

155. C. E. M.,

156. M. E. M.. en H. D.,

optredend in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun dochter N. E. M.,

157. H. D.,

158. G. E.,

159. F. E.-Z.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar kinderen Z. en N. E. A.,

160. C. F.,

161. F. F.,

162. M. F.,

163. ETHIAS nv, gesubrogeerd in de rechten van F. M.,

164. J. G.,

165. C. G.,

166. P. G.,

167. N. G.,

168. C. G.,

169. M. G.,

170. D. H.,

171. S. H.,

172. K. H.,

173. S. H.,

174. E. J., optredend in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn dochter A. J.,

175. M. J.,

176. V. K., optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk be-heerster van de goederen van haar kinderen B., J. en L. L.,

177. ASSOCIATION ENFANCE ET PARTAGE,

178. VERSTOCKT - SPRANGHERS & C°, vennootschap en commandite,

179. C. L.,

180. E. L.,

181. A. L.,

182. A. L.,

183. S. L.,

184. J. L.,

185. D. L. P.,

186. S. L. P.,

187. A. L. en L. B.,

optredend in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun kinderen M. en M. L.,

188. L. B.,

189. K. M.,

190. P. D. en S. M.,

optredend in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun dochter M. M.,

191. S. M.,

192. V. M. ,

193. N. B.,

optredend in de hoedanigheid van rechthebbende van de overleden T. M.,

194. B. M.,

195. B. M.,

196. E. M., en M. G., optredend in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun kind T. M.,

197. M. M. en H. M.,

optredend in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun kinderen L., L. en B. M.,

198. H. M.,

199. C. M.,

200. S. M.,

201. M.-C. M.,

202. D. M.,

203. C. N.,

204. C. N.,

205. F. N.,

206. M. N.. en

207. E. N.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun zoon K. N.,

208. R. N.,

209. B. P.,

210. V. P.,

211. P. P. en

212. L. G.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun kinderen M. en M. P.,

213. C. P.,

214. G. P.,

215. AG INSURANCE nv,

216. ALL INPACK SERVICE nv,

217. CHARTIS EUROPE nv,

218. COLLIGNON ENG. nv,

219. ETABLISSEMENTS ROBERT STIERNON nv,

220. SNCB HOLDING, naamloze vennootschap van publiek recht,

221. GENERALI BELGIUM nv,

222. J&S PACKAGING nv,

223. LEASE PLAN FLEET nv,

224. UNION NATIONALE DES MUTUALITES SOCIALISTES,

225. STRAPEX bvba,

226. B. C.,

227. A. G.,

228. E. W.,

229. J. P.,

230. H.M. nv,

231. FIDEA nv,

232. KBC Assurances nv,

233. L. S.,

234. J. C.,

235. G. R.,

236. M. R.,

237. AIR LIQUIDE nv,

238. A. R.,

239. J.-C. D.,

240. DE STAD ATH, vertegenwoordigd door haar gemeentecollege,

241. VANDEMOORTELE BAKERY PRODUCTS GHISLENGHIEN nv,

242. IDETA cvba,

243. MRACA nv,

244. L. D.,

245. C. V.,

246. CIREPA nv,

247. NATEUS nv,

248. FONDS DES ACCIDENTS DU TRAVAIL, openbare instelling,

249. N. J. en

250. K. V. C.,

251. F. B.,

252. B. B.,

253. Y. P.,

254. J. P.,

255. H. P. ,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van de overleden M. L.,

256. M. P.,

optredend in de hoedanigheid van rechthebbende van de overleden M. L.,

257. I. P. ,

optredend in de hoedanigheid van rechthebbende van de overleden M. L.,

258. G. S. ,

259. P. V. D.,

260. O. A.,

261. J. S.,

262. W. T.-A.,

263. N. D. K.,

264. J. M.,

265. A. M.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van rechthebbende van de overleden M. P.,

266. M. C.,

267. C. T.,

268. D. C.,

269. M. L.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van rechthebbende van de overleden J. D. P.,

270. S. D. P.,

271. R. L.,

272. E. M.,

273. DE FEDERALE VERZEKERINGEN, gesubrogeerd in de rechten van de vennootschappen Robert Huet en Willy Naessens,

274. DE FEDERALE VERZEKERINGEN, gesubrogeerd in de rechten van de vennootschap Tramo,

275. S. A. en

276. P. V. D.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun dochter A. A.,

277. M. H.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar zoon M. H.,

278. S. D. en

279. N. M.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun kinderen R. en R. D.,

280. F. M. en

281. N. D. K.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun zoon L. M.,

282. M. C. en

283. L. S.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun kind M. C.,

284. D. D. P.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerder van de goederen van zijn zoon B. D. P.,

285. I. M.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar dochter M. W.,

286. N. C.,

287. G. L.,

288. J.-P. P.,

289. L. D.,

290. M. S.,

291. L. L.,

292. D. D.,

optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van rechthebbende van de overleden J. D.,

293. G. M.,

294. G. A.,

295. M. S.,

296. R. S.,

297. M. P.,

298. G. C.,

299. V. C.,

300. Y. C.,

301. A. R.,

optredend in de hoedanigheid van rechthebbende van de overleden J. R.,

302. J. R.,

optredend in de hoedanigheid van rechthebbende van de overleden J. R.,

303. M.-F. R.,

optredend in de hoedanigheid van rechthebbende van de overleden J. R.,

304. C. D.,

305. J.-P. L.,

306. A. A.,

307. M. C.,

308. R. D.,

309. B. D. en

310. M.-C. B.,

311. N. D.,

312. A.-S. D.,

313. B. D.,

314. F. M.,

315. R. P.,

316. K. C.,

317. J.-P. D.,

318. J.-L. E.,

319. M.-P. E.,

320. S. V.,

321. M.-I. D. C.,

322. D. V. D. A.,

323. A. B.,

324. D. L.,

325. P. P.,

326. S. V. V.,

327. S. B.,

328. A.-M. V. D. S.,

329. A. V. C.,

330. A. E. M.,

331. C. L.,

332. F. V.,

333. P. C.,

334. P. C.,

335. B. R.,

optredend in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar kinderen A. en S. D.,

336. C. C.,

optredend in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar dochter V. F.,

337. C. C.,

optredend in de hoedanigheid van wettelijk beheerster van de goederen van haar kinderen M. en V. D.,

338. S. D.,

339. F. D. en

340. M. B.,

341. J. A.,

342. G. G.,

343. R. J.,

344. M.-R. S. en

345. S. C.,

346. M. N. en

347. S. C.,

348. C. B.,

349. R. S.,

350. F. S.,

351. A. R.,

352. M. M.,

353. C. M. R.,

354. J. D. en

355. M. A.,

356. DEXIA VERZEKERINGEN nv,

357. A. V.,

358. A. V.,

359. C. V.,

360. G. V.,

361. P. V.,

in aanwezigheid van

1. FLUXYS nv,

2. HUSQVARNA BELGIUM nv,

3. A & I ARCHITECTENVENNOOTSCHAP bvba,

4. E. P.,

5. CAD & V bvba,

6. TRAVAUX DE MOUSCRON nv, afgekort TRAMO,

7. K. D.,

8. D. D. C.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

9. B. V. G.,

10. M. D.,

het cassatieberoep van het Nationaal Verbond van de Socialistische mutualiteiten, burgerlijke partij,

tegen

1. E. P.,

2. K. V.,

3. K. V.,

4. HUSQVARNA BELGIUM, nv

5. FLUXYS nv,

6. TRAVAUX DE MOUSCRON nv, afgekort TRAMO, burgerrechtelijk aansprakelijk,

7. COLAS BELGIUM nv,, burgerrechtelijk aansprakelijk,

8. HDI GERLING ASSURANCES nv, vrijwillig tussengekomen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 28 juni 2011.

De eisers sub I tot VI, VIII en X voeren in acht memories die aan dit arrest zijn gehecht, drieënvijftig middelen aan.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft op 26 juni 2012 een conclusie neerge-legd op de griffie van het Hof.

Op 19 september werd door Meester Huguette Geinger een antwoordnota neerge-legd voor de naamloze vennootschap Fluxys, op 24 september door Meester Si-mone Nudelholc voor de naamloze vennootschap Husqvarna Belgium, op 30 ok-tober door Meester Paul Alain Foriers voor de naamloze vennootschap HDI Guer-ling assurances, en op 9 oktober 2012 door Meester Michèle Grégoire voor K. en K. V., voor de naamloze vennootschap Colas Belgium, M. D. en H. C.

Op de rechtszitting van 10 oktober 2012 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconclu-deerd.

II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Cassatieberoep van K. V.

In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de tegen hem ingestelde strafvordering

(...)

Zesde middel

Volgens de eiser is het arrest nietig. De grief is afgeleid uit het feit dat het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 november 2010 vermeldt dat zij om 09.45 uur werd opgeschort, maar geen andere vermeldingen bevat over het verdere verloop van die rechtszitting. Volgens de eiser volgt daaruit dat het Hof de regelmatigheid van de eventueel na de schorsing gestelde proceshandelingen niet kan onder-zoeken.

Het arrest preciseert echter dat de voorzitter, op de rechtszitting van 30 november 2010, de partijen heeft meegedeeld dat één van hen een akte van wraking had neergelegd.

Artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kent aan de wraking een schorsende werking toe die de rechter, op straffe van nietigheid, verbiedt de rechtspleging voort te zetten. Bij wraking van een magistraat van het hof van beroep vervalt die werking, te rekenen van de dag van de betekening aan de partijen van het arrest van het Hof dat ze verwerpt.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het debat op 10 januari 2011 is her-vat, nadat het Hof, bij arrest van 16 december 2010, de vordering tot wraking heeft verworpen die was ingediend tegen de voorzitter van de kamer waar de zaak aanhangig was gemaakt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die, op de bur-gerlijke rechtsvorderingen die tegen de eiser zijn ingesteld, uitspraak doen over

a. het beginsel van de aansprakelijkheid :

Zevende middel

Eerste onderdeel

De eiser voert aan dat het arrest tegenstrijdige beschikkingen bevat omdat het enerzijds beslist om de uitspraak aan te houden over de ontvankelijkheid en de grondslag van de burgerlijke rechtsvorderingen van de personen jegens wie het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds is tussengekomen met het oog op ver-goeding en indeplaatsstelling, en anderzijds het beroepen vonnis bevestigt, met name in zoverre het de voormelde burgerlijke rechtsvorderingen ontvankelijk heeft verklaard.

De beslissing om de burgerlijke rechtsvordering ontvankelijk te verklaren is geen beslissing over het beginsel van de aansprakelijkheid.

De grief van tegenstrijdigheid houdt geen verband met de beslissing waartegen het onmiddellijk cassatieberoep is gericht en is bijgevolg niet ontvankelijk.

(...)

Tiende middel

(...)

Derde onderdeel

Aangezien het recht om in rechte op te treden, in de regel, een persoonlijk recht is, is de tussenkomst van een lasthebber alleen verantwoord ingeval de vertegen-woordigde persoon niet zelf kan optreden.

Wanneer het slachtoffer van een strafbaar feit minderjarig was op het ogenblik van de feiten en één van de ouders zich burgerlijke partij heeft gesteld qualitate qua, kan de akte van hoger beroep van die ouder tegen de beslissing van vrijspraak en onbevoegdheid inzake die burgerlijke rechtsvordering, indien zij na de meerderjarigheid van het kind is opgemaakt, dat slachtoffer niet de hoedanigheid van partij verlenen voor de rechters in hoger beroep.

De eiser voert aan dat de verweerders S. V. D. S., K. V. D. S., L. M. en L. M. reeds meerderjarig waren toen hun ouders voor hen hoger beroep hebben inge-steld.

Het arrest preciseert echter niet de geboortedatum van die verweerders, zodat het middel, aangezien het een onderzoek van een feitelijk gegeven zou vereisen, in zoverre niet ontvankelijk is.

Het arrest stelt daarentegen wel vast dat de verweerder S.-E. A. op 6 september 1991 is geboren. Hij was dus meerderjarig op 6 september 2009, zodat het hof van beroep het hoger beroep dat zijn ouders M. A. en H. D. voor hem op 3 maart 2010 hebben ingesteld, niet ontvankelijk heeft kunnen verklaren.

Het middel is in zoverre gegrond.

(...)

C. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap Colas Belgium

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die, op de burgerlijke rechtsvorderingen die de verweerders tegen haar hebben inge-steld, uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid

Eerste middel

(...)

Vijfde onderdeel

Het arrest wordt verweten dat het de aangestelde van de eiseres, hoewel hij geen ondernemer is, ten laste legt dat hij tekortgeschoten is in de verplichtingen die de ondernemer zijn opgelegd krachtens de artikelen 2, § 2, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 21 september 1988 betreffende de voorschriften en de verplichtingen van raadpleging en informatie bij het uitvoeren van werken in de nabijheid van installaties van vervoer van gasachtige en andere produkten door middel van lei-dingen, zoals het ten tijde van de feiten van toepassing was.

De fout, in de zin van de artikelen 418 tot 420 Strafwetboek, hoeft echter niet noodzakelijk voort te vloeien uit de schending van een bijzondere wettelijke of reglementaire verplichting, vermits de algemene voorzichtigheidsnorm voor ie-dereen geldt, onverminderd of iemand al dan niet aan die verplichtingen is onder-worpen.

Elke fout kan dus bestaan in een miskenning, hoe licht en in welke vorm ook, van de algemene plicht tot voorzichtigheid en voorzorg, waarvan de inhoud niet bij wet is omschreven.

Het arrest schendt bijgevolg de aangevoerde wetsbepalingen niet wanneer het de verantwoordelijke voor de technische leiding van de bouwplaats ten laste legt dat hij tekortgeschoten is in de algemene voorzichtigheidsnorm, terwijl die tekort-komingen evenzeer een miskenning uitmaakten van de verplichtingen die zijn op-gelegd aan de onderneming waarvoor hij ter plaatse de werkzaamheden leidde.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Zevende onderdeel

Wanneer aan de schade een verzuim voorafgaat dat verschillende personen ten laste kan worden gelegd, belet niets de vonnisrechter om, op grond van de feitelij-ke omstandigheden eigen aan elk van die fouten, te oordelen dat het schadegeval zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan zonder de nalatigheid van één van die personen en dat het zich niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan zonder dergelijke tekortkoming die een andere persoon ten laste wordt gelegd.

Het middel, dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Achtste onderdeel

De eiseres voert aan dat het arrest verschillende overwegingen bevat waaruit volgt dat het verspreiden van informatie door haar aangestelde niet noodzakelijk en zelfs niet nodig was om de tussenpersonen op de bouwplaats het nut te doen in-zien van voorafgaande proefboringen, de op de plannen vermelde gegevens na te gaan en zich rekenschap te geven van het gevaar om een freesmachine vanaf een bepaalde diepte te gebruiken.

Wanneer aan een schadegeval verschillende fouten voorafgaan, heeft het feit dat het ongeval zich zonder een van die fouten niet zou hebben voorgedaan, niet tot gevolg dat de overige fouten die schade noodzakelijkerwijs niet kunnen veroorza-ken.

In strijd met wat het middel aanvoert is de opsomming door de appelrechters van de nalatigheden die de andere tussenpersonen ten laste worden gelegd, niet onver-enigbaar met de stelling dat ook de technisch directeur van de riolerings- en we-genwerken aan de onderkenning van het risico in de weg stond, doordat hij ver-zuimde alarm te slaan op grond van de informatie waarover hij nochtans beschikte.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Tweede middel

(...)

Vierde onderdeel

Om te beslissen dat een fout in oorzakelijk verband staat met het ongeval, is het noodzakelijk doch voldoende vast te stellen dat de schade zich zonder die fout niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan.

De bodemrechter dient daarenboven niet uit te sluiten dat zonder de ten laste ge-legde fout, een andere nalatigheid de schade ook had kunnen veroorzaken.

Het middel, dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

(...)

D. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap Husqvarna Belgium, als beklaagde

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de tegen haar ingestelde strafvordering

(...)

Tweede middel

(...)

Zesde onderdeel

De eiseres voert aan dat artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 als wettelijke basis artikel 23 van de wet van 4 augustus 1996 heeft, dat of-wel de Grondwet schendt, in zoverre het de Koning een te algemene bevoegdheid toekent inzake de omschrijving van de strafrechtelijk strafbaar gestelde verplich-tingen, ofwel de Koning niet machtigt om de opdrachtgever andere verplichtingen op te leggen dan die welke in artikel 21 van die wet zijn bepaald.

Volgens het voormelde artikel 21, stelt de opdrachtgever een coördinator-uitvoerder inzake veiligheid en gezondheid aan en doet aan de door de Koning aangeduide overheid, vóór de aanvang van de werkzaamheden, een voorafgaande kennisgeving voor de opening van de bouwplaats toekomen.

Artikel 23, 4°, van de wet machtigt de Koning om de middelen te bepalen waar-over de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk moeten beschikken om hun functie uit te oefenen.

Het koninklijk besluit van 25 januari 2001, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalde in artikel 17, § 2, 2° en 3°, dat zij die belast zijn met de aanstelling van de coördinator-verwezenlijking erop moeten toezien dat deze be-trokken wordt bij alle etappes van de werkzaamheden betreffende de verwezenlij-king van het bouwwerk en alle informatie krijgt die nodig is voor de uitvoering van zijn opdrachten, met inbegrip van alle door de bouwdirecties verwezenlijkte studies.

Door te bepalen dat het aan de opdrachtgever staat om de coördinator de gegevens te bezorgen waardoor hij zijn opdracht kan vervullen, overschrijdt de Koning de hem bij wet toegekende machtiging niet om de nodige middelen te bepalen die deze coördinatie daadwerkelijk kunnen waarborgen.

De beslissing volgens welke de eiseres de haar bij artikel 17, § 2, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 opgelegde verplichtingen niet is nagekomen, wordt verantwoord door de fout die het arrest haar toeschrijft en die erin bestaat om, met als doel de kosten te drukken, zelf te beslissen tot een wijziging van het beloop van het rioleringsnet, zonder haar veiligheidscoördinator in het bezit te stellen van de plannen van uitvoering en van de opmetingsstaat van die wijziging, waardoor de explosie werd veroorzaakt.

De wettelijke norm betreffende de middelen waarover de coördinator moet be-schikken, staat gelijk aan een wettelijke machtiging en is niet in dermate onnauw-keurige bewoordingen gesteld dat het voor een normaal voorzichtige en zorgvul-dige opdrachtgever onmogelijk wordt te vatten dat het zijn taak is om informatie te verspreiden omtrent de wijziging van de veiligheidsvoorwaarden van de bouw-plaats.

De appelrechters hebben bijgevolg kunnen oordelen dat die nalatigheid het gebrek aan vooruitzicht en voorzorg was, bedoeld in de artikelen 418 tot 420 Strafwet-boek, en dat de eiseres sub A.1 en A.2 ten laste is gelegd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Negende onderdeel

De eiseres voert aan dat het in de artikelen 86, 2°, en 87, 2°, van de wet van 4 au-gustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoelde toezicht, waarvan het verzuim aan de basis ligt van de telastleggin-gen C.7 en C.8, een onvoldoende toegankelijke, duidelijke en voorzienbare regel is, omdat het voorwerp en de omvang van het vereiste toezicht niet omschreven zijn.

Het legaliteitsbeginsel in strafzaken strekt niet zover dat het de wetgever verplicht om zelf ieder aspect van de strafbaarstelling te omschrijven.

Wanneer de wet een verplichting oplegt van toezicht, voorzichtigheid of voorzorg en het niet-nakomen ervan strafrechtelijk strafbaar stelt, is niet vereist dat zij, op-dat de regel aan het legaliteitsbeginsel zou beantwoorden, uitvoerig de maatrege-len omschrijft bij ontstentenis waarvan de verplichting als miskend wordt be-schouwd.

Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk bij wet moet zijn omschreven, is vol-daan wanneer de rechtzoekende uit de formulering van de relevante bepaling, eventueel in combinatie met de regels waarnaar zij verwijst, kan opmaken welke handelingen of nalatigheden zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid in het ge-drang brengen.

Het arrest wijst erop dat de verplichtingen die de veiligheidscoördinator zijn opge-legd, en op de uitvoering waarvan de opdrachtgever toezicht moet houden, om-schreven zijn in de artikelen 18 en 22 van de wet van 4 augustus 1996 en verdui-delijkt in de artikelen 11 en 22 van het koninklijk besluit van 25 januari 2001.

Tot die verplichtingen behoren het opstellen en aanpassen van het veiligheids- en gezondheidsplan, de verplichting om de verschillende elementen te doen toeko-men aan de betrokken partijen en de samenwerking en coördinatie te organiseren tussen de aannemers, met het oog op wederzijdse informatie en de preventie van ongevallen.

Het toezicht dat de opdrachtgever dient te houden, en waarvan het voorwerp is omschreven, verbiedt hem ervan uit te gaan dat hij, zodra de coördinator is aange-steld, zijn opdracht volledig aan hem kan overlaten, met name wat betreft de doorstroming van de informatie die voor een effectieve risicopreventie is vereist.

De appelrechters die vaststellen dat dit gebrek overeenstemt met het bij wet straf-baar gestelde gebrek aan toezicht, veroordelen de eiseres niet op grond van een regel die haar geen inzicht kon verschaffen in de handelingen of nalatigheden die haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid in het gedrang konden brengen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tiende onderdeel

Hoewel uit de artikelen 5, 6 en 9 van de Richtlijn 92/57/EEG van de Raad van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen, blijkt dat de veiligheids- en gezond-heidscoördinatoren hun opdracht volledig onafhankelijk van de opdrachtgever moeten uitvoeren, volgt daar niet uit dat de wetgever of de Koning laatstgenoem-de niet ertoe kunnen verplichten toezicht te houden, informatie te verstrekken en samenwerking te verlenen om, zonder aan die onafhankelijkheid te raken, de co-ordinatieopdracht tijdens de fase van uitwerking en uitvoering van de werkzaam-heden daadwerkelijk te verzekeren.

Het middel, dat aanvoert dat de artikelen 86, 2°, en 87, 2°, van de wet van 4 au-gustus 1996, zoals zij op de datum van de uitspraak van het arrest van toepassing waren, alsook de artikelen 7 en 17 van het koninklijk besluit van 25 januari 2001, de artikelen 5, 6 en 9 van de Richtlijn tijdelijke en mobiele bouwplaatsen schen-den, faalt naar recht.

Elfde onderdeel

Het arrest wordt verweten dat het de artikelen 39 en 40 van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 schendt door de eiseres de fout ten laste te leggen dat zij de netbeheerder niet betrokken heeft bij de vergaderingen van de coördinatiestruc-tuur. De eiseres voert aan dat de gasvervoerder niet wordt vermeld onder de per-sonen wier aanwezigheid, op straffe van strafrechtelijke vervolging, binnen de voormelde structuur is vereist.

De voormelde reglementaire bepalingen beletten de appelrechters evenwel niet om, op grond van de eigenheid van een bouwplaats die wordt gekenmerkt door de ondergrondse aanwezigheid van gasleidingen onder hoge druk, te oordelen dat het feit dat de beheerder ervan niet bij de voormelde vergaderingen werd betrokken, een overtreding uitmaakt van de algemene voorzichtigheidsnorm die is vastgelegd in met name artikel 418 Strafwetboek.

Het middel, dat geen belang vertoont, is in zoverre niet ontvankelijk.

Voor het overige houdt het in het voormelde artikel 418 bedoelde gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg alle mogelijke fouten in, hoe licht ook. Daaruit volgt dat de rechter die kennisneemt van de telastleggingen doodslag of onopzettelijke slagen en verwondingen, om te onderzoeken waarin die strafbare nalatigheid be-staat, alle fouten in aanmerking dient te nemen die dat gebrek kunnen opleveren. Hij dient de beklaagde niet ambtshalve de tekortkomingen aan de algemene voor-zichtigheidsnorm mee te delen die tegen hem in aanmerking kunnen worden ge-nomen en die uit de gegevens blijken waarover tegenspraak is gevoerd.

Het arrest dat als bestanddeel van de bij de artikelen 418 tot 420 Strafwetboek strafbaar gestelde misdrijven een verzuim in aanmerking neemt dat niet ten laste is gelegd, miskent het recht van verdediging niet.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

(...)

Verzoeken tot het stellen van prejudiciële vragen met betrekking tot het tweede middel

Er is geen reden om het Grondwettelijk Hof de eerste prejudiciële vraag te stellen die door de eiseres met betrekking tot het derde en vijfde onderdeel wordt voorgesteld. De tweede vraag dient evenmin gesteld te worden in zoverre zij be-trekking heeft op het achtste onderdeel. Die onderdelen zijn immers niet ontvankelijk om een reden die niet is afgeleid uit een norm waarop het verzoek om een prejudiële vraag te stellen betrekking heeft.

Er is geen reden om het Grondwettelijk Hof de tweede prejudiciële vraag te stel-len die de eiseres heeft voorgesteld, in zoverre ze betrekking heeft op het rechts-punt in het zesde onderdeel. De wettigheid van artikel 17, § 2, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 25 januari 2001, waarvan de miskenning één van de fouten oplevert die de eiseres ten laste zijn gelegd, kan worden verantwoord op grond van artikel 23, 4°, van de wet van 4 augustus 1996, waaraan de prejudiciële vraag geen afbreuk doet en dat de machtiging inhoudt die in het antwoord op het zesde onderdeel wordt vermeld.

Er is geen reden om het Grondwettelijk Hof de derde prejudiciële vraag te stellen die de eiseres voor het negende onderdeel heeft voorgesteld, aangezien de appel-rechters het in artikel 418 Strafwetboek bedoelde gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, een bepaling waarop de eiseres geen kritiek uitoefent, naar recht hebben kunnen gelijkstellen met het gebrek aan toezicht van de opdrachtgever op zijn vei-ligheidscoördinator.

Ten slotte is er geen reden om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap de door de eiseres voorgestelde prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot haar tweede middel, tiende onderdeel.

Die vragen werpen geen probleem van uitlegging van het gemeenschapsrecht op. Zij strekken alleen ertoe om het gemeenschapsrecht, op grond van een foutieve in-terpretatie van het nationale recht, in tegenspraak te brengen met de Richtlijn 92/57/EEG van de Raad van 24 juni 1992.

De door de eiseres bekritiseerde wettelijke en reglementaire bepalingen beogen immers niet om de veiligheidscoördinator ondergeschikt te maken aan de op-drachtgever, maar om hun samenwerking en de onderlinge uitwisseling van rele-vante informatie te waarborgen.

Er bestaat geen redelijke twijfel over de verenigbaarheid van die doelstelling met de Richtlijn tijdelijke en mobiele bouwplaatsen, waarvan de aanhef preciseert dat zij alleen strekt tot naleving van de "minimum"-voorschriften die een grotere mate van veiligheid en gezondheid op de betrokken bouwplaatsen kunnen waarborgen.

(...)

E. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap Husqvarna Belgium, bur-gerlijke partij

Zesde middel

Wanneer verschillende personen, waaronder het slachtoffer zelf, een fout hebben begaan die in een oorzakelijk verband staat met de door het slachtoffer geleden schade, mag de rechter het slachtoffer niet elke schadevergoeding weigeren maar dient hij het slachtoffer een deel van diens schade te doen dragen, in verhouding tot de ernst van de respectievelijk begane fouten.

Het arrest, dat de burgerlijke rechtsvordering die de eiseres tegen de verweerders heeft ingesteld in haar geheel afwijst, op grond dat zij hoofdelijk was veroordeeld om, op grond van de tegen haar in aanmerking genomen strafbare feiten, de scha-de te vergoeden van degenen die zich tegen haar burgerlijke partij hebben gesteld, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

F. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap Fluxys, beklaagde

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de tegen haar ingestelde strafvordering

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiseres verwijt de appelrechters dat zij haar hebben veroordeeld wegens dood-slag en onopzettelijke slagen en verwondingen, door te oordelen dat zij in haar hoedanigheid van exploitante van een netwerk van gasleidingen onder hoge druk, een resultaatsverbintenis heeft miskend, die erin bestaat de exploitatieveiligheid en de dichtheid van de leidingen te waarborgen.

Volgens de eiseres doet de algemene voorzichtigheidsnorm uit de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek of uit de artikelen 418 tot 420 Strafwetboek, alsook het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaat-regelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen, alleen veiligheids- of inspanningsverbintenissen ontstaan.

Het voormelde koninklijk besluit legt verplichtingen van openbare orde op, zon-der te verduidelijken of zij inspannings- of resultaatsverbintenissen uitmaken, maar het staat aan de rechter om na te gaan in welke mate het resultaat al dan niet een normaal toevallig karakter heeft.

Het arrest vermeldt dat de technische voorschriften van het voormelde besluit die-nen om de fysieke integriteit van derden te vrijwaren en dat de verplichting voor de gasvervoerder om de dichtheid van de leidingen te verzekeren, wat rechtstreeks betrekking heeft op de veiligheid van de ganse bevolking, dus een resultaatsverbintenis is.

Aangezien gasvervoer een opdracht is van openbaar nut, is een beveiligde installa-tie vereist. De desbetreffende reglementaire normen wijzen erop dat de verwezen-lijking, het onderhoud van en het permanente toezicht op die installatie niet aan een bijzonder risico kunnen worden blootgesteld en onder de volledige controle van de concessiehouder vallen. De plichten van de gasvervoerder komen bijgevolg neer op een resultaatsverbintenis waarvan hij alleen maar kan worden bevrijd wanneer hij een verschoningsgrond aantoont.

Door aldus te beslissen, schenden de appelrechters de in het middel bedoelde wetsbepalingen niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiseres voert aan dat het arrest de algemene rechtsbeginselen van het vermoe-den van onschuld en van de bewijslast in strafzaken miskent, door haar schuldig te verklaren omdat zij geen verschoningsgrond aantoont. Zij voert aan dat het aan de vervolgende partij stond om te bewijzen dat de aangevoerde tot bewijs dienen-de feiten niet bestonden of dat het, bij ontstentenis daarvan, aan de appelrechters stond om te verklaren dat dit verweermiddel totaal ongeloofwaardig was, wat vol-gens het arrest niet het geval is.

De regel volgens welke eenieder die van een misdrijf wordt beschuldigd, geacht wordt onschuldig te zijn tot zijn schuld naar recht is bewezen, verbiedt de wetge-ver niet een resultaatsverbintenis te bepalen die strafrechtelijk wordt bestraft, aan-gezien die de essentie van het recht van het vermoeden van onschuld niet aantast in zoverre dit het recht van verdediging vrijwaart. Dat is het geval zodra de ver-volgende partij het bestaan van de verplichting moet bewijzen alsook het feit dat het opgelegde resultaat niet werd bereikt terwijl de beklaagde de rechtvaardi-gingsgronden die hem aan strafvervolging kunnen onttrekken aan de beoordeling van de vonnisrechter kan voorleggen.

Bij een resultaatsverbintenis hoeft de schuldeiser, zoals het hof van beroep naar recht heeft beslist, alleen te bewijzen dat het resultaat niet is bereikt en moet de schuldenaar bijgevolg aantonen dat hijzelf geen fout heeft begaan, door aan te to-nen dat die toestand te wijten is aan een vreemde oorzaak die als een volstrekte onmogelijkheid van uitvoering moet worden begrepen.

De eiseres heeft met name als vreemde oorzaken aangevoerd dat de verschillende op de bouwplaats optredende partijen de hun opgelegde veiligheidsverplichtingen niet zijn nagekomen en dat zij hebben verzuimd de exploitant van de gasleiding in kennis te stellen van de aard van de werkzaamheden en van het ongeval met de machine waarbij een van diens leidingen werd beschadigd.

Het arrest beslist dat de tekortkomingen die de overige partijen ten laste worden gelegd, de eiseres niet hebben verhinderd haar algemene voorzichtigheidsplicht na te komen, die met name inhoudt dat zij in haar hoedanigheid van gasvervoerder in staat moet zijn om bij een ernstig voorval vanop afstand een lek te lokaliseren, de scheidingskleppen snel af te sluiten om de druk in de afzonderlijke secties te ver-lagen, en een doeltreffende dispatching, bewakingsploegen en urgentiedienst te organiseren.

De vaststelling, door de appelrechters, dat de eiseres niet de nodige maatregelen heeft genomen om de schade die uit haar activiteit kon voortvloeien te voorkomen en te beperken, verantwoordt naar recht de beslissing dat de fouten die zij de an-dere partijen ten laste legt haar niet vrijstellen van de fout door eigen nalatigheid.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Vierde onderdeel

De eiseres voert aan dat de veroordeling niet naar recht verantwoord is omdat het hof van beroep, bij het beoordelen van het gedrag van de eiseres, zich niet op het ogenblik van de betwiste feiten heeft geplaatst maar dat gedrag heeft onderzocht aan de hand van het ongeval en de gevolgen ervan, om daaruit een resultaatsver-bintenis af te leiden.

Om de aard van de verbintenis van de eiseres te omschrijven baseert het arrest zich niet op het ongeval en de gevolgen ervan maar op de door de Koning gebruikte bewoordingen volgens welke het hier een verplichting betreft om de ex-ploitatieveiligheid "te waarborgen", op de inzet van die verplichting die betrekking heeft op het welzijn van de ganse bevolking, en op de specifieke beroepsbe-kwaamheid van de concessiehouder op wie die verplichting valt.

De beoordeling van het oorzakelijk verband tussen een fout en de schade houdt in dat moet worden nagegaan of de schade zich ook zonder de fout op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan. Het is de rechter dus niet verboden om het ongeval en de gevolgen die eruit voortvloeien te vergelijken met de toestand die zich zonder de aangeklaagde gebreken zou hebben voorgedaan.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Tweede middel

Eerste onderdeel

De eiseres verwijt het arrest dat het haar de straf heeft opgelegd van bekendma-king, in verschillende kranten, van de tegen haar uitgesproken veroordelende be-slissing.

Krachtens de artikelen 14 Grondwet, 7 EVRM, 15 IVBPR, en 2 Strafwetboek, kan de rechter geen straf uitspreken die niet bij wet is bepaald.

Artikel 7bis Strafwetboek voorziet in de bekendmaking en verspreiding van de beslissing als één van de straffen die op misdrijven gepleegd door rechtspersonen toepasselijk zijn.

Artikel 37bis van dat wetboek verduidelijkt evenwel dat die straf kan worden uit-gesproken in de gevallen bepaald door de wet.

Welnu, noch de artikelen 418 tot 420 Strafwetboek, noch artikel 19 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, bieden de mogelijkheid om de straf van bekendmaking van de beslissing op te leggen aan een rechtspersoon die de in die bepalingen be-doelde strafbare feiten heeft gepleegd.

Het middel is gegrond.

(...)

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die, op de te-gen de eiseres ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen, uitspraak doen over

a. het beginsel van de aansprakelijkheid

Vierde middel

(...)

Het beroepen vonnis heeft de eiseres vrijgesproken van alle haar ten laste gelegde feiten, waarbij de correctionele rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de tegen haar ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen.

Uit de processtukken blijkt niet dat de hierboven opgesomde verweerders tegen die beslissing een principaal hoger beroep hebben ingesteld.

Evenmin blijkt dat die verweerders een incidenteel hoger beroep hebben ingesteld of hebben kunnen instellen. In strafzaken is het incidenteel hoger beroep immers alleen ontvankelijk indien het principaal hoger beroep het ook is. De eiseres had er echter geen belang bij om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de eerste rechter die de rechtsvorderingen van de verweerders heeft afgewezen op grond van de telastleggingen waarvan zij was vrijgesproken.

Het hof van beroep kon niet zonder zijn bevoegdheid te overschrijden, uitspraak doen over de burgerlijke rechtsvorderingen van de voormelde verweerders die bij het hof niet aanhangig waren gemaakt.

Het middel is gegrond.

Vijfde middel

Eerste onderdeel

Aangezien het recht om in rechte op te treden, in de regel, een persoonlijk recht is, is de tussenkomst van een lasthebber alleen verantwoord wanneer de vertegen-woordigde persoon niet zelf kan optreden.

Wanneer het slachtoffer van een strafbaar feit minderjarig was op het ogenblik van de feiten en één van de ouders zich qualitate qua burgerlijke partij heeft gesteld, kan de akte van hoger beroep van die ouder, tegen de beslissing tot vrijspraak en onbevoegdheid inzake de voormelde burgerlijke rechtsvordering, indien zij na de meerderjarigheid van het kind is opgemaakt, het voormelde slachtoffer niet de hoedanigheid van partij voor de appelrechters verlenen.

Wanneer de minderjarige burgerlijke partij is, is hij overigens niet bevoegd om een rechtsvordering in te stellen en is het rechtsmiddel dat hij in die hoedanigheid instelt niet ontvankelijk.

(...)

G. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap Fluxys, burgerlijke partij

Derde middel

Het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres niet gegrond, louter op grond dat zij in hoger beroep strafrechtelijk verantwoordelijk is gesteld en hoofdelijk is veroordeeld tot vergoeding van de schade.

De samenlopende fout van de schadelijder doet zijn recht op vergoeding van de door hem geleden schade die hij mede heeft veroorzaakt niet verdwijnen. In der-gelijk geval staat het niet aan de rechter om de schadevergoeding af te wijzen maar om deze te verminderen in de mate dat die fout het schadegeval kan hebben veroorzaakt.

De fout van het slachtoffer sluit, in de regel, evenmin uit dat zijn recht op een al-thans gedeeltelijke vergoeding legitiem is.

Het hof van beroep heeft niet vastgesteld dat zonder de jegens de verweerders be-wezen verklaarde fouten, de schade waarvan de eiseres de vergoeding vordert zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan.

Uit de redenen van het arrest blijkt evenmin dat de exploitatie door de eiseres, op de plaats van het ongeval, van twee ondergrondse aardgasleidingen onder hoge druk, een onrechtmatig voordeel of een toestand was die in strijd is met de open-bare orde, die de burgerlijke rechtsvordering alleen maar wilde bestendigen.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing dus niet naar recht.

Het middel is gegrond.

H. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap HDI Gerling Assurances :

1. In zoverre de eiseres kritiek uitoefent op de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van haar verzekerde

Eerste middel

De eiseres verwijt het arrest dat het de burgerlijke rechtsvordering van haar verze-kerde, de vennootschap Fluxys, afwijst, die deze heeft ingesteld tegen de andere, hoofdelijk met haar veroordeelde beklaagden.

Het cassatieberoep van de eiseres is echter alleen gericht tegen de beschikkingen die haar aanbelangen.

De eiseres heeft, als vrijwillig tussengekomen partij, niet de hoedanigheid om kri-tiek uit te oefenen op de beslissing over een burgerlijke rechtsvordering die noch tegen noch door haar is ingesteld.

Door dat gebrek aan hoedanigheid en omdat het middel beschikkingen betreft waarop het cassatieberoep geen betrekking heeft of kon hebben, is het niet ont-vankelijk.

(...)

O. Omvang van de vernietiging

De vernietiging van een beslissing op de burgerlijke rechtsvordering tegen een beklaagde, brengt de vernietiging mee van de beslissing op de rechtsvordering van diezelfde burgerlijke partij tegen een andere beklaagde, die op dezelfde onwettig-heid berust.

(...)

Dictum

Het Hof,

(...)

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de bekendmaking van de beslissing en van haar redenen beveelt, op kosten van de eiseres Fluxys, in de daarin opge-noemde kranten ;

Zegt dat er dienaangaande geen grond is tot verwijzing ;

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorderingen van (...) tegen de eisers K. V., K. V., de naamloze vennoot-schap Colas Belgium, de naamloze vennootschap Husqvarna Belgium, de naam-loze vennootschap Fluxys, de naamloze vennootschap HDI Gerling assurances en E. P. ;

Zegt dat er dienaangaande geen grond is tot verwijzing ;

Vernietigt het arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorde-ringen van de verweerders (...) tegen de eisers K. V., K. V., de naamloze ven-nootschap Colas Belgium, de naamloze vennootschap Husqvarna Belgium, de naamloze vennootschap Fluxys, de naamloze vennootschap HDI Gerling assuran-ces en E. P. ;

Zegt dat er dienaangaande geen grond is tot verwijzing ;

Vernietigt het arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorde-ringen van N. P. (...) tegen de eisers K. V., K. V., de naamloze vennootschap Co-las Belgium, de naamloze vennootschap Husqvarna Belgium, de naamloze ven-nootschap Fluxys, de naamloze vennootschap HDI Gerling assurances en E. P. ;

Vernietigt het arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorde-ringen van de eiseressen Fluxys en Husqvarna Belgium tegen (...) ;

Vernietigt het arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorde-ring van de eiseres Husqvarna Belgium tegen de naamloze vennootschap Fluxys ;

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige alsook de vorderingen tot bin-dendverklaring van het arrest ;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest ;

Veroordeelt de eisers Nationaal Verbond van de Socialistische Mutualiteiten, M. D. en H. C., tot de kosten van hun cassatieberoep ;

Veroordeelt de eisers K. V., K. V., de naamloze vennootschap Colas Belgium, de naamloze vennootschap Husqvarna Belgium, de naamloze vennootschap Fluxys, de naamloze vennootschap HDI Gerling Assurances en E. P., tot vier vijfde van de kosten van hun cassatieberoep en laat het overige gedeelte ten laste van de Staat ;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 14 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bij-stand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Doodslag of onopzettelijke slagen en verwondingen

  • Fout