- Arrest van 27 november 2012

27/11/2012 - P.11.0835.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Geen enkele wettelijke bepaling schrijft voor dat de rechter die vaststelt dat verschillende voorliggende misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet zoals bedoeld in artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, het misdrijf dient aan te wijzen waarop de zwaarste straf is gesteld (1). (1) Cass. 15 okt. 1996, AR P.94.1284.N, AC 1996, nr. 381.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0835.N

G M V,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 24 maart 2011.

Het werd op 14 november 2011 een tweede keer ingeschreven op de algemene rol onder nummer P.11.1840.N.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Doorhaling

1. Bij afwezigheid van een ander cassatieberoep dient de zaak P.11.1840.N van de rol te worden doorgehaald.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van het recht van verdediging: het arrest houdt geen rekening met de appelconclu-sie die de eiser vóór de heropening van het debat had neergelegd en beantwoordt ze niet.

3. De omstandigheid dat het arrest de appelconclusie niet vermeldt die de eiser had neergelegd vóór het tussenarrest dat het debat heropent, houdt niet in dat de appelrechters die conclusie niet in aanmerking hebben genomen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

4. Voor het overige preciseert het onderdeel niet welk in de bedoelde conclusie opgenomen verweer het arrest niet beantwoordt.

In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het verweer aangevoerd in de vóór de heropening van het debat neergelegde appelconclusie dat de eiser niet kan beschouwd worden als aange-stelde of lasthebber in de zin van het sociaal strafrecht.

6. Met het geheel van de redenen die het arrest bevat, onder meer de vaststel-ling dat de eiser ook na verkoop van Festro nv aan de medebeklaagden K. en V.L. zijn greep op deze firma behield (arrest, p. 25), stellen de appelrechters vast dat de eiser als lasthebber van Festro nv bekleed was met het gezag of de nodige be-voegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken. Aldus beantwoor-den zij het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op de gemotiveerde vraag tot bijkomend onderzoek naar Marika bv en Festo nv die de eiser heeft geformuleerd in zijn na de heropening van het debat neergelegde appelconclusie.

8. Anders dan het onderdeel aanvoert, beantwoorden de appelrechters de be-doelde vraag tot bijkomend onderzoek met de redenen die het arrest bevat en die het onderdeel weergeeft (arrest, p. 27).

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest dat enerzijds oordeelt dat de eiser met opzet heeft gehandeld en anderzijds oordeelt dat hij onvoorzichtig of onachtzaam heeft gehandeld, bevat aldus een onderlinge tegenstrijdigheid inzake het noodzakelijk schuldbestanddeel.

10. Voor alle aan de eiser ten laste gelegde misdrijven volstaat onachtzaamheid als schuldvorm, zodat de schuldigverklaring naar recht is verantwoord zowel bij vaststelling dat de eiser met opzet heeft gehandeld als bij vaststelling dat hij on-voorzichtig of onachtzaam heeft gehandeld.

Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 65 Strafwetboek: het arrest dat de eiser voor de vermengde feiten B.1, C.4, D.4 en E.4 tot één straf veroordeelt, namelijk een geldboete van 500 euro, vermenigvul-digd met 84, zijnde het aantal werknemers, en zo gebracht op 42.000 euro, wijst de strafwet niet aan op grond waarvan die geldboete wordt opgelegd; de toegepaste geldboete is wettig zo zij is opgelegd op grond van de telastleggingen C4 of D4 en onwettig zo zij is opgelegd op grond van de telastleggingen B.1 of E.4, zodat de strafmaat dubbelzinnig is gemotiveerd.

12. Geen enkele wettelijke bepaling schrijft voor dat de rechter die vaststelt dat verschillende voorliggende misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoe-ring zijn van eenzelfde misdadig opzet zoals bedoeld in artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, het misdrijf dient aan te wijzen waarop de zwaarste straf is gesteld.

13. Het zwaarste feit betreft hier de feiten van de telastlegging D.4 die overeen-komstig artikel 12bis, § 1, 1°, Dimona-aangiftebesluit worden bestraft met gevan-genisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van 500 tot 2.500 eu-ro, of met een van die straffen alleen, waarbij de geldboete zoveel maal wordt toegepast als er werknemers zijn ten overstaan van dewelke een inbreuk is ge-pleegd, zonder dat het totaal bedrag van de geldboeten evenwel hoger mag zijn dan 125.000 euro.

De opgelegde straf is die voor de feiten van de telastlegging D.4 en is aldus wet-tig.

Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk.

Vierde middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 3 Probatiewet: het arrest oordeelt dat de bewezen verklaarde feiten te zwaarwichtig zijn om de gevraagde gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te verantwoorden zonder vast te stellen dat de bewezen verklaarde feiten moeten worden bestraft met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar gevangenisstraf, zodat de weigering van de opschorting niet wettig met redenen is omkleed.

15. Anders dan waarvan het middel uitgaat, weigert het arrest de gevraagde op-schorting niet wegens de zwaarwichtigheid van de feiten als dusdanig, maar mede omdat die gunst onvoldoende zou bijdragen tot de bewustwording dat dergelijke feiten onder geen beding kunnen getolereerd worden.

Het middel dat op een onvolledige lezing van het arrest berust, mist aldus feitelij-ke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

16. De substantiële of op straffe van nietig voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Beveelt de doorhaling van de zaak P.11.1840.N van de algemene rol.

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 139,43 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 27 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

A. Lievens F. Van Volsem

K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Aanduiding van het misdrijf