- Arrest van 27 november 2012

27/11/2012 - P.11.1433.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Om naar het voorschrift van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering met redenen te zijn omkleed, moet de op de strafvordering gewezen veroordelende beslissing opgave doen van de wettelijke bepalingen die de bestanddelen van het aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijf omschrijven en van die waarbij de straf wordt bepaald (1). (1) Zie: Cass. 4 juni 2002, AR P.01.0706.N, AC 2002, nr. 339.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1433.N

R M M D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie te Veurne.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Brugge van 22 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis dat zich beperkt tot een alge-mene verwijzing naar het koninklijk besluit van 9 april 2007 houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, zonder het artikel van dit koninklijk besluit te vermelden dat de wet van 18 februari 1969 toepasbaar maakt, is aldus niet naar recht met redenen om-kleed.

2. Om naar het voorschrift van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering met redenen te zijn omkleed, moet de op de strafvordering gewezen veroordelende beslissing opgave doen van de wettelijke bepalingen die de bestanddelen van het aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijf omschrijven en van die waarbij de straf wordt bepaald.

3. Artikel 1, eerste lid, van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatre-gelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, bepaalt dat de Koning, bij in Mi-nisterraad overlegd besluit, inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, alle vereiste maatregelen kan treffen ter uitvoering van de verplich-tingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden.

Krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, van die wet worden de overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van vijftig tot tienduizend euro, of slechts één van beide straffen, onverminderd de eventuele schadevergoeding.

Die wetsbepaling stelt enkel de overtreding van een uitvoeringsbesluit strafbaar en niet rechtstreeks het overtreden van de Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verorde-ningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (hierna: Verordening (EG) nr. 561/2006).

4. De Verordening (EG) nr. 561/2006 die in haar artikel 10.2 onder meer voor-schrijft dat de vervoersonderneming het werk van de bestuurders zodanig moet organiseren dat deze Verordening (EEG) nr. 3821/85 en hoofdstuk II van deze verordening kunnen naleven, bevat zelf geen enkele strafbepaling, maar bepaalt in artikel 19.1 dat de lidstaten de regelgeving vaststellen inzake sancties voor in-breuken op deze verordening en op de Verordening (EEG) nr. 3821/85 en alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering ervan.

5. Ter uitvoering van de voornoemde bepalingen, bepaalt het voormelde ko-ninklijk besluit van 9 april 2007, met name in artikel 2, dat de inbreuken op de Verordening (EG) nr. 561/2006 en op dit besluit, vastgesteld in België of aange-geven door de bevoegde overheid van een andere lidstaat of van een derde land, worden bestraft overeenkomstig de artikelen 2 en 2bis van de voormelde wet van 18 februari 1969, ook als de inbreuk is begaan op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land.

6. Uit het voorgaande volgt dat zonder de bepalingen van het voormelde ko-ninklijk besluit van 9 april 2007, de eventuele overtredingen van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 561/2006 geen misdrijf opleveren.

Om te voldoen aan de bepalingen van artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, is het bij een veroordeling wegens inbreuken op de Verordening (EG) nr. 561/2006 aldus onontbeerlijk dat het veroordelend von-nis melding maakt van artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit.

7. Het bestreden vonnis dat bij de omschrijving van de telastleggingen in het algemeen verwijst naar het koninklijk besluit van 9 april 2007, zonder evenwel ar-tikel 2 van dit koninklijk besluit nader te vermelden, schendt aldus artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

8. De overige grieven die niet tot cassatie zonder verwijzing kunnen leiden, behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank te Kortrijk, rechtszitting hou-dend in hoger beroep.

Bepaalt de kosten op 213,02 euro.

F. Adriaensen

A. Lievens F. Van Volsem

K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 27 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Veroordeling

  • Vereiste vermeldingen

  • Toepasselijke wetsbepalingen