- Arrest van 16 november 2012

16/11/2012 - C.08.0589.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een betwisting over de rechtsgeldigheid van een beslissing van een algemene vergadering van een vereniging zonder winstoogmerk, waarbij tuchtsancties worden opgelegd, is een geschil over een burgerlijk recht, dat bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de justitiële rechter behoort (1). (1) Het O.M. concludeerde tot vernietiging op het eerste en derde onderdeel; het was van mening dat, gezien een eerder (niet-gepubliceerd) arrest van het Hof van Cassatie van 15 sept. 2005, gewezen in dezelfde zaak, had beslist dat artikel 780, 1°, Ger.W. van toepassing was op de litigieuze beslissing van de algemene vergadering van de betrokken VZW, daaruit volgt dat de voor deze algemene vergadering gevoerde procedure als een tuchtprocedure dient te worden beschouwd zodat ingevolge artikel 2 Ger.W. ook artikel 20 van hetzelfde wetboek daarop toepasselijk was. Het was tevens van oordeel dat de wet niet voorziet in een rechtsmiddel tegen een dergelijke beslissing van de algemene vergadering van een VZW, waarbij de rechtbank van eerste aanleg dergelijke beslissing zou kunnen vernietigen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0589.N

1. M.B.,

2. M.V.,

3. M.V.,

allen in hun hoedanigheid van vereffenaars van Belgische Draffederatie vzw, in vereffening,

4. BELGISCHE DRAFFEDERATIE vzw, met zetel te 2440 Geel, Drossards-hoevedreef 3,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

STAL TROJAAN nv, met zetel te 9270 Laarne (Kalken), Holeindestraat 19,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 11 juni 2007 en 2 juni 2008.

Gelet op de arresten van dit Hof van 30 oktober 1992, 25 oktober 2001 en 15 sep-tember 2005.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 2 Gerechtelijk Wetboek zijn de in dit wetboek gestelde re-gels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginse-len, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepa-lingen van dit wetboek.

Hieruit volgt dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek aanvullend recht uitmaken indien bij de hoven en rechtbanken of bij andere rechtscolleges voor een bepaald aspect van een andere rechtspleging dan de burgerlijke rechtspleging, geen regeling is vastgesteld.

De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zijn evenwel niet als aanvullend recht van toepassing op procedures die beslecht worden door een orgaan van een private rechtspersoon.

2. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek als aanvullend recht van toepassing zijn op de beslissingen die door de algemene vergadering van de Belgische Draffederatie vzw werden genomen als tuchtcommissie, faalt het naar recht.

3. Krachtens artikel 608 Gerechtelijk Wetboek neemt het Hof van Cassatie kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het Hof worden gebracht we-gens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.

Luidens artikel 609 Gerechtelijk Wetboek doet het Hof van Cassatie uitspraak over de cassatieberoepen tegen de beslissingen die in deze wetsbepaling worden opgesomd.

Een beslissing die werd genomen door de algemene vergadering van een vereni-ging zonder winstoogmerk handelend als tuchtcommissie, is geen voor cassatiebe-roep vatbare beslissing in de zin van voormelde bepalingen.

In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

4. Krachtens artikel 144 Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken.

Een betwisting over de rechtsgeldigheid van een beslissing van een algemene ver-gadering van een vereniging zonder winstoogmerk, waarbij tuchtsancties worden opgelegd, is een geschil over een burgerlijk recht, dat bij uitsluiting tot de be-voegdheid van de justitiële rechter behoort.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de justitiële rechter geen rechtsmacht heeft om over een dergelijk geschil te oordelen, faalt het naar recht.

5. Krachtens artikel 556 Gerechtelijk Wetboek nemen de hoven en rechtbanken kennis van alle vorderingen, behalve van die welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt.

Krachtens artikel 568, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen.

Op grond van die wetsbepalingen is de rechtbank van eerste aanleg ingevolge haar volheid van rechtsmacht bevoegd, wanneer de verweerder geen verwijzing van de zaak naar een ander bevoegd gerecht vordert.

De rechtbank van eerste aanleg is, op grond van haar volheid van rechtsmacht, in beginsel, bevoegd om uitspraak te doen over de rechtsgeldigheid van een tucht-rechtelijke beslissing genomen door de algemene vergadering van een vereniging zonder winstoogmerk, die de burgerlijke rechten van de betrokkene benadeelt.

6. De appelrechters die in hoger beroep uitspraak doen over de regelmatigheid van een dergelijke beslissing, schenden hierdoor de in het onderdeel aangevoerde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 14 Wet Raad van State niet.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

7. De appelrechters oordelen in het eindarrest van 2 juni 2008 dat:

- het argument van de verweerster dat in geval van nietigheid van de beslissing van de tuchtcommissie in beroep, de beslissing van de tuchtcommissie in eerste aanleg zou herleven, evenmin kan worden gevolgd;

- de beslissing van de tuchtcommissie in eerste aanleg werd aangevochten in be-roep en dus nooit definitief is geworden;

- ten gevolge van de devolutieve kracht van het hoger beroep het geschil zelf werd aanhangig gemaakt bij de tuchtcommissie in hoger beroep;

- de nietigheid van de beslissing in beroep geenszins de beslissing in eerste aan-leg kan doen herleven.

8. Zij verwerpen en beantwoorden aldus het in het onderdeel bedoelde verweer dat de tuchtbeslissing genomen in eerste aanleg behouden blijft, indien het beroepsarrest door de niet-vermelding van de namen van de rechters nietig zou zijn.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

9. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek aanvullend recht uitmaken indien voor een bepaald aspect van de rechtspleging bij de hoven en rechtbanken of bij andere rechtscolleges geen regeling is vastgesteld.

De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zijn evenwel niet als aanvullend recht van toepassing op procedures die beslecht worden door een orgaan van een private rechtspersoon.

10. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Vierde onderdeel

11. De appelrechters oordelen in het tussenarrest van 11 juni 2007 dat de in ar-tikel 780 Gerechtelijk Wetboek vastgestelde nietigheid tot gevolg heeft dat de met deze nietigheid behepte beslissing wordt geacht niet meer te bestaan en dat het naderhand regulariseren van een beslissing die niet meer bestaat, is uitgesloten.

De appelrechters geven aldus te kennen dat in de beslissing de namen niet werden vermeld van de personen die de beslissing hebben genomen en dat het niet moge-lijk is om hieraan te verhelpen.

12. De appelrechters verwerpen aldus het verweer van de eiseres dat aan het vereiste van artikel 780, 1°, Gerechtelijk Wetboek nog kan worden voldaan door de lijst toe te voegen van diegenen die de beslissing hebben genomen.

13. Het onderdeel dat opkomt tegen een overtollige reden, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Vijfde onderdeel

14. Krachtens artikel 146 Grondwet kan geen rechtbank, geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan worden ingesteld dan krachtens een wet. Geen buiten-gewone rechtbanken of commissies kunnen, onder welke benaming ook, in het le-ven worden geroepen.

15. Uit deze bepaling volgt dat elk met eigenlijke rechtspraak belast orgaan bij of minstens krachtens een beslissing van de wetgever moet worden opgericht.

De wetgever kan bijgevolg de Koning uitdrukkelijk machtigen om een met eigen-lijke rechtspraak belast orgaan in te stellen.

16. Het onderdeel gaat ervan uit dat een met eigenlijke rechtspraak belast or-gaan moet worden ingesteld "bij" of "door" de wet.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

17. De aangevoerde schending van de artikelen 2 en 780, 1°, Gerechtelijk Wet-boek maakt geen zelfstandige grief uit, maar is afgeleid uit de vergeefs aange-voerde schending van artikel 146 Grondwet.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Zesde onderdeel

18. De appelrechters oordelen: "De voormelde arresten van het hof van beroep van Gent en Antwerpen werden beide door het Hof van Cassatie vernietigd (...) en bovendien moet het hof tot de conclusie komen dat de tuchtprocedure niet re-gelmatig werd gevoerd bij gebrek aan vermelding van de namen van diegenen die de beslissing hebben getroffen op de beslissing van de tuchtcommissie in graad van beroep."

19. Uit dit oordeel kan niet worden afgeleid dat de appelrechters hun oordeel uitsluitend steunen op artikel 780, 1°, Gerechtelijk Wetboek en niet tevens op het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter, waarvan bedoeld artikel de uitdrukking is.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 674,57 euro en voor de verweerster op 314,74 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 16 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche G. Jocqué K. Mestdagh

A. Smetryns E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Algemene vergadering

  • Beslissing

  • Oplegging van tuchtsancties

  • Rechtsgeldigheid

  • Betwisting

  • Bevoegdheid

  • Justitiële rechter