- Arrest van 16 november 2012

16/11/2012 - D.11.0021.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De artikelen 6, §1 en 6, §3, c), EVRM zijn toepasselijk op een tuchtprocedure inzake feiten die aanleiding kunnen geven tot een sanctie welke gelet op de aard, de ernst en de zwaarwichtigheid ervan als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM dient te worden aangezien (1). (1) Zie de concl. van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. D.11.0021.N

L.R.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

ORDE VAN ARCHITECTEN, publiekrechtelijk rechtspersoon, met zetel te 1000 Brussel, Livornostraat 160/2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de raad van beroep van de Orde van Architecten van 7 september 2011.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 5 oktober 2012 een schriftelijke con-clusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 6, inzonderheid artikel 6, § 1 en 6, § 3, c), Europees Verdrag tot Be-scherming van de Rechten van de Mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955;

- het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

De appelrechters beslissen dat eiser een inbreuk heeft begaan op de artikelen 10 en 11 van het reglement van beroepsplichten van de Nationale Raad van de Orde van Architecten, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 18 april 1985, verklaren dienvolgens de tenlasteleggingen A, 1°, 2°, 3° en B bewezen en leggen aan eiser de tuchtstraf van 5 maanden schorsing op.

De appelrechters verwerpen het middel van eiser dat hij geen eerlijk proces heeft gehad door de afwezigheid van bijstand van een advocaat tijdens het onderzoek, op grond van de volgende overwegingen:

"Ten onrechte houdt [eiser] voor dat zijn rechten van verdediging, inzonderheid door de afwezigheid van bijstand van een advocaat tijdens het onderzoek op onherstelbare wijze zou zijn geschonden. Immers, voor zover de ‘Salduz' rechtspraak in tuchtzaken toepasselijk zou zijn, stond het [eiser], op wie geen enkele vorm van dwang werd uitgeoefend, vrij zich te laten bijstaan door een advocaat of geen verklaringen af te leggen buiten diens aanwezigheid. Bovendien is het tuchtonderzoek, dat zowel à charge als à décharge werd gevoerd, geenszins uitsluitend gestoeld op de verklaringen van [eiser], maar hoofdzakelijk op de oorspronkelijke klacht met bijlage van architect X en op het mandaat van de voorzitter van de raad van bestuur van de vennootschap NV Immobiliën Vermeulen Systeembouw dat [eiser] gedurende jaren heeft uitgeoefend. Tenslotte hebben [eiser] en diens raadsman voor de provinciale raad en voor de raad van beroep al hun verweermiddelen zowel schriftelijk als mondeling kunnen voordragen. [Eiser] heeft derhalve recht gehad op een eerlijk proces zoals voorzien door artikel 6 EVRM." (bestreden beslissing, blz. 2)

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 6, § 1, EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Krachtens artikel 6, § 3, c), EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, tenminste het recht zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van rechtspraak dit eist.

Dit recht op bijstand van een advocaat, gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn geschonden als incriminerende verklaringen die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, aan de basis liggen van de strafvervolging.

De waarborgen van artikel 6, § 3, EVRM zijn slechts een nadere uitwerking van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6, § 1, EVRM, en zijn dan ook, mutatis mutandis, van toepassing op zowel burgerlijke als strafzaken.

Deze waarborgen van artikel 6 EVRM zijn in beginsel eveneens toepasselijk in het tuchtrecht, ook al kan de concrete invulling van die rechten afhangen van de specifieke aard van de tuchtprocedures. Tuchtprocedures in het kader waarvan sancties kunnen worden opgelegd die tot gevolg hebben dat de beoefenaar van een beroep zijn beroep niet meer kan uitoefenen, worden in de regel immers beschouwd als betwistingen over burgerlijke rechten en verplichtingen.

Deze waarborgen zijn zonder enige beperking van toepassing wanneer de tucht-procedure kan beschouwd worden als een ingestelde strafvervolging. Een tuchtprocedure kan beschouwd worden als een strafprocedure wanneer deze betrekking heeft op een regel die het puur disciplinaire overstijgt en waarden en belangen beschermt die normaal gezien onder de beschermingssfeer van het strafrecht vallen.

Terzake werd een tuchtprocedure tegen eiser gestart die kon leiden tot een sanctie die tot gevolg hebben dat eiser zijn beroep niet meer kon uitoefenen en werd aan eiser effectief de tuchtstraf van de schorsing van 5 maanden opgelegd, zodat minstens de waarborgen van artikel 6 EVRM, zoals die gelden in burgerlijke zaken, terzake van toepassing waren.

De tegen eiser ingestelde tuchtvervolging dient in de concrete omstandigheden van de zaak evenwel beschouwd te worden als een strafvervolging, nu aan eiser werd verweten een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 6 van de Wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en de artikelen 10 en 11 van het reglement van beroepsplichten, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985, die een onverenigbaarheid invoeren tussen het beroep van architect met dat van aannemer.

Deze bepalingen strekken ertoe de conceptie van en het toezicht op de werken enerzijds en de uitvoering ervan anderzijds van elkaar te scheiden. Dit voorschrift van artikel 6 van de Wet van 20 februari 1939 hangt samen met het voorschrift van artikel 4 van deze wet dat bepaalt dat de staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren een beroep moeten doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering van de werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Een overtreding van deze verplichting om onder architectuur te bouwen, wordt, krachtens artikel 10, derde lid van deze wet gestraft met een geldboete van 200 frank tot 1000 frank. Deze verplichting om onder architectuur te bouwen en daarmee samenhangend de verplichting van onafhankelijkheid van de architect ten opzichte van de aannemer, worden inderdaad uitermate belangrijk geacht omdat zij strekken tot het waarborgen van de kwaliteit, de stabiliteit, en de hygiëne van de gebouwen en woningen en aldus niet louter strekken tot bescherming van private belangen en evenmin louter strekken tot bescherming van de belangen van de beroepsorden. Voormelde verplichtingen strekken tot bescherming van de maatschappij.

De verplichting om onder architectuur te bouwen en de daarmee samenhangende verplichting van onafhankelijkheid van de architect ten opzichte van de aannemer overstijgt dan ook ver de bescherming van de belangen van de beroepsgroep en kaderen in de sfeer van het strafrecht.

Voor zover derhalve de waarborg van artikel 6, § 3, c) niet hoedanook geldt in het kader van elke tuchtprocedure, dient in de concrete omstandigheden van deze zaak te worden aangenomen dat deze waarborg in deze wel geldt omdat de huidige procedure het puur disciplinaire overstijgt en derhalve beschouwd moet worden als een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM.

Inzoverre de appelrechters, door te beslissen dat voor zover de ‘Salduz'-rechtspraak in tuchtzaken toepasselijk zou zijn, het recht op een eerlijk proces van eiser hoe dan ook niet geschonden is, oordelen dat het recht op bijstand van een advocaat zoals gewaarborgd door artikel 6, § 1, EVRM en 6, § 3, c), EVRM in tuchtzaken in het algemeen en in deze tuchtzaak in het bijzonder niet van toepassing zou zijn, schenden de appelrechters de artikel 6, § 1 en 6, § 3, c), EVRM.

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 6, § 1, EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Krachtens artikel 6, § 3, c, EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, tenminste het recht zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van rechtspraak dit eist.

Deze waarborgen liggen eveneens vervat in het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging.

Zoals aangevoerd in het eerste onderdeel van het middel gelden deze waarborgen ook in tuchtzaken in het algemeen en in deze zaak in het bijzonder. De tegen eiser ingestelde tuchtprocedure moet immers als een strafprocedure gekwalificeerd worden gelet op de aard van de beschermde belangen (onafhankelijkheid van de architect ten opzichte van de aannemer) die het puur disciplinaire overschrijden en strekken tot bescherming van de maatschappij.

Het recht op bijstand van een advocaat, gewaarborgd bij de artikelen 6, § 1 en 6, § 3, EVRM houdt, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in dat de toegang tot een advocaat moet worden georganiseerd vanaf het eerste verhoor.

Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel ge-schaad als incriminerende verklaringen die werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, aan de basis liggen van een strafvervolging.

Eiser voerde in conclusie aan dat hij werd uitgenodigd op 10 april 2009 om "een duidelijk beeld te krijgen van (zijn) activiteiten". Eiser wees erop dat hij in de waan werd gelaten dat hem pro forma inlichtingen werd gevraagd en dat hij nooit werd verwittigd dat de vragen hem werden gesteld in het kader van een tuchtonderzoek en verder dat ook tijdens de bureauvergadering het bestaan van de klacht niet kenbaar werd gemaakt. Eiser wees er nog op dat hem er evenmin op gewezen werd dat hij recht had om zich door een advocaat te laten bijstaan.

Eiser voerde verder aan dat hij tijdens het verhoor op maandag 27 april 2009 spontaan een aantal zelfincriminerende verklaringen aflegde.

Deze feiten werden door de Nationale Raad van de Orde van Architecten niet betwist. De Nationale Raad voerde in conclusie enkel aan dat het recht op bijstand van een advocaat zoals hierboven omschreven, niet van toepassing is in tuchtzaken, dat verder eiser nooit het recht ontzegd is om een advocaat te raadplegen en dat er geen dwang werd uitgeoefend op eiser.

De appelrechters beslissen dat het eiser, op wie geen enkele vorm van dwang werd uitgeoefend, vrij stond zich te laten bijstaan door een advocaat of geen verklaringen af te leggen buiten diens aanwezigheid. De appelrechters beslissen nog dat het tuchtonderzoek geenszins uitsluitend gestoeld is op de verklaring van eiser, maar hoofdzakelijk op de oorspronkelijke klacht met bijlage van architect X. en op het mandaat van de voorzitter van de Raad van Bestuur van de vennootschap nv Immobiliën Vermeulen Systeembouw dat eiser gedurende jaren heeft uitgeoefend.

Door aldus, na impliciet doch zeker te hebben vastgesteld dat het tuchtonderzoek deels gesteund is op de zelfincriminerende verklaringen die eiser aflegde zonder de bijstand van een advocaat, te beslissen dat het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6, § 1 en 6, § 3, c), EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging niet geschonden is omdat:

- het eiser vrijstond zich te laten bijstaan door een advocaat, zonder hierbij rekening te houden met het feit dat eiser in de waan werd gelaten dat hem pro forma enkele inlichtingen werd gevraagd en dat hij nooit werd verwittigd van het feit dat de vragen hem werden gesteld in het kader van een tuchtonderzoek en zonder dat hij erop gewezen werd dat hij recht had om zich door een advocaat te laten bijstaan,

- geen dwang werd uitgeoefend op eiser, terwijl de verdachte zich tijdens het verhoor in het kader van een onderzoek steeds in een kwetsbare positie bevindt en die kwetsbare positie slechts kan gecompenseerd worden door de bijstand van een advocaat,

- het tuchtonderzoek geenszins uitsluitend gestoeld is op de verklaring van eiser maar hoofdzakelijk op andere elementen gestoeld is, terwijl het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces geschonden zijn als zelfincriminerende verklaringen die werden afgelegd tijdens een verhoor zonder bijstand van een advocaat, zij het slechts gedeeltelijk, aan de basis liggen van de tuchtvervolging,

- eiser en zijn raadsman al hun verweermiddelen hebben kunnen voordragen voor de provinciale raad en de raad van beroep, terwijl deze mogelijkheid nadien de verklaringen te betwisten en verweermiddelen voor te dragen geen afbreuk doet aan het feit dat door de afwezigheid van een raadsman tijdens het eerste verhoor, het recht op een eerlijk proces zoals vervat in artikel 6, § 1 en 6, § 3, c), EVRM evenals het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging werden geschonden, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 6 van de Wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect;

- de artikelen 10 en 11 Reglement van Beroepsplichten van de Nationale Raad van de Orde van architecten, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985.

Aangevochten beslissingen

De appelrechters beslissen dat eiser een inbreuk heeft begaan op de artikelen 10 en 11 van het reglement van de beroepsplichten van de Nationale Raad van de Orde van architecten, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 18 april 1985, verklaren dienvolgens de tenlasteleggingen A 1°, 2°, 3° en B bewezen en leggen aan eiser de tuchtstraf van vijf maanden schorsing op, op grond van de volgende motieven:

"Betreffende de tenlastelegging A staat het vast dat [eiser] het mandaat heeft uitgeoefend van voorzitter van een vennootschap actief in de algemene bouw van residentiële gebouwen, dat hij effectief is opgetreden als mandataris van dit aannemingsbedrijf door deelname aan de voorlopige oplevering van een gebouw en door ondertekening van het PV van voorlopige oplevering in de hoedanigheid van aannemer, en dat hij effectief beroepsmatig aanwezig is geweest binnen deze vennootschap via haar vertegenwoordiging op voorlopige opleveringen van werven waarvan zij de aannemer was. De omstandigheid dat [eiser] in bedoelde gevallen enkel als aannemer en niet als architect is opgetreden doet geen afbreuk aan de overtreding op artikel 10, 1°, van het KB dd. 18 april 1985, krachtens dewelke het uitoefenen van het beroep van architect onverenigbaar is met het beroep van aan-nemer van openbare of private werken. De tenlastelegging A 1°, 2°, 3° is derhalve bewezen.

Betreffende de tenlastelegging B staat het eveneens vast dat de echtgenote en de zoon van [eiser] leidinggevende en uitvoerende functies uitoefenen in het aannemingsbedrijf waarvan hij de voorzitter van de raad van bestuur is en waarvoor hij daadwerkelijk actief is tussengekomen op diens werven. Hierdoor schendt [eiser] artikel 11 van het KB dd. 18 april 1985 krachtens dewelke de architect de bij artikel 10 als onverenigbaar aangemerkte handelingen niet rechtstreeks en evenmin onrechtstreeks of bij tussenpersoon mag verrichten. De omstandigheid dat [eiser] voor dit aannemingsbedrijf nooit als architect is opgetreden doet hieraan geen afbreuk. De tenlastelegging B is derhalve bewezen."

Grieven

Krachtens artikel 6 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en artikel 10 van het reglement van beroepsplichten van de Nationale Raad van de Orde van architecten, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985, is het uitoefenen van het beroep van architect onverenigbaar met dat van aannemer van openbare of private werken.

Krachtens artikel 11 van het reglement van beroepsplichten van de Nationale Raad van de Orde van architecten, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985, mag de architect de bij artikel 10 als onverenigbaar aangemerkte handelingen niet rechtstreeks en evenmin onrechtstreeks of bij tussenpersoon verrichten.

Met deze onverenigbaarheid heeft de wetgever, zowel in het belang van het beroep van architect als in het belang van de bouwheren, het ontwerpen van de plannen en het toezicht op de werken enerzijds en de uitvoering van de werken anderzijds van elkaar willen scheiden.

Gezien voormelde bepalingen de vrijheid van nijverheid en arbeid beperken, dienen zij strikt te worden uitgelegd. Van enige inbreuk op voormelde bepalingen kan slechts sprake zijn wanneer een persoon in het kader van een concreet bouwproject tegelijk de functies van architect en aannemer uitoefent, weze het zelf dan wel bij een tussenpersoon.

Terzake stellen de appelrechters vast dat eiser het mandaat heeft uitgeoefend van voorzitter van een vennootschap actief in de algemene bouw van residentiële gebouwen, dat hij effectief is opgetreden als mandataris van dit aannemingsbedrijf door deelname aan de voorlopige oplevering van een gebouw en door ondertekening van het PV van voorlopige oplevering in de hoedanigheid van aannemer, en dat hij effectief beroepsmatig aanwezig is geweest binnen deze vennootschap via haar vertegenwoordiging op voorlopige opleveringen van werven waarvan zij de aannemer was.

De appelrechters stellen nog vast dat eiser zijn echtgenote en zoon leidinggevende en uitvoerende functies laat uitoefenen in het aannemingsbedrijf waarvan hij voorzitter van de raad van bestuur is en waarvoor hij daadwerkelijk actief is tussengekomen op diens werven.

De appelrechters stellen tevens vast dat eiser in bedoelde gevallen enkel als aannemer is opgetreden en niet als architect en verder dat eiser voor het aannemingsbedrijf nooit als architect is opgetreden, maar zijn van oordeel dat deze omstandigheid geen afbreuk doet aan de inbreuk op de artikelen 10 en 11 van het reglement van beroepsplichten van de Nationale Raad van de Orde van architecten, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985.

Door aldus te beslissen dat eiser een inbreuk heeft begaan op de artikelen 10 en 11 van het reglement van beroepsplichten van de Nationale Raad van de Orde van architecten, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 18 april 1985, hoewel uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat eiser op geen enkel ogenblik daadwerkelijk de functies van aannemer en architect in het kader van een concreet bouwproject heeft gecumuleerd, schenden de appelrechters de artikelen 6 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en de artikelen 10 en 11 van het reglement van beroepsplichten van de Nationale Raad van de Orde van architecten, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechters oordelen dat "voor zover de ‘Salduz'- rechtspraak in tuchtzaken toepasselijk zou zijn", het recht op een eerlijk proces van de eiser hoe dan ook niet geschonden is.

2. De appelrechters oordelen met deze reden niet dat het recht op bijstand van een advocaat zoals gewaarborgd door artikel 6, § 1, EVRM en artikel 6, § 3, c), EVRM geen toepassing vindt in tuchtzaken in het algemeen, noch in deze tucht-zaak in het bijzonder.

Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van de bestreden beslissing en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. De eiser voert aan dat hij "in de waan werd gelaten dat hem pro forma enke-le inlichtingen werden gevraagd en dat hij nooit werd verwittigd van het feit dat de vragen hem werden gesteld in het kader van een tuchtonderzoek en zonder dat hij erop gewezen werd dat hij het recht had om zich door een advocaat te laten bijstaan".

4. De bestreden beslissing stelt zulks niet vast.

In zoverre het onderdeel een onderzoek van feiten vraagt waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

5. Krachtens artikel 6, § 1, EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Krachtens artikel 6, § 3, c), EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht op bijstand van een raadsman naar zijn keuze.

6. Deze bepalingen zijn toepasselijk op een tuchtprocedure inzake feiten die aanleiding kunnen geven tot een sanctie welke gelet op de aard, de ernst en de zwaarwichtigheid ervan als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM dient te worden aangezien.

7. Het recht op een eerlijk proces en op de bijstand van een advocaat, gewaar-borgd door de artikelen 6, § 1 en 6, § 3, c), EVRM houdt in dat aan een persoon, die het voorwerp uitmaakt van een tuchtvervolging met betrekking tot feiten die aanleiding kunnen geven tot een straf in de zin van artikel 6 EVRM, bij zijn ver-hoor tijdens het tuchtrechtelijk vooronderzoek toegang wordt verleend tot een ad-vocaat in zoverre hij zich in een kwetsbare positie bevindt.

8. Het verhoor in het kader van een tuchtrechtelijk vooronderzoek, waarbij de onderzoekers geen vrijheidsbenemende maatregelen, noch andere dwangmaatre-gelen kunnen treffen, heeft in de regel niet tot gevolg dat de betrokkene zich in een kwetsbare positie bevindt.

9. In zoverre het middel ervan uitgaat dat diegene lastens wie een tuchtrechte-lijk vooronderzoek wordt gevoerd zich tijdens dit onderzoek steeds in een kwets-bare positie bevindt, kan het niet worden aangenomen.

10. De overige grieven zijn afgeleid en mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede middel

11. Krachtens artikel 6 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect is het uitoefenen van het beroep van archi-tect onverenigbaar met dat van aannemer van openbare en privé-werken.

Artikel 10, 1°, van het reglement van Beroepsplichten der Architecten door de Na-tionale Raad van de Orde der Architecten vastgesteld, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985, bepaalt dat het uitoefenen van het beroep van architect onverenigbaar is met dat van aannemer van openbare of private werken.

12. Ingevolge deze bepalingen is het uitoefenen van het beroep van architect onverenigbaar met dat van aannemer van openbare of private werken.

De aldus in het belang van zowel het beroep van architect als van de opdrachtge-vers ingestelde onverenigbaarheid moet, zoals elke bepaling die de vrijheid van nijverheid en arbeid inperkt, op beperkende wijze worden uitgelegd.

Dit belet evenwel niet dat het verbod beide beroepen te cumuleren algemeen is en niet beperkt tot de cumulatie van de functies van aannemer en architect in het ka-der van eenzelfde concreet bouwproject.

13. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 597,69 euro en voor de verweerster op 342,08 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 16 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christan Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

G. Jocqué

K. Mestdagh

A. Smetryns

E. Stassijns

E. Dirix

Vrije woorden

  • Tuchtzaken

  • Toepasselijkheid