- Arrest van 23 november 2012

23/11/2012 - F.11.0173.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De driejarige verjaringstermijn van de vordering tot teruggave van de btw, boeten en intresten neemt een aanvang, hetzij op het ogenblik van kennisgeving van de beslissing waarbij de aanvraag tot teruggave werd verworpen, hetzij vanaf het ogenblik waarop de betaling van de btw, boeten en interesten plaatsvond op verzoek van het bestuur; de datum van de eventuele inhouding van btw-tegoeden, kan niet als vertrekpunt worden beschouwd voor deze verjaringstermijn, omdat deze inhouding niet geldt als een betaling van de belastingschuld, maar slechts een bewarende maatregel is die het bestuur moet toelaten om tot verrekening over te gaan eens de belastingschuld vaststaat (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0173. N

DVDM TOTAALINRICHTINGEN bvba, met zetel te 9300 Aalst, Tragel 53,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de e.a. inspecteur van het Btw-controlekantoor te Aalst, met kantoor te 9300 Aalst, Parklaan 31A,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 juni 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 18 mei 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Luidens artikel 82 Btw-wetboek begint de verjaring van de vordering tot te-ruggave van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten te lopen vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

Artikel 82bis van dat wetboek bepaalt dat er verjaring is voor de vordering tot te-ruggave, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggave zich heeft voorgedaan.

Krachtens artikel 77, § 1, 1°, van hetzelfde wetboek kan deze oorzaak bestaan in een onverschuldigde betaling, wat onder meer het geval zal zijn wanneer de belas-tingplichtige een onjuist tarief zou hebben aangerekend of de belasting zou hebben berekend op een onjuiste maatstaf van heffing.

Krachtens artikel 14 KB nr. 4 van 29 december 1969 moet de vordering in rechte met betrekking tot de teruggave van de belasting, van de interesten en van de ad-ministratieve geldboeten, worden ingesteld vóór het verstrijken van het derde ka-lenderjaar volgend op, naargelang het geval, dit van de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag om teruggave wordt verworpen ofwel dit van de betaling van de belas-ting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie.

2. Uit deze bepalingen volgt dat de verjaring van de vordering tot teruggave een aanvang neemt, hetzij op het ogenblik van kennisgeving van de beslissing waarbij de aanvraag tot teruggave werd verworpen, hetzij vanaf het ogenblik waarop de betaling van de btw, boeten en interesten plaatsvond op verzoek van het bestuur.

3. Krachtens artikel 8/1, § 3, vierde lid, KB nr. 4 van 29 december 1969, kan de administratie wanneer de belastingschuld wordt betwist, overgaan tot de in-houding van het belastingkrediet tot beloop van haar schuldvordering.

4. De inhouding geldt als bewarend beslag onder derden totdat het geschil over de belastingschuld definitief wordt beëindigd.

Deze inhouding geldt niet als een betaling van de belastingschuld, maar is slechts een bewarende maatregel die het bestuur moet toelaten om tot verrekening over te gaan eens de belastingschuld vaststaat.

5. De appelrechters die oordelen dat de vordering van de eiseres tot teruggave verjaard is omdat zij werd ingesteld op 12 december 2008 terwijl de data van de inhoudingen zich situeerden in de loop van het jaar 2003 en deze als vertrekpunt dienen beschouwd voor de driejarige verjaringstermijn, verantwoorden hun be-slissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de betwisting daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Beat-rijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Erwin Francis, en in openbare rechtszitting van 23 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van af-gevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynksy E. Francis K. Mestdagh

A. Smetryns B. Deconinck E. Stassijns

Vrije woorden

  • Vordering tot teruggave

  • Verjaringstermijn

  • Aanvang