- Arrest van 15 november 2012

15/11/2012 - D.11.0012.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer noch uit de bestreden beslissing noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, volgt dat het sluiten van de deuren zou zijn gemotiveerd door een van de redenen die opgesomd worden in artikel 60, § 4, van de wet van 22 juli 1953, noch dat de bedrijfsrevisor uitdrukkelijk zou hebben gevraagd om de procedure niet in het openbaar te doen plaatsvinden, schendt de bestreden beslissing, die vaststelt dat de procedure met gesloten deuren heeft plaatsgevonden, de artikelen 60, § 4, en 65 van de wet van 22 juli 1953.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.11.0012.F

INSTITUUT VAN DE BEDRIJFSREVISOREN, publiekrechtelijke instelling,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

DELBROUCK, CAMMARATA, GILLES ET ASSOCIÉS - RÉVISEURS D'ENTREPRISES, burgerlijke vennootschap in de vorm van een bvba.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Franstalige kamer van de commissie van beroep van het Instituut van de bedrijfsrevisoren van 25 januari 2011.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert vier middelen aan, waarvan het eerste gesteld is als volgt.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 6, inzonderheid punt 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging;

- artikel 148, inzonderheid eerste lid, Grondwet;

- de artikelen 2 en 757 Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 60, inzonderheid § 4, en 65 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 30 april 2007.

Aangevochten beslissing

De bestreden beslissing stelt vast dat "op de terechtzitting van 11 januari 2011, die met gesloten deuren is gehouden, de pleidooien van de raadslieden van de [verweerster] en van de [eiser] [werden gehoord] [en] de verklaringen van de vertegenwoordigers van de [verweerster] en van die van de [eiser] [werden] gehoord", en "stelt" vervolgens "vast dat de voorlopige maatregel die de voorzitter van het Instituut in de zaak heeft uitgesproken op 2 december 2010, geen gevolgen meer teweegbrengt sinds 18 december 2010".

Grieven

Artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt dat eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen, recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak, behalve wanneer een exceptie wordt vastgesteld, zoals bepaald in artikel 6.1, tweede zin, van het verdrag.

Het in het middel bedoelde algemeen rechtsbeginsel waarborgt tevens ieders recht op een openbare behandeling van zijn zaak.

Artikel 148, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat de terechtzittingen van de rechtbanken openbaar zijn, tenzij die openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden en dat, in dat geval, zulks door de rechtbank bij vonnis wordt verklaard.

Artikel 757 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de pleidooien, de verslagen en de vonnissen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, openbaar zijn ; overeenkomstig artikel 2 van hetzelfde wetboek is die bepaling van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer ze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dat wetboek.

Artikel 60 van de wet van 22 juli 1953 bepaalt dat de procedure in het openbaar plaatsvindt, behoudens tegengestelde uitdrukkelijke vraag van de betrokken bedrijfsrevisor of wanneer de openbaarheid een aantasting uitmaakt van de goede zeden, de openbare orde, de nationale veiligheid, het belang van de minderjarigen, de bescherming van het privéleven, het belang van de rechtspraak of het beroepsgeheim in de zin van artikel 79 van die wet.

Artikel 65 van dezelfde wet maakt artikel 60 uitdrukkelijk toepasselijk op de rechtsplegingen die plaatsvinden voor de commissie van beroep van het Instituut van de bedrijfsrevisoren.

Uit de bestreden beslissing volgt dat de zaak niet in het openbaar maar met gesloten deuren is behandeld.

Het zittingsblad van de zitting die op 11 januari 2011 is gehouden voor de commissie van beroep, bevestigt trouwens dat "de zitting met gesloten deuren in de raadkamer [is gehouden]".

Noch uit de bestreden beslissing noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het sluiten van de deuren werd gemotiveerd door een van de redenen die opgesomd worden in artikel 6.1, tweede zin, van het in het middel bedoelde verdrag of dat de verweerster uitdrukkelijk gevraagd heeft om de procedure niet in het openbaar te doen plaatsvinden.

Door de zitting met gesloten deuren te houden, heeft de commissie van beroep het algemeen rechtsbeginsel miskend en de wettelijke bepalingen geschonden die in het middel worden vermeld.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens de artikelen 60, § 4, en 65 van de wet van 22 juli 1953 houdende op-richting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het pu-bliek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 30 april 2007, vindt de procedure van de commissie van hoger beroep in het openbaar plaats, behoudens tegengestelde uitdrukkelijke vraag van de be-trokken bedrijfsrevisor of wanneer de openbaarheid een aantasting uitmaakt van de goede zeden, de openbare orde, de nationale veiligheid, het belang van de min-derjarigen, de bescherming van het privéleven, het belang van de rechtspraak of het beroepsgeheim in de zin van artikel 79 van die wet.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, en meer bepaald uit het zit-tingsblad van 11 januari 2011 en uit de bestreden beslissing, volgt dat de zaak niet in het openbaar maar met gesloten deuren is behandeld.

Noch uit de bestreden beslissing noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, volgt dat het sluiten van de deuren zou zijn gemotiveerd door een van de redenen die opgesomd worden in artikel 60, § 4, van de wet van 22 juli 1953, of dat de verweerster uitdrukkelijk zou hebben gevraagd om de procedure niet in het openbaar te doen plaatsvinden.

De bestreden beslissing, die vaststelt dat de procedure met gesloten deuren heeft plaatsgevonden, schendt de artikelen 60, § 4, en 65 van de wet van 22 juli 1953.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden beslissing.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernie-tigde beslissing.

Veroordeelt de verweerster tot de kosten.

Verwijst de zaak naar de anders samengestelde Franstalige commissie van beroep van het Instituut van de bedrijfsrevisoren, die uitspraak zal doen conform de be-slissing van het Hof over dat rechtspunt.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terecht-zitting van 15 november 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Tucht

  • Procedure voor de commissie van beroep

  • Onderzoek van de zaak

  • Beginsel

  • Uitzonderingen