- Arrest van 23 november 2012

23/11/2012 - F.11.0050.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een bezwaarschrift tegen een leegstandsheffing, dat ingediend werd buiten de in artikel 39, § 2, van het Decr. Vl. R. van 22 december 1995, gestelde termijn van dertig kalenderdagen vanaf de verzending van de aanslag, dient niettemin als tijdig te worden beschouwd gelet op de ongrondwettelijkheid van deze bepaling en het gebrek aan enig wetgevend initiatief om hieraan te verhelpen (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0050.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse minister van Finan-ciën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

DOMUS bvba, met zetel te 2100 Antwerpen (Deurne), Unitaslaan 81,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 24 februari 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 18 mei 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 85/2007, van 7 juni 2007 geoor-deeld dat artikel 39, § 2, van het Decreet van de Vlaamse Raad van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, zoals gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2000, en vóór de wijziging ervan bij het decreet van 7 mei 2004, en zoals te dezen van toepassing, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het bepaalt dat de beroepstermijn tegen een aanslag gevestigd overeenkomstig dit decreet, loopt vanaf de datum van de verzending van het aan-slagbiljet.

Het Grondwettelijk Hof heeft in dit arrest onder randnummer B.4 overwogen dat de doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden even goed zou kunnen worden bereikt indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de derde werkdag volgend op de datum waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten over-handigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

2. De Vlaamse decreetgever heeft dit artikel gewijzigd bij artikel 8 van het de-creet van 8 juli 2011 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen, dat wil zeggen na de uitspraak van de appelrechters.

3. Vermits de ongrondwettigheid in het decreet die door het Grondwettelijk Hof is vastgesteld op verschillende wijzen kon worden verholpen, hebben de ap-pelrechters, zonder de in het middel aangewezen bepalingen te schenden, kunnen oordelen dat zij bij gebreke aan enig wetgevend initiatief naar aanleiding van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, geen andere datum als aanvangsdatum in de plaats kunnen stellen zodat het litigieuze bezwaarschrift als tijdig dient te wor-den beschouwd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 120,68 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Erwin Francis, en in openbare rechtszitting van 23 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky E. Francis K. Mestdagh

A. Smetryns B. Deconinck E. Stassijns

Vrije woorden

  • Vlaams Gewest

  • Leegstandheffing

  • Bezwaartermijn

  • Aanvang