- Arrest van 27 november 2012

27/11/2012 - P.12.1204.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht op bijstand van een advocaat, gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken; zelfs in dat geval mag een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde of beschuldigde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken (1). (1) Zie: Cass. 24 mei 2011, AR P.11.0761.N, AC 2011, nr. 346.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1204.N

I-V

T M A G G,

beschuldigde, gedetineerd,

eiser,

met als raadsman mr. Pol Vandemeulebroucke, advocaat bij de balie te Antwer-pen,

tegen

1. A V,

burgerlijke partij,

2. M G,

burgerlijke partij,

3. L V,

burgerlijke partij,

4. H G,

burgerlijke partij,

5. A G,

burgerlijke partij,

6. B G,

burgerlijke partij,

7. E G,

burgerlijke partij,

8. N V T,

burgerlijke partij,

9. R G,

burgerlijke partij,

10. P G,

burgerlijke partij,

11. I G,

burgerlijke partij,

12. A G,

burgerlijke partij,

13. D J,

burgerlijke partij,

14. M G,

burgerlijke partij,

15. K D,

burgerlijke partij,

16. A D,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep I (akte nr. 871/2012 van 19 juni 2012) is gericht tegen het ar-rest van de preliminaire zitting van het hof van assisen van de provincie Limburg van 16 april 2012 (nr. 12/13).

Het cassatieberoep II (akte nr. 872/2012 van 19 juni 2012) is gericht tegen het tus-senarrest van het voormelde hof van 1 juni 2012 (nr. 12/34).

Het cassatieberoep III (akte nr. 873/2012 van 19 juni 2012) is gericht tegen het ar-rest van het voormelde hof van 8 juni 2012 (nr. 12/35).

Het cassatieberoep IV (akte nr. 874/2012 van 19 juni 2012) is gericht tegen het ar-rest van het voormelde hof van 8 juni 2012 (nr. 12/36) dat de verklaring van de ju-ry en de motivering bevat.

Het cassatieberoep V (akte nr. 875/2012 van 19 juni 2012) is gericht tegen het ar-rest van het voormelde hof van 11 juni 2012 (nr. 12/37) dat de eiser tot straf ver-oordeelt.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, evenals miskenning van de bewijslast in strafzaken: de eiser heeft de feiten van doodslag betwist in die mate dat hij een herkwalificatie naar het mis-drijf van opzettelijke slagen of verwondingen met de dood tot gevolg maar zonder de intentie om te doden heeft gevraagd, verzoek waarop de arresten van verkla-ring van de jury en veroordeling niet ingaan; het arrest "verklaring van de jury en motivering" is behept met een gebrek aan motivering waar het niet aanvaardt dat de eiser, op weg naar zijn moeder, zou afgezien hebben van het gemaakte plan, zoals nochtans blijkt uit de door hem ter rechtszitting en tijdens de pleidooien aangevoerde elementen, en dat hij niet de intentie had haar te doden, alhoewel dit allerminst blijkt uit het feitenrelaas; het arrest "verklaring van de jury en motive-ring" is onduidelijk gemotiveerd in zijn rechtsoverwegingen 6 en 9; de motivering is tegenstrijdig en dubbelzinnig; het arrest motiveert onvoldoende waaruit de in-tentie tot doden bleek en waarom de door de eiser voorgestelde herkwalificatie zich niet opdrong.

2. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak houdt in dat de beslissing op de strafvordering melding maakt van de overwegingen die de rechter van de schuld of onschuld van de beklaagde of be-schuldigde hebben overtuigd en dat zij minstens de voornaamste redenen aangeeft waarom de telastlegging al dan niet bewezen werd verklaard. Ofschoon artikel 6.1 EVRM op zich niet vereist dat de gezworenen de redenen opgeven van hun be-slissing, legt het wel de verplichting op dat de beschuldigde voldoende procedure-le waarborgen geniet tegen willekeur, waardoor hij kan begrijpen waarom hij schuldig verklaard is.

Artikel 149 Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed.

Artikel 334, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de gezworenen de voornaamste redenen van hun beslissing formuleren, zonder dat zij moeten antwoorden op alle neergelegde conclusies.

3. In zoverre het onderdeel een dubbelzinnigheid in de motivering van het ar-rest aanvoert, geeft het niet aan in welke lezing van het arrest de beslissing wettig en in welke lezing ze onwettig zou zijn.

In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

4. De gezworenen oordelen onaantastbaar in feite of de beschuldigde al dan niet de intentie had te doden en aldus welke kwalificatie aan het ten laste gelegde feit dient te worden gegeven.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbare oordeel van de gezwore-nen of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is, is het evenmin ontvankelijk.

5. Het arrest oordeelt dat:

- de beide beschuldigden van plan waren ernstig fysiek geweld te gebruiken;

- de eiser zeer goed op de hoogte was van de zwakke gezondheidstoestand van zijn moeder die hartproblemen kende en ademhalingsproblemen had waarbij zij regelmatig ernstige hoestaanvallen kreeg en waardoor zij kortademig was;

- uit eisers verklaring ter rechtszitting blijkt dat hij zijn moeder langs achter vastnam en hierbij haar neus en mond gedurende een dertig- tot veertigtal seconden stevig dichtdrukte terwijl hij simultaan een armklem rond haar hals plaatste, waarop zijn moeder in elkaar zakte, op de grond viel en zonder enig zichtbaar teken van leven bleef liggen; de eiser verklaarde verder dat hij uitein-delijk haar lichaam naar haar slaapkamer versleepte en daar nog een prop papier en een vochtig doekje in haar mond stak;

- het door de eiser aangewende geweld en de wijze waarop hij handelde groten-deels bevestigd werd door de medicolegale bevindingen.

6. Op grond van deze duidelijke redenen die de eiser in staat stellen de geno-men beslissing te begrijpen, verantwoorden de gezworenen zonder enige tegen-strijdigheid hun beslissing naar recht dat de eiser gehandeld heeft met de intentie te doden.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: tal van verhoren van de eiser werden afgenomen zonder bijstand van een raadsman; ook tijdens de wedersamenstelling genoot hij zulke bijstand niet waardoor het recht op wapengelijkheid in vergelijking met het openbaar ministerie werd miskend; in conclusie voerde de eiser aan dat die stukken uit het debat dienden te worden geweerd, evenals de akte van beschuldiging die erop gebaseerd is; bij tussenarrest van 1 juni 2012 wordt op dit verzoek niet ingegaan; het tussenarrest is gebrekkig of onjuist gemotiveerd waar het stelt dat er geen ongeoorloofde druk op de eiser werd uitgeoefend, wat niet relevant is, en dat zijn verklaringen niet als doorslaggevend bewijs worden gebruikt; het bevat geen enkele motivering of alleszins een onjuiste motivering met betrekking tot het gevraagde weren van de akte van beschuldiging.

8. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel van het hof van assisen over de feiten of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

9. Het recht op bijstand van een advocaat, gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een der-gelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rech-ten van de beklaagde of beschuldigde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken.

10. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad wanneer een verdachte verklaringen aflegt tijdens een verhoor door poli-tie of onderzoeksrechter of tijdens de wedersamenstelling zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat.

11. Deze omstandigheid heeft nochtans niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte en vervolgens beklaagde of beschuldigde op eerlijke wijze te behandelen. Wanneer de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter gebruikt worden, er kennelijk geen mis-bruik of dwang is gebruikt en de beklaagde of beschuldigde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde of beschuldigde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces ge-vrijwaard.

Het feit dat de Belgische wetgeving op het ogenblik van het gevoerde onderzoek niet voorzag in de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor door de politie-diensten of door de onderzoeksrechter of tijdens de wedersamenstelling, dient te worden beoordeeld in het licht van het geheel der wettelijke waarborgen die het Wetboek van Strafvordering en de Voorlopige Hechteniswet de beklaagde of de beschuldigde bieden ter vrijwaring van zijn recht van verdediging en van zijn recht op een eerlijk proces. Die waarborgen waarover hij beschikt in de loop van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek, zijn daadwerkelijke en passende remedies op de afwezigheid van bijstand van een advocaat tijdens de voormelde onder-zoeksverrichtingen. Zij laten de beklaagde of de beschuldigde immers toe zijn recht van verdediging over het hele verloop van het strafproces ten volle uit te oe-fenen en waarborgen zijn recht op een eerlijk proces.

12. Verder staat het de rechter aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de afwezigheid van bijstand van advocaat bij een verhoor door de politie of de onderzoeksrechter of tijdens de wedersamenstelling het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de verdachte en latere be-klaagde of beschuldigde onherstelbaar heeft aangetast.

13. Het arrest van 1 juni 2012 stelt vast en overweegt dat:

- een opzettelijk onrechtmatig handelen vanwege de verbalisanten of de onderzoeksrechter gelet op de toenmalige stand van de wetgeving, uitgesloten is;

- de eiser op het ogenblik van de verhoren van 4 en 25 april 2008 niet van zijn vrijheid was beroofd, noch in verdenking gesteld of aangehouden werd, en die verklaringen geen zelfbeschuldigende elementen bevatten;

- de eiser na die verhoren vrij was van handelen en contact kon opnemen met een advocaat naar keuze om de zaak te bespreken;

- hij op 9 mei 2008 ontboden werd voor de afname van een DNA-staal, verhoord werd over zijn telefoniegebruik en andermaal nadien mocht beschikken en een advocaat kon raadplegen;

- hij op 1 december 2008 van zijn vrijheid werd benomen en verhoord werd door de onderzoeksrechter die de eiser wees op zijn zwijgrecht en overeenkomstig artikel 4 Voorlopige Hechteniswet de stafhouder verzocht de eiser onmiddellijk een advocaat toe te wijzen;

- de eiser na het verhoor en het afleveren van een bevel tot aanhouding in de mogelijkheid verkeerde de hem toegewezen advocaat of een advocaat naar zijn keuze te raadplegen en dit gedurende het verdere verloop van het onderzoek;

- het gerechtelijk onderzoek geheim is, behoudens de wettelijke uitzonderingen, zodat het bijwonen van de wedersamenstelling in de toenmalige stand van de wetgeving aanleiding had kunnen geven tot een miskenning van het beroepsgeheim;

- de procedure voor het hof van assisen gekenmerkt is door haar mondelinge karakter; de beschuldigde kan op dat ogenblik verduidelijkingen, verbeteringen of toevoegingen aanbrengen aan zijn verklaringen of deze intrekken, evenals de bevindingen van de wedersamenstelling, waarvan een audiovisuele opname beschikbaar is, betwisten of bekritiseren;

- de eiser zowel tijdens het gerechtelijk onderzoek als tijdens de behandeling voor het hof van assisen de mogelijkheid had of heeft zijn opmerkingen ter zake te formuleren of te vragen bijkomende onderzoeksverrichtingen te laten uitvoeren.

14. Op grond van die redenen beantwoordt het tussenarrest van 1 juni 2012 ei-sers verzoek "de aangeduide verhoren, (...) de stukken die betrekking hebben op de wedersamenstelling en de akte van beschuldiging" uit het debat te weren, en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden.

15. Ten slotte dient ook te worden nagegaan of de verklaringen die de eiser heeft afgelegd zonder bijstand van een advocaat of de wedersamenstelling op het verloop van het proces een zodanige impact hebben gehad dat dit alsnog geen eer-lijk karakter meer zou vertonen.

Het arrest "verklaring van de jury en motivering" van 8 juni 2012 stelt uitdrukke-lijk dat bij het bepalen van eisers schuld geen rekening werd gehouden met de verklaringen die hij tijdens het gerechtelijk onderzoek heeft afgelegd zonder vol-ledige naleving van de cautieplicht of zonder de bijstand van een raadsman, of met de gegevens van de wedersamenstelling.

In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiser tot de kosten van zijn cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten op 315,32 euro.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 27 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Artikel 6.3 E.V.R.M.

  • Recht op bijstand van een advocaat

  • Interpretatie door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens